+ Meer informatie

Wat als het waar is? (2)

6 minuten leestijd

IN DE EERSTE AFLEVERING WAS AAN DE ORDE ‘WAT IS HET BEWIJS?’ HOE STERK STAAT DE EVOLUTIETHEORIE NU EIGENLIJK IN WETENSCHAPPELIJK OPZICHT. IK NOEMDE HET ONDERSCHEID: KOSMOLOGISCHE EVOLUTIE (HET ONTSTAAN VAN HET HEELAL MIDDELS EEN OERKNAL), CHEMISCHE EVOLUTIE (HET ONTSTAAN VAN EENCELLIG LEVEN UIT DODE MATERIE) EN BIOLOGISCHE EVOLUTIE (HET ONTSTAAN VAN ALLE LEVEN OP AARDE UIT EENCELLIGEN). IN ONDERSTAAND ARTIKEL IETS OVER CHEMISCHE EVOLUTIE EN BIOLOGISCHE EVOLUTIE. ZOALS GEZEGD: KOSMOLOGISCHE EVOLUTIE NOEMT VAN DEN BRINK NIET EN DAAR WIL IK DAN OOK NIET VERDER OP INGAAN.

A. Chemische evolutie

Wat de chemische evolutie betreft is Van den Brink echter wel ambivalent. Hiervan zegt hij onder andere: “Het is belangrijk (…) op te merken dat de evolutietheorie dus niet gaat over de vraag hoe het leven is ontstaan: in die zin vormt ze dan ook geen alternatief voor het geloof in de schepping van het leven door God (…) Zij heeft slechts betrekking op de vraag hoe het leven, nadat het eenmaal op aarde verschenen was, zich heeft ontwikkeld (pp. 38-39)”. Merkwaardigerwijs merkt hij echter later op (p. 74): “Zolang we geen doorslaggevende bewijzen van het tegendeel hebben, kan niet uitgesloten worden dat God de eerste levende cel schiep uit het niets, door een bijzondere handeling van Zijn wonderlijke macht”.

Hier gaat hij dus wel even kort in op de oorsprong van het leven en dan lijkt het er dus wel bij te horen. En dan wil hij kennelijk niet meegaan in het geloof van een “schepping van levende cellen”. Want even verderop geeft hij aan dat hij niet wil uitkomen bij een “God van de gaten” argument. Daarmee wo gedoeld op mensen die goddelijk ingrijpen veronderstellen op het moment dat we iets nog niet kunnen verklaren en dat argument moeten opgeven zodra dat wel het geval is. En daarmee zou je dan, als christen, steeds verder in de verdediging worden gedrukt omdat we steeds meer kunnen verklaren. De uitdrukkingen die hij gebruikt, namelijk “doorslaggevende bewijzen van het tegendeel” en “het kan niet uitgesloten worden”, doen toch minimaal vermoeden dat het spontaan ontstaan van leven wetenschappelijk gezien nu al vrij sterke papieren heeft.

Niets is verder van de waarheid verwijderd dan dat en het lijkt mij goed hier op te wijzen. Want hier ligt een groot probleem voor aanhangers van de evolutietheorie, als omvattende theorie voor het leven op aarde. Terecht rekent mijns inziens professor Van den Beukel, emeritus hoogleraar in de natuurkunde, zowel de vraag naar het ontstaan van het leven als de verdere ontwikkeling ervan tot de evolutie. Zoals ik ergens anders las: “met de oorsprong van de soorten beginnen we in hoofdstuk twee van de geschiedenis van het leven op aarde”.

In 1851 toonde Louis Pasteur experimenteel aan dat leven alleen ontstaat uit leven. Voor die tijd geloofden sommige wetenschappers dat het zich spontaan kon ontwikkelen. En alle pogingen daarna om toch een ver te vinden zijn gestrand. In het boek Met andere ogen gaat professor Van den Beukel hier uitgebreid op in. Als bewijs hiervoor is met name het in 1952 uitgevoerde experiment van Urey en Miller aangevoerd. Zij lieten elektrische vonken overspringen in een gasmengsel van methaan, ammoniak en waterstof, waarin twee aminozuren werden gevormd waaruit eiwitten zijn opgebouwd. Hiermee zouden de bouwstenen van het leven zijn gevonden. Maar levende cellen bestaan niet alleen uit eiwitten, maar ook uit koolhydraten, vetten en nucleïnezuren, zoals DNA. Van die stoffen werd er niet één gevonden en dat gold ook voor de bouwstenen ervan. Alleen van de eiwitten werden twee van de twintig bouwstenen (aminozuren) gevonden en dan nog de eenvoudigste. Die zuren waren ook nog eens in het voordeel door de opzet van het experiment. Een ander probleem voor chemische evolutie is dat eiwitten uitsluitend uit zogenaamde linksdraaiende aminozuren bestaan. De kans dat een functioneel eiwit met louter linksdraaiende aminozuren via toeval zou ontstaan is simpelweg nihil. Daar heb je een levende cel voor nodig.

