+ Meer informatie

2 Verkenning van het Diakonale terrein

14 minuten leestijd

Het lichaam van Christus

Wij zullen bij de dienst van de diakenen uit moeten gaan van het beeld, dat het N.T. dikwijls voor de kerk en haar leven gebruikt. De kerk heet het lichaam van Christus. Men ziet in 1 Corinthe 12 wat dit praktisch voor het gemeenteleven betekent. Zoals de leden van het lichaam elkaar nodig hebben, zo is het ook met de gelovigen. De betekenis en de kracht van het lichaam ligt in de manier waarop het ene lid op het andere lid is ingesteld en afgestemd. Een lid op zichzelf heeft geen betekenis; los van het lichaam sterft het lid af en het lichaam zonder een bepaald lid is een invalide lichaam. Het is niet zonder grote betekenis dat Paulus op de behandeling van dit praktische gedeelte het hooglied der liefde laat volgen. Hij wil zeggen: Het gaat in het lichaam van Christus alleen goed wanneer de liefde er regeert.

Hoe concreet en praktisch, hoe dienend en zichzelf verloochenend hij dit bedoeld heeft, leze men in 1 Corinthe 3 : 3-7.

Het diakonaat heeft nu een dubbele taak, zowel voor het samenspel van de leden. De diakenen hebben erop toe te zien en te bevordereen, dat de gelovigen elkaar dienen in christelijke liefde en barmhartigheid, opdat de kerk functionere en zich openbare als het lichaam van Christus. Als men van gemeente-diakonaat wil spreken zal het hier om gaan, dat de leden elkaar dienen en de kerk zich in en aan de wereld vertone als het lichaam van Christus. Zó gebruikt Christus zijn kerk voor de komst van Zijn Koninkrijk. Niet alleen de gelovigen individueel zijn geroepen tot getuigenis en dienst, maar ook de kerk in haar geheel. Deze dienst zal te beter vervuld worden, naarmate de kerk meer als een lichaam functioneert.

Elk van deze beide aspecten moet voor de diakenen gelijke betekenis hebben. Daar waar het individuele lid lijdt en tekort komt, wordt de harmonie in het lichaam verstoord, anderzijds daar waar de gemeenschap niet functioneert en het ene lid het andere niet dient, komt het individuele lid in verdrukking en wordt het tekort gedaan.

Vanuit het kerklid gezien kunnen deze beide aspecten van het diakonale werk als een directe en indirecte taak omschreven worden. De diakenen dienen het gemeentelid direct door zelf barmhartigheid te bewijzen en hulp te bieden in de nood. Zij dienen het gemeentelid indirect door de andere leden van het lichaam tot betoning van dienst en barmhartigheid te stimuleren.

Uit het gebruik van dit beeld volgt, dat de diakenen hun werk nooit alleen als diakenen of voor hun eigen verantwoordelijkheid kunnen doen. Zij zijn met de ouderlingen en dienaren der Woords tot deze taak geroepen. Het zou een ontstellende misvatting en vereenzijdiging van het diakenambt zijn, als men zou denken, dat de diakenen los van de overige ambtsdragers hun eigen dienst konden vervullen. De ambtsdragers te zamen hebben de verantwoordelijkheid en zorg voor het lichaam van Christus. Mogen de diakenen in die gemeenschappelijke verantwoordelijkheid al een speciale taak gekregen hebben, zij kunnen die taak toch niet uitvoeren zonder medeweten en medewerking van de andere ambtsdragers. Ook het diakonele werk staat onder verantwoordelijkheid van de gehele kerkeraad.

Dienst aan individuele gemeenteleden

De dienst aan de individuele gemeenteleden kan velerlei zijn. Na de invoering van de Algemene Bijstandswet — waarover hier onder meer — blijft er stellig plaats en noodzaak van aanvullende geldelijke ondersteuning. Men zal dan dienen te weten waar deze nodig is. Nu de materiële bijstand van overheidswege een recht geworden is voor iedere staatsburger, zullen degenen die van dit recht gebruik maken, zich meestal niet eerst tot de diakenen wenden. Verschillende factoren kunnen ertoe meewerken, dat men dit zelfs voor de diakenen verborgen houdt. Dit is over het algemeen tot schade van de betrokkenen. Want de diakenen kunnen in zulke gevallen raadsman zijn en daar waar het om immateriële nood gaat ook helpen via een stichting voor maatschappelijk werk en gezinsverzorging. Het is op zijn plaats te bevorderen dat de kerkleden voor die immateriële hulp zich niet laten bijstaan door organen van de overheid, maar door de eigen diensten. Overheidsorganen heten neutraal, men weet wat zulks betekent in het licht van het evangelie. Daar komt bij, dat er van de zijde van de diakenen ook aanvullende financiële steun geboden kan worden. Wie de diakenen dus buiten deze hulpverlening houdt, loopt het gevaar de hulp te missen, die vanuit Christus’ gemeente geboden kan worden, hetgeen over het algemeen tot schade is van de betrokkenen.

