+ Meer informatie

TER OVERWEGING

19 minuten leestijd

Ds. M.B. van den Berg, De brief aan de Colossenzen - Christen zijn uit één stuk. Uitg. Buyten en Schipperheyn, Amsterdam. 90 pag.

Onder de titel „Zicht op de bijbel” verschijnt een reeks boeken „die de Bijbel en bijbelse onderwerpen binnen het blikveld brengen en uitermate geschikt zijn voor persoonlijke en gemeenschappelijke bijbelstudie”. Zeker voor wat betreft dit boekje heeft de uitgever m.i. hier niet teveel gezegd.

Wanneer de brief aan de Colossenzen gelezen wordt met dit boekje ernaast, zal men a.h.w. gedrongen worden om te blijven lezen. De schrijver, predikant bij de Ned. Geref. Kerk (Tehuisgemeente) te Groningen, bezit de gave om op boeiende en indringende wijze duidelijk te maken wat hij bedoelt.

Bijbelstudieclubs en jeugdverenigingen zullen van deze uitgave een dankbaar gebruik kunnen maken, maar ook aan ambtsdragers die, zoals het bevestigingsformulier zegt „schuldig zijn, Gods Woord naarstig te doorzoeken”, wordt hier een goede handreiking gegeven bij het „voorlichten” in leer en leven.

Bij het lezen zult u ongetwijfeld hier en daar uitroeptekens of onderstrepingen aanbrengen, b.v. op pag. 28/29. Soms ook vraagtekens, zoals wij dat deden, o.a. op pag. 87-89. Het laatste behoeft echter beslist geen bezwaar te zijn om dit boekje aan te schaffen. Integendeel, wij achten het van belang dat ambtsdragers e.a. kennis nemen van wat hier geboden wordt.

Dr. W.H. Velema, „Voor en Tegen” Artikelen over eigentijdse vragen, 175blz. Boekencentrum b.v., ’s-Gravenhage.

In dit boek is een aantal artikelen gebundeld, die de laatste jaren door de schrijver in verschillende bladen werden gepubliceerd. De vraag zou gesteld kunnen worden: „moet nu alles wat reeds eerder onder de aandacht werd gebracht, ook nog weer in boekvorm verschijnen?” Wie nauwkeurig kennis neemt van het hier gebodene zal dankbaar zijn dat het is gebeurd.

Wie dit boek ter hand neemt en b.v. begint met die onderwerpen te lezen welke hem of haar het meest interesseren, zal al spoedig zeggen: „fijn dat ik dit nu allemaal bij elkaar heb”. Lang niet iedereen is immers in de gelegenheid om van alle, in de inleiding genoemde periodieken kennis te nemen. Lezers van „Ambtelijk Contact” zullen bekende zaken tegenkomen, doch er zullen ook veel ambtsdragers zijn die, doordat zij nog geen abonnement hadden of geen abonnee meer waren, van deze artikelen geen kennis konden nemen.

Zelf ben ik begonnen bij hoofdstuk 4 en bij het lezen daarvan dacht ik: wat zou het goed zijn als kerkeraden eens wat tijd vrij konden maken om deze artikelen te bespreken. Doch niet alleen dft hoofdstuk is belangrijk. U zult bij het doorlezen van de inhoudsopgave bemerken, dat veel meer onderwerpen zich daarvoor lenen. Niet minder belangrijk zijn de andere hoofdstukken. Misschien zijn er artikelen bij (ik denk aan hoofdstuk 6) die niet voor alle ambtsdragers even gemakkelijk te „verteren” zijn, maar mogelijk kunt u anderen daarmee van dienst zijn, want natuurlijk is dit boek niet alleen voor ambtsdragers verschenen.

Schrijvend voor A.C. zou ik erop willen wijzen, dat kennis nemen van wat hier geboden wordt, u van groot nut kan zijn, want tal van onderwerpen zullen tijdens huisbezoeken ter sprake komen. U kunt het gebruiken voor wijk- of contactavonden. Titels van hoofdstukken als: „Verloving, huwelijk en gezinsvorming”, „In en rond het gezin”, „Omgang met anderen” spreken voor zichzelf. Hartelijk aanbevolen.

Werkgroep van de Unie School en Evangelie, School en Medezeggenschap. No. 36 in de reeks Cahiers voor het Christelijk Onderwijs. Uitg. Kok, Kampen, 1980.

