+ Meer informatie

Tien regels voor huisbezoek

11 minuten leestijd

6. Plaats nooit u zelf in het middelpunt

Een veel voorkomende fout die door huisbezoekers gemaakt wordt is zichzelf in het middelpunt plaatsen.

Dat kan reeds beginnen met de verzuchting dat men het als ouderlingen zo geweldig druk heeft of als dominee geen tijd heeft om te doen wat gedaan moet worden. Op deze wijze heeft men de aandacht op zichzelf gericht. De ontvangende broeder en zuster krijgt dan de indruk: het is een grote gunst dat ik bezocht wordt. Dat is de bedoeling van het huisbezoek niet. Huisbezoek is een zaak, waar ieder gemeentelid recht op heeft. Het is plicht van de ambtsdragers dat het gebracht wordt.

Het is evenmin juist om eigen gezins- of maatschappelijke omstandigheden uitvoerig te belichten. Een ambtsdrager, die maatschappelijk een goede positie heeft of zijn schaapjes behoorlijk op het droge heeft staan, moet zich daar niet op voor laten staan; nooit en als hij dit doet in gezinnen, die het maatschappelijk niet zo florisant hebben, heeft hij de sfeer grondig bedorven. Een ambtsdrager, die geurt met zijn werk, zijn prestaties of zijn hobby’s, verstaat weinig van het doel van het huisbezoek.

Maar het ergste is het wanneer een ambtsdrager komt met zijn eigen bekeringsweg, geloof en bevinding: ja deze tot norm stelt. Het is moeilijk om te beoordelen of dit nog veel voorkomt in onze kerken. Dat het voorgekomen is, is zeker.

Ambtsdragers die zo handelen zien in het beste geval de aard van het huisbezoek niet goed. Zij verliezen het ambtelijk karakter van hun bezoek geheel uit het oog en schakelen het gelijk met een gesprok van hart tot hart tussen broeders en zusters met dit verschil dat in dit laatste geval de ervaring van de een geen norm is voor de ander.

Een andere mogelijkheid is helaas dat zij zichzelf beschouwen als standaardgelovigen wier geestelijk inzicht normatief is voor de gemeente. Via het huisbezoek wordt dan een geestelijke dictatuur gekweekt, die veler leven kan verlammen.

Of een ambtsdrager dan zijn persoonlijke ervaring kan vergeten? Vanzelfsprekend niet. Het zou niet goed zijn, wanneer dat het geval was. Uit de geestelijke leiding, die de ambtsdrager geeft, blijkt werkelijk wel of hij er achter staat en „weet heeft” van wat hij zegt. Zijn levenswijsheid en -beproefdheid komt in alles openbaar zonder dat hij die extra beklemtoont of er bijzondere aandacht voor opeist. „Komen met jezelf” is in de regel een teken van geestelijke armoede.

Afgedacht van alle geestelijke motieven, die zwaar wegen, is het uit psj”chologisch oogpunt ook totaal onjuist in een gesprek bij een bezoek, dat men brengt, zichzelf in het middelpunt te plaatsen. Men frustreert elk gesprek op deze manier en laat bij de bezochte de indruk achter: wat heeft die man het goed met zichzelf gescheten.

Voor de ambtsdrager geldt dat hij in dienst staat van zijn Koning en het Woord Gods op huisbezoek heeft te brengen. Ook de toepassing van dat Woord in een gezin cf in een gesprek net een gezinslid moet uiteindelijk cirkelen cm de eer van God en de betekenis van Zijn Woord in alle verbanden van het leven van de betrokkene.

7. Voer het gesprek geestelijknuchter

Het gesprek op het huisbezoek — de materiële inhoud van het huisbezoek dus — moet een geestelijknuchter karakter dragen. Hier zou natuurlijk veel over te schrijven zijn. In een afzonderlijk artikel ”Is er Christelijk Gereformeerd huisbezoek?” hoop ik op enkele elementen nog nader in te gaan. Maar bij de vermelding van de regels voor het huisbezoek mag toch de grondregel niet ontbreken: voer het gesprek geestelijknuchter. Dat houdt in: het moet in het gesprek gaan om de eer van, de dienst aan en het leven uit God. Uiteraard gaat het niet om het noemen van deze woorden of het schematisch afwerken van deze begrippen.

Maar in feite moeten deze zaken wel aan de orde komen. Is God in het leven de Eerste geworden? Is Hij meer dan een begrip? Is Hij de levende God? Dienen we Hem over de hele linie van het leven? Leven we uit Hem? Wat betekent Christus voor ons tot rechtvaardiging en heiliging?