Er zullen ook mensen zijn, die gewetensbezwaren hebben tegen hulp van overheidswege krachtens de A.B.W. Zulke broeders en zusters zullen door de diakenen opgevangen en geholpen moeten worden. Uiteraard zal daarbij een gesprek over het recht dat iedere staatsburger heeft, niet achterwege kunnen blijven. Nimmer mogen de diakenen iemand ertoe dwingen bij de overheid steun aan te vragen. Wie weigert van zijn burger-recht gebruik te maken, moet door de diakenen — en dat is door de gemeente van Christus — geholpen worden.

Nu de gemeenteleden de diakenen in eerste instantie minder nodig hebben dan voorheen voor materiële hulp, komt het er voor de diaken meer op aan, dat hij vertrouwensman wordt van hen die hulp behoeven. Van deze dienst zal te meer gebruik gemaakt worden, naarmate de gemeente hen vertrouwenwinnend ziet werken.

Natuurlijk moet de gemeente over deze nieuwe stand van zaken geïnformeerd worden. De diakenen zullen de gemeente moeten voorhouden op welke wijze en welke punten zij hulp kunnen bieden.

Reeds voor de invoering van de A.B.W. was het gelukkig duidelijk geworden dat de diakenen een bredere taak hadden dan die van armenverzorgers. Tot voor de tweede Wereldoorlog ging hun werk veelal daarin op. Met de geweldige maatschappelijke verandering van na de Tweede Wereldoorlog is er ook een diepgaande bezinning op het diakenambt gekomen. Resultaat daarvan was, dat men allerlei werk heeft aangepakt en opgezet om de mens in nood te helpen.

Daar is de behoefte aan gezinsverzorgsters, als de moeder ziek wordt of voor korter dan wel langer tijd het werk niet kan doen. Dan moet er een Stichting voor Gezinsverzorging zijn, waarop de diaken een beroep kan doen. Meestal zal een dergelijke stichting nauw verbonden zijn of één geheel vormen met een Stichting voor Maatschappelijk werk. Moeilijkheden bij de besteding van het inkomen, zorgen rond afbetalingsschulden of problemen in de relatie van het gezin met de maatschappij moeten door een maatschappelijk werkster in dienst van een dergelijke stichting behandeld kunnen worden. De diakenen hebben ervoor te zorgen, dat zij naar een dergelijke stichting, waarin de plaatselijke kerk moet participeren, kunnen verwijzen. Voor zover een dergelijke stichting er niet is, moet haar oprichting bevorderd worden. Men zal deze stichting veelal in samenwerking met andere kerk(en) ter plaatse moeten oprichten. Vanuit andere kerken is er dikwijls de bereidheid om onze gemeente te doen participeren in zulk een stichting, zelfs al moet men daartoe van een specifiek (eigen) kerkelijke stichting overschakelen op b.v. een stichting op reformatorische grondslag. Deze mogelijkheden dienen nauwkeurig te worden onderzocht.

Bij moeilijkheden met de opvoeding van kinderen hebben de diakenen adviserende en bemiddelende hulp te verlenen, onder meer door te verwijzen naar ons eigen kinderbeschermingswerk of door contact op te nemen dan wel door het bevorderen van het opnemen daarvan met instellingen of verenigingen van christelijke aard, die hierbij hulp kunnen bieden.

Het is verstandig een dergelijke verwijzing te doen plaatsvinden via de Vereniging van diakonieën die immers zelf ook voogdij voerende vereniging is.

Voor huwelijksmoeilijkheden kan men, indien nodig, verwijzen naar een bureau voor levens- en gezinsmoeilijkheden indien de plaatselijke kerk in een dergelijke stichting participeert. Natuurlijk is het in de eerste plaats gewenst, dat dergelijke zaken ter kennis van de predikant en/of wijkouderling gebracht worden, opdat de ambtsdragers samen hulp bieden. Dit is ook het geval met het advies, dat ter zake van moeilijkheden met kinderen gegeven wordt.

Bejaarden en verplegingbehoevenden vormen dikwijls een groot probleem voor de diakenen. Het stichten van huizen voor zulke gemeenteleden zal in samenwerking met andere kerken ter hand genomen moeten worden. Eventueel valt te onderzoeken of men in bestaande stichtingen een plaats (en onderdak) kan krijgen. Ook al is de hulp van de diakenen in sommige van de geschetste gevallen meer van adviserende en verwijzende aard, dan is dit toch typisch diakonaal werk. Hoe velen wensen dat ze in bepaalde moeilijkheden een goede raadsman hebben, die op wegen kan wijzen, welke de betrokkenen onbekend waren.