In dit cahier (bijna 150 pagina’s) wordt terecht aan de orde gesteld de opkomst van het democrati-seringsstreven met de sociale, politieke, pedagogische en praktische kanten er aan. De veelheid van auteurs brengt mee dat er uit nogal wat verschillende achtergronden wordt betoogd. Daardoor komen er uiteenlopende adviezen. Een kardinaal punt dat aan de orde komt is het al of niet onder restrictie toelaten van kinderen uit niet-christelijke gezinnen. Dit in verband met de invloed die hun ouders kunnen krijgen bij doorgaande democratisering. Bedreiging en verlies van identiteit zijn dan niet denkbeeldig. Ook de mate van invloed van leerlingenraden is hier van belang. Overigens valt ook te signaleren dat democratisering een proces is dat papier, tijd en aandacht verslindt, waardoor snel vergadermoeheid en verlies van interesse optreedt.

Het is nodiq op de hooqte te zijn van deze zaken, dus: lees dit cahier.

J.B. Wiskerke, De strijd om de sleutel der kennis, Uitg. De Vuurbaak b.v., Groningen 1978, 318 blz.

Ds. J.R. Wiskerke (1923-1968), die als predikant de Geref. Kerken (vrijgemaakt) van Schouwerzijl, Heemse en Middelburg heeft gediend, liet behalve een aantal boeken van exegetische en homiletische aard ook vele artikelen na waarin hij op ondubbelzinnige wijze positie koos ten aanzien van allerlei actuele vragen. Deze bundel „opstellen over theologie en filosofie” werd ingeleid en bewerkt door prof.dr. C. Trimp, die de hoop uitspreekt met de publikatie ervan met name studenten en academici van dienst te zijn geweest. Men moet inderdaad van studie houden om dit werk ten volle te kunnen waarderen.

De onderwerpen zijn: 1. Theologie en filosofie; 2. De confessie van de kerk; 3. De Geestelijkheid van God; 4. Calvijn over het leven na de dood; 5. „Souvereiniteit in eigen kring” bij dr. A. Kuyper; 6. Schriftuurlijke taxatie van de techniek.

In een korte bespreking is het niet mogelijk op al deze thema’s in te gaan. Als voor „Ambtelijk Contact” een keuze gemaakt moet worden, heeft het iets voor om meer over de confessie van de kerk te zeggen. Hierbij wijst ds. Wiskerke zowel het biblicisme als het confessionalisme af.

Het is biblicisme als iemand in naam van een eenvoudig leven bij de Schrift het werk van een theologie die zich aan de Schrift onderwerpt, maar een schadelijke zaak acht. Dat komt voor! De biblicistische houding treffen we overal aan waar men zich in naam van de Schrift (de Schrift alleen)

tegen de belijdenis keert. „Zij geeft in schijn alle eer aan de Schrift, maar in werkelijkheid miskent zij de schriftuurlijke roeping tot belijden, in het bijzonder de roeping tot belijden in een belijdenisgeschrift”.

Bij het confessionalisme wordt de belijdenis van de kerk plaatsvervangster of concurrent van het Woord van God. De Dordtse ondertekeningsformulieren werken het confessionalisme niet in de hand, want zij eisen geen eed van trouw op de volmaaktheid van elke zegswijze van de belijdenisgeschriften. In die tijd hadden de gereformeerden ook wel oog voor historische beperktheid in het confessionele schriftbewijs en in de gebruikte zegswijzen. Daar worden voorbeelden van gegeven. Het ging de kerk om de gelovige erkenning, dat alle artikelen en stukken van de leer in alles met Gods Woord overeenkomen.

In het vervolg van zijn betoog maakt Wiskerke kritische notities bij enkele uitspraken van Kuyper en bepaalde gedachten van Dooyeweerd en Vollenhoven. Ook daarmee bedoelt hij dat de confessie volledig tot haar recht moet komen.

Ds. J.R. Wiskerke gaf hier en bij de andere onderwerpen een brede verantwoording en zijn oordeel was weloverwogen. Het theologisch niveau van zijn werk maakt, dat het zijn waarde behoudt. Daarbij paste een uitgave die zeer verzorgd is.

Prof. dr. W. van ’t Spijker, Zijn verbond en woorden. Over doop, belijdenis en avondmaal volgens de klassieke formulieren, f. 20,--, Uitg. De Groot, Goudriaan 1980.

Dit is een prachtig boek. Het geeft een toelichting op de formulieren van doop en avondmaal (hoofdstuk I en III). Het tweede hoofdstuk is het kortste. Dat handelt over