De toenemende kennis van de biochemie en de moleculaire biologie maakt het volslagen onwaarschijnlijk dat het leven bij toeval is ontstaan. Dat geldt onder andere de enorm toegenomen kennis van de extreem ingewikkelde en vernuftig moleculaire wereld van de cel (Van den Beukel geeft in dit kader in zijn boek een lang en zeer indrukwekkend citaat van de biochemicus Denton). De bekende Amerikaanse filosoof Thomas Nagel schrijft in het boek Mind and Cosmos: “Hoe meer we begrijpen van de biochemische basis van het leven en de genetische code, hoe onbegrijpelijker het proces van de evolutie wordt”. Overigens is Nagel een atheïst die toch een verklaring zoekt zonder God erbij te betrekken.

Evolutionisten die toch vast willen houden aan het spontaan ontstaan van leven doen dit veelal op basis van het argument van enorm lange tijd. “De tijd maakt het onmogelijke mogelijk, het mogelijke waarschijnlijk en het waarschijnlijke zeker” aldus de bioloog en Nobelprijswinnaar Georg Wald. Maar dan worden aan de tijd goddelijke ei toegekend. Ook op basis van de waarschijnlijkheid berekening kan al worden aangegeven dat de tijd dit wonder onmogelijk kan verklaren. Zo is de kans om 25 maal achter elkaar een 6 te gooien met een dobbelsteen zo klein dat het 1000 miljard jaar zou duren als je per seconde de dobbelsteen gooit. Om over 100 maal achter elkaar een 6 gooien maar te zwijgen. Beroemd is in dit verband ook de uitspaak van de Britse astronoom en kosmoloog Fred Hoyle. Hij heeft de onwaarschijnlijkheid van ontstaan van leven uit dode materie als volgt beschreven: “De kans dat hogere levensvormen op deze manier zijn ontstaan, is vergelijkbaar met de kans dat een tornado die over een sloopterrein raast een Boeing 747 in elkaar zet uit de materialen die daar liggen”. De kans dat zelfs maar de eicellen van een levende cel spontaan zouden ontstaan werd door hem berekend op een 1 met 40.000 nullen. Overigens was ook Hoyle een volstrekte atheïst die meende dat het leven buitenaards moest zijn ontstaan en dat bouwstenen van het leven verspreid in het heelal voorkomen. De dure reizen van raketten naar kometen en planeten hebben onder andere tot doel die bouwstenen te vinden maar het heeft tot nu toe allemaal niets opgeleverd.

Kortom: er is nog geen begin van echt wetenschappelijk bewijs dat uit dode materie eencellig leven is ontstaan. Dat dit bewijs ontbreekt wordt ook erkend door zeer beroemde biologen, zoals Eugene Koonin, die dit het meest fundamentele probleem van de evolutiebiologie noemt. Het geloof hierin heeft niets met wetenschap te maken maar is geloof. Op dit punt hangt de evolutietheorie volkomen in de lucht.

B. Biologische evolutie

Maar nu dan de biologische evolutie. Want dat is het waar van de Brink zich echt op richt. De hypothese van de gemeenschappelijke afstamming, ofwel de gedachte dat alle leven hier op aarde ontstaan is door evolutie vanuit eencellige organismen. En dat de mens en de aap (of beter verschillende soorten apen) dezelfde voorouders hebben. Wat is daar het bewijs voor? Bij bewijs in de natuurwetenschappelijke zin gaat het dan om een combinatie van experimenten en waarnemingen die een hypothese lijken te bevestigen.

(Wordt vervolgd)

Wageningen, prof. dr. ir. Wim de Vries


Naar aanleiding van Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort. Christelijk geloof en evolutie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.