Indien de diakenen dergelijke verwijzende hulp geboden hebben is het nodig dat ze van hun gepaste belangstelling blijk blijven geven. Laat men nog eens informeren hoe alles gegaan is dan wel of er verdere hulp nodig is. Dergelijke belangstelling achteraf vergroot het vertrouwen en effent de weg voor verdere hulpverlening.

Wanneer de diaken als vertrouwde, als raadsman een plaats ontvangt, zal hij ook zijn taak weten en krijgen bij een sterfgeval. De man die alleen achter blijft, moet huishoudelijke hulp hebben. Een weduwe moet soms advies hebben over zakelijke aangelegenheden, over de opvoeding van de kinderen en de regeling van het voogdijschap. Men moet zich in zulke gevallen niet opdringen, maar tonen er te willen zijn tot hulp van de ander.

Er zijn dingen die op het grensgebied van de diaken en de maatschappelijk werker (ster) liggen. Daarom is het nodig met zulke werkers goed contact te onderhouden. Wanneer het de diaken en de maatschappelijk werker om de barmhartigheid van Christus gaat, zal men steeds een oplossing vinden voor de competentiekwesties. (Wat behoort tot het terrein van de diaken of de maatschappelijke werker?) Wie niet wil dienen is voor dit werk ongeschikt en wie dienen wil zal het belang van de betrokkene op het oog hebben zonder allereerst te vragen: wat is mijn terrein en wat is van de ander.

Hoe dit contact geregeld wordt is een zaak van elke diakonie apart. In elk geval zal er een open verhouding moeten zijn of komen tot de maatschappelijke werker. Daaraan moet van beide kanten gewerkt worden. Het is beter te zorgen dat demaatschappelijk werker altijd bij de diakenen op hun vergadering terecht kan, dan dat hij een vaste plaats in die vergadering heeft.

Dienst aan de gemeenschap

Daarnaast is er de dienst van de diakenen aan de gemeenschap. Gelukkig is er de spontane hulpverlening welke door de gemeenteleden wordt verricht. Het zou verkeerd zijn om dat onderlinge dienstbetoon te gaan reglementeren of te willen organiseren. Daar waar het goed gaat moeten de diakenen er zich niet mee bemoeien. Zij hebben immers een dienende functie. Waar er aan hun zorg geen behoefte is, moeten zij zich niet in iets mengen. Dan zouden ze gaan heersen in plaats van te dienen. Men zou kunnen zeggen: hoe meer er zonder hen geschiedt, hoe beter.

Meestentijds zal dit onderling dienstbetoon van individuele aard zijn en ook individueel gericht zijn. Zodra het breder gaat worden, is er ordening gewenst of vereist. Daarbij hebben de diakenen wel degelijk een taak. Uiteraard zullen zij deze taak in samenweking en met instemming van de gehele kerkeraad moeten uitvoeren, maar zij zijn het toch die hier leiding hebben te geven.

Daar is in de eerste plaats het organiseren van bijeenkomsten voor de bejaarden.

Deze broeders en zusters leven vaak in stilte en eenzaamheid. Er moet aan hen getoond worden, dat er in de kerkelijke gemeenschap met en op hen gerekend wordt. Bejaardenmiddagen of -avonden kunnen eens per maand of eens per twee weken georganiseerd worden. Het is beter minder vaak bijeen te komen en de samenkomst aantrekkelijk te laten blijven, dan dikwijls te vergaderen en het bezoek te zien verlopen. Laat het een feestmiddag blijven. Over opzet en inrichting van deze middagen kan verschillend gedacht en besloten worden. Het is niet gewenst er een soort sociëteitsmiddag van te maken. Het best kan men voor een heel jaar het programma vaststellen. Diavertoning, een praatje van een huisarts over bejaardenvoeding e.d., informatie over het werk van het Rode Kruis, Effata of ons Kindertehuis, een toespraak van een predikant over het gebedsleven bij het ouder worden kunnen op het programma komen. Men kan ook plaats inruimen aan de zelfwerkzaamheid van de bejaarden. B.v. een middag met discussie in groepjes over enkele voor hen aantrekkelijke en belangrijke onderwerpen. Over het algemeen is het gewenst de leiding niet aan de bejaarden te geven. Natuurlijk is hierbij de hulp van zusters uit de gemeente onmisbaar. Zij kunnen met de leiding en uitvoering belast worden, terwijl de algemene gang van zaken en het programma voor het hele jaar met de diakenen besproken wordt. Deze zusters dienen ook betrokken te worden bij het organiseren van het jaarlijks uitstapje met de bejaarden. Laten de diakenen hen zien als medewerksters, die bij zulke plannen ook volledig recht van meebeslissen hebben. Deze zusters kan men ook vragen de bejaarden op hun verjaardag te bezoeken. Ongetwijfeld zal dit gewaardeerd worden.

Verder is er het bezoek aan chronisch zieken en de „gewone” zieken. Dit kan het beste wijksgewijze geregeld worden. Wellicht kan de vrouwenvereniging dit op zich nemen. Anders moeten er in elke wijk zusters bereid gevonden worden om zich met deze taak te belasten. Zij kunnen eventueel andere zusters aantrekken voor dit werk, maar blijven zelf verantwoordelijk. Uiteraard moet dit in nauwe samenwerking met de predikant geschieden, die namen van zieken (en eenzamen) doorgeeft. Waar dit alles buiten de diakenen om geschiedt, moetende diakenen het niet aan zich trachten te trekken. Hun dienende taak moet mede daarin uitkomen, dat zij zich erin verblijden, dat het zonder hen goed gaat. Waar dit werk niet gedaan wordt, moeten zij het op gang brengen.

Men kan ook denken aan het opvangen van nieuwe leden. Het is van belang, dat mensen, die in de gemeente binnenkomen spoedig bezoek krijgen van de ambtsdragers of van een broeder of zuster in de wijk. De bezoeken van deze laatsten te stimuleren is mede een taak van de diakenen. Zij kunnen daarvoor enkele gezinnen uit elke wijk uitnodigen.

Verder moeten nieuwe gezinnen over het gemeenteleven geïnformeerd worden, zodat zij weten welke activiteiten er zijn. Een jaarboekje van de plaatselijke kerk kan daarbij goede diensten vervullen. In deze gevallen is diakonaal huisbezoek naast het bezoek van de ouderlingen stellig op zijn plaats.

Er zijn nog enkele andere diensten welke door de diakenen ter hand genomen kunnen worden. Daarbij moet niet de bedoeling voorzitten om dit alles in handen van de diakenen te houden. Wat door gemeenteleden zelf gedaan kan worden, moeten de ambtsdragers niet doen. Wel is toezicht, orde en coördinatie door de ambtsdragers dikwijls gewenst.

Men kan denken aan de vervoersdienst in de gemeente. Bejaarden en gebrekkigen moeten naar de kerk gebracht worden, naar een gemeenteavond of een bejaarden samenkomst. Eventueel moet in incidentele gevallen gezorgd worden voor vervoer van gemeenteleden, die beslist een familielid in het ziekenhuis moeten bezoeken, maar dat zonder auto niet kunnen doen.

Daar is het organiseren van een oppasdienst. Meisjes uit de gemeente kunnen tijdens de kerkdienst kinderen oppassen die zelf de dienst nog niet kunnen meemaken. Daardoor worden de ouders in de gelegenheid gesteld om samen met de andere kinderen in de kerk te zijn. Men zal stellig de medewerking van meisjes kunnen krijgen. Maar het moet georganiseerd worden. Te overwegen is een Bijbelverhaal te vertellen. Eventueel stelle men enig geld beschikbaar voor de aanschaf van wat speelgoed of spelen om de kinderen bezig te houden.

Het moge uit dit voorbeeld duidelijk zijn, dat ook de jeugd van de gemeente een taak behoort te ontvangen; waar mogelijk, moet op hun bereidwilligheid een beroep gedaan worden en van hun diensten gebruik gemaakt. Te denken valt hier aan het doen van boodschappen of het verrichten van karweitjes voor oudere alleen wonenden met name in de winter. Niet te vergeten is het voorlezen van een stuk uit de bijbel of dagboek aan ouderen die niet meer goed kunnen lezen. Verder dienen de diakenen er op bedacht te zijn op welke wijze zij in incidentele gevallen of in vaster verband van allerlei krachten in de gemeente gebruik kunnen maken. Zo dienen zij het onderling hulpbetoon en bevorderen zij de beleving van het samen lichaam van Christus zijn. De diakenen zijn toch ook gesteld om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon. Als er nog meer taken zich voordoen dan welke hier beschreven zijn, zal dat alleen maar de beleving van de gemeenschap der heiligen ten goede komen. Alleen wake men er voor het werk om het werk op te zoeken; men zal altijd een concrete dienstvervulling op het oog moeten hebben. Het is beter niet alles tegelijk in handen te nemen. Men beginne met het meest voor de hand liggende en het dringendst noodzakelijke. Men breide rustig aan werkterrein en aktiviteiten uit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.