+ Meer informatie

IV. DE BETRACHTING VAN DE WET DES HEEREN IN DE WARE DANKBAARHEID

7 minuten leestijd

Meditatie

Zondag 34.

Eerst wordt nu nog gevraagd: „Hoe worden deze tien geboden gedeeld ? " En het antwoord is: „In twee tafelen, waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden; de andere, wat wij onze naaste schuldig zijn." Bij de behandeling van de tweede zondag zijn we er ook al op gewezen wat de Heere in Zijn wet van ons eist. Kort en goed eist Hij liefde in Zijn wet van ons. De wet eist dat we God liefhebben boven alles en onze naasten als onszelven. Dat wordt hier nu in het antwoord ons ook gezegd. God gaf Zijn wet op twee stenen tafelen, zoals ons aUen bekend is. De Heere Jezus heeft daarom ook gesproken over twee geboden en gezegd: „Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten." Maar daar we bij de behandeling van zondag 2 gewoon zijn, daar wat nader op in te gaan, zullen we dat nu niet doen.

De eerste tafel der wet leert ons dus, hoe wij ons jegens God zullen houden. En daarom willen we nu ook maar ineens onze aandacht geven aan het eerste gebod van 's Heeren wet. In dit gebod zegt de Heere: „Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben." Zo wordt dus in dit gebod al dadelijk tot uitdrukking gebracht, hoe wij ons jegens God zullen houden. Het kan niet anders of dit gaat voorop. Als er geen ware liefde tot God is, kan er ook geen liefde tot de naasten zijn. Van de onrechtvaardige rechter lezen we, dat hij God niet vreesde en geen mens ontzag. Er wordt dan ook van de eerste tafel der wet gesproken als het grote gebod. Neen, het wordt wel niet het grootste gebod genoemd, want er wordt ook nog nadrukkelijk van de tweede tafel gezegd: „En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven." Maar er wordt toch van de eerste tafel als het grote gebod gesproken, omdat er buiten de ware liefde tot God ook geen ware liefde tot de naasten kan zijn. En aJs nu van de eerste tafel het eerste gebod thans onze aandacht vraagt, dan moeten we ook van dit gebod zeggen, dat dit eigenlijk het wortelgebod of het hoofdgebod is en alszodanig bovenaan staat. Het is een gebod dat op de eerste plaats moet staan en onmogelijk op de tweede of derde plaats kan staan.

De ganse zedewet rust op het recht dat God als Schepper heeft over alle creaturen. Zo was het in het werkverbond, maar dit geldt vanzelf voor de gevallen mens buiten Christus nog. Maar in het genadeverbond rust de zedewet meer speciaal op het recht dat God op Zijn volk heeft door een genadige verlossing. Aan de tien geboden gaat dan ook vooraf, zoals we reeds beluisterd hebben: „Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb." En zo sprak de Heere nu ook tot Israël: „Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben." Als het door God verkoren volk, dat de Heere Zich van alle andere volken afgezonderd had, kon Israël weten Wie de ware God was. Door Zijn machtige arm had Hij Israël uit Egypte uitgeleid. Maar ook aan Israël had Hij Zijn rechten en inzettingen gegeven en alzo had Hij Zich als de enige ware God door' Israël doen kennen. Zoveel te erger was het dan ook, als Israël afgoderij bedreef. Hoe heeft het volk daardoor de Heere toch steeds tot toom verwekt. De heidenen kennen de enige ware God niet. Zij leven buiten Gods Woord. Geen wonder dat zij zich dan ook voor andere goden nederbuigen. Wel stelt dit hen ook schuldig uit kracht van de ingeschapen Godskennis, zoals de apostel ons daarop vnjst in Romeinen 1. Daar zegt hij van de heidenen, dat zij niet te verontschuldigen zijn, omdat zij God kennende. Hem als God niet hebben verheerlijkt en gedankt. Maar zij die onder het licht van het evangelie leven, dragen vanzelf meerder verantwoordelijkheid. En wat voor Israël gold, geldt dan ook voor ons. De enige ware God wil Zich door Zijn Woord aan ons openbaren. Hij is een God Die alles regeert en Die ons uit alle moeilijke omstandigheden helpen en verlossen kan. Maar afgoderij is het dan ook, als wij inplaats van het tot de enige ware God te wenden, vertrouwen op een vlesen arm en bijvoorbeeld door het sluiten van allerlei verzekeringen ons veilig willen stellen tegen allerlei mogelijke gevaren.