Het zijn deze vragen, die in een goed huisbezoek niet vermeden mogen worden. Alleen zo komen we ook boven het dilemma uit waar we vaak mee zitten: moeten we er bij de belijdende leden van uitgaan dat het geestelijk wel in orde is of moeten we a priori aannemen: het is niet in orde? Of het „in orde” is of niet blijkt uit het gesprek, dient daar althans uit te blijken. Hier is mensenkennis en kennis van het geloofsleven vereist bij de ambtsdragers. Mensenkennis om te kunnen peilen wat er leeft, om tussen de regels door te kunnen luisteren, om te kunnen aanvoelen met welk type mensen we te doen hebben. En kennis van het geloofsleven om ons niet door een woordenvloed om de tuin te laten leiden of ons door een zekere geslotenheid af te schrikken.

Het is wel duidelijk dat we wanneer we zo geestelijknuchter huisbezoek doen als vanzelf komen te spreken over de persoonlijke verhouding tot de Here, over kerkbezoek. Avondmaal en gebedsleven.

Breder wil ik daar nu niet op in gaan om redenen bovengenoemd. In een volgend nummer D.V. meer.

8. Kom in het gesprek tot een bepaalde conclusie

Deze gespreksregel is ingegeven door de praktijk van het huisbezoek. Het gevaar is groot dat het gesprek oeverloos wordt en dat er maar „wat” gepraat wordt, zonder dat er „geestelijk” gezien zaken worden gedaan.

Nu lijkt deze opmerking erg zakelijk. Sommigen hebben misschien bezwaar tegen deze benadering. Maar we zullen het er over eens zijn dat we op het huisbezoek moeten komen tot een vruchtbare gespreksvoering. Die vruchtbare gespreksvoering wordt gekenmerkt door het voor onszelf als ambtsdrager komen tot een bepaalde conclusie, die we niet uitdrukkelijk geformuleerd moeten uitspreken in het gesprek, maar die we voor onszelf als richtlijn moeten stellen. In het gesprek zal deze conclusie eigenlijk door de betrokkenen zelf moeten worden gemaakt.

Het is van grote betekenis dat de bezochte in het gesprek zichzelf beter leert begrijpen en weet hoe het geestelijk nu feitelijk met hem is. Alleen dan is er de mogelijkheid van verandering. Terecht schreef dr. E. v. d. Schoot in het genoemde boekje (”In gesprek met de ander”?: ”Als ik mezelf niet wil aanvaarden en krampachtig een ander wil zijn dan ik kan zijn, geraak ik steeds meer in mijzelf en in mijn door mijzelf verworpen gevoels-, denk- en gedragspatronen verstrikt”. (31)

Een goed gesprek is een gesprek dat de ander ergens brengt en dat mezelf een goede en eerlijke kijk geeft op de ander.

Alleen dan blijft er van het gesprek wat achter èn bij de bezochte èn bij de bezoeker.

Het is ook belangrijk voor de ambtsdrager zelf voor zijn ambtelijk werk. Het lijkt me een goede zaak dat elke ambtsdrager voor zichzelf een korte aantekening maakt van het bezoek dat hij aflegde. Van betekenis ook voor verdere bezoeken en voor de rapportage op de kerkeraad, die overigens zo beknopt mogelijk moet worden gehouden, maar die dan in ieder geval niet in algemeenheden behoeft te vervallen. Het is toch de bedoeling van ons ambtelijk werk dat we ergens naar toe werken; dat we de geestelijke opbouw van de gemeente dienen en dat we de gemeente onder de zegen des Heren brengen tot ”de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus”.

Dat laatste is voorwaarde voor de opbouw (W. H. Velema, De geestelijke groei van de gemeente, pag. 30).

9. Besluit het huisbezoek met een op het gehouden gesprek afgestemd gebed

Het gebed aan het slot van het huisbezoek is essentieel voor het huisbezoek. Een huisbezoek, dat niet uitmondt in het gebed, is niet af. De ambtsdrager, die tijdens het huisbezoek profetischpriesterlijk zijn werk deed, komt nu als priester ten volle in actie. Het bezochte gezin wacht daar op. Het boekje van ds. R. Kaptein over het huisbezoek (uitgave Polak en Van Gennep, Amsterdam) is, hoeveel leerzaams er ook in te vinden is, te veel afgestemd op de hervormde situatie. Schrijvend over het gebed schrijft hij: ”We kunnen in deze nooit programmatisch zijn; we mogen echter ook niet te schuw zijn. Als we aarzelen, zullen we dit steeds moeten vragen. Of kunnen we ons dan beter onthouden? In ieder geval zou het kunnen zijn, dat de kansen voor het gebed op huisbezoek bij de mens van deze tijd kleiner worden. We zullen dus in het algemeen voorzichtig moeten zijn”. (95) Stel u voor dat in onze kerkelijke kring een huisbezoek niet besloten werd met gebed en we aarzelend zouden moeten vragen: stelt u ons gebed op prijs?

Alleen: de keerzijde hiervan is dat we het gebed te vanzelfsprekend vinden en te automatisch uitspreken.

Daarom moet het gebed afgestemd zijn op het gesprek, dat we gevoerd hebben.

Hiertegen wordt nogal eens gezondigd. Men bidt een clichégebed met de bekende loopjes. Men omschrijft in het gebed de bekeringsweg — omdat men zijn boodschap in het gesprek niet voldoende kwijt kon? Of omdat men nu op geen tegenspraak of interrupties behoeft te rekenen? Maar dan slaat men de plank ver mis: we spreken tot de Here en we mogen het gebed niet degraderen door het vol te stoppen met dogmatische en praktische geloofsleer.

Evenmin moeten we ons verleiden om in het gebed ”steken” te geven. Als we in het gebed gaan zeggen wat we in het gesprek niet durfden te zeggen, hebben we het gebed omlaag gehaald.

Het is van grote waarde dat we eerlijk, concreet, kinderlijk bidden. Gezegend de wijkouderling, die priesterlijk de noden van het bezochte gezin voor de Here weet te brengen, ingaande op het gesprek, de verschillende gezinsleden gedenkend. Dat kan in het gezin nog meer nalaten dan een gesprek. Uit het gebed blijkt immers of de ambtsdrager werkelijk heeft geluisterd of dat hij ambtshalve er zat, maar er in feite niet ”bij” was.

Ga na het gebed direct weg en knoop niet weer een gesprek aan. Als men na het gebed nog wat nakletst en nog eens een kopje koffie drinkt ondermijnt men het gehouden huisbezoek. Men geeft dan de indruk: nu zijn we weer ”onder ons”. We hebben ons ambtelijk werk gedaan en nu zijn we weer gewone mensen onder elkaar. Het huisbezoek ebt dan weg en laat niets na.

10. Bespreek het afgelegde huisbezoek met uw collega of neem uw eigen houding tijdens het gesprek onder de loupe

De deur is weer achter u dicht. Een zucht van verlichting stijgt op. Dat hebben we weer gehad. Of, indien het bezoek is meegevallen, een dankbaar en tevreden gevoel, misschien iets van ambtelijke trots: dat hebben we goed gedaan. Maar in beide gevallen gaat u weer spoedig over tot de orde van de dag (of nacht) en zakt het huisbezoek weer weg totdat u geroepen wordt rapport uit te brengen op de kerkeraad.

Dit is niet juist. Het afgelegde huisbezoek moet, als u met z’n beiden op huisbezoek bent geweest, door u beiden worden besproken; het huisbezoek moet a.h.w. geanalyseerd worden, zowel psychologisch als geestelijk. Het moet kunnen lijden dat we elkaar als ambtsbroeders zeggen waarin we samen of waarin de een of de ander fout

is geweest. Dat is leerzaam voor een volgend bezoek en is opbouwend voor uw beider ambtelijke praktijk èn voor uw geloofsleven en -visie.

U leert op deze wijze iets van een goede gesprekstechniek, als u samen een bezoek bespreekt en krijgt psychologische geschooldheid, als u elkaar tenminste niet van de wal in de sloot helpt. Belangrijk is in dit verband ook huisbezoeken in breder kring te bespreken om zo ”de techniek” te leren beheersen.

Maar het is niet minder van betekenis voor de aanpak van de geestelijke vragen. Het is belangrijk als u elkaar als ambtsbroeders leert kennen, weet wat u aan elkaar hebt om zo leiding te kunnen geven.

Wanneer u alleen huisbezoek hebt afgelegd mist u de uitwisseling van gedachten met uw confrater, maar het is wel van betekenis dat u voor u zelf het huisbezoek nagaat; de knelpunten nog eens bekijkt; de punten waar het gesprek stokte zo objectief mogelijk releveert. Wie dat niet doet, maar bij voorbaat meent dat hij het goed gedaan heeft, snijdt zichzelf de pas af om te groeien in de ambtelijke praktijk.

Bovenstaande tien regels zijn geboren uit en geschreven voor de praktijk van het huisbezoek. Hopelijk hebt u er iets aan. Overigens: wie is tot deze last en dit werk bekwaam? Ook hier blijft het een jagen om het te grijpen omdat we door de ambtelijke opdracht gegrepen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.