We mogen geen andere goden voor Gods aangezicht hebben. Maar kunnen we dan wel van andere goden spreken ? Er is toch geen god behalve de enige ware God ? Neen, als zodanig zijn er geen andere goden. Maar toch spreekt de Heere van andere goden, omdat de mens zich andere goden maakt, die geen goden zijn. Dit gebod zegt ons dus, dat God als de enige ware God jaloers is op Zijn eer. We mogen volgens dit gebod, geen andere goden voor Zijn Aangezicht hebben. Voor Zijn aangezicht is niets verborgen, maar alle dingen zijn naakt en geopenbaard voor het oog Desgenen met Wie wij te doen hebben.

De afgoderij is alzo de hoofdzonde die in dit gebod verboden wordt. En deze zonde wordt in de verklaring van het eerste gebod in deze zondag het eerste genoemd. En er wordt in deze zondag ook nog apart gevraagd: „Wat is afgoderij ? " Het antwoord op die vraag is: „Afgoderij is, in de plaats van de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders versieren of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet." Dat we geen andere goden voor Gods aangezicht mogen hebben, wil dus zeggen dat we gans geen eer of dienst mogen bewijzen aan andere goden. Het woord „hebben" wil hier zeggen, anderen tot zijn god te hebben, om die te eren, te vrezen en te betrouwen. Maar dat „hebben" komt alleen de ware God toe. Asaf zegt: „Wie heb ik nevens U in de hemel.? Nevens U lust mij ook niets op de aarde.

Wat is dus afgoderij ? Wel, in het laatste antwoord, u zoeven voorgelezen, wordt het duidelijk gezegd. Die afgoderij komt volgens dat antwoord in een grove, maar ook in een meer verfijnde vorm voor. De grove afgoderij is: in de plaats van de enige ware God iets anders te versieren of hebben, waarop we ons vertrouwen stellen. Deze afgoderij is bij de heidenen te vinden. Maar de meer subtiele afgoderij is het hebben van andere goden nevens de ware God. Aan deze zonde stelde Israël zich schuldig, als men nevens de ware God ook de Baal en de Astaroth diende.

In dit gebod wordt dus zomaar niet alleen een uitwendige afgodendienst verboden, bestaande in het vereren van stomme beelden. Als er in dit gebod over Gods aangezicht gesproken wordt, dan zegt dit gebod ons, dat God ook die afgoden ziet die wij diep in ons hart verbergen. Och, bij de rechte verklaring van dit gebod, komen we er geen van aUen onschuldig uit. Afgodendienaars zijn we allen geworden in onze diepe val. We zullen steeds bij de behandeling van elk gebod afzonderlijk bij onze val terecht moeten komen. In die val hebben we elk gebod van 's Heere heilige wet overtreden. In die val zijn we eerrovers Gods geworden. We hebben zelf God willen zijn. Dat is de gruwel van onze val geweest. Al hebben we dus nooit uitwendig de afgoden gediend, door ons voor de beelden neer te buigen, toch zijn we overtreders van dit eerste gebod. En buiten de genade Gods zal de rechte betrachting van dit gebod ook nooit bij ons te vinden kunnen zijn, want de liefde Gods zal in ons hart uitgestort moeten worden om God waarlijk lief te hebben boven onszelf. En daar zal het nu ook juist ter zaligheid op aankomen. En zo snijdt dit gebod alle godsdienst af, die buiten het ware zaligmakende werk des Geestes omgaat. Onze godsdienst zal aan Gods heilige wet getoetst moeten kunnen worden ! Het zal in geheel ons leven openbaar moeten komen, of de wet Gods in ons hart is ingeschreven en de liefde Gods in ons hart is uitgestort. Dan zullen we er ook de Waarheid niet aan kunnen wagen, om eigen eer te redden en onze positie te kunnen handhaven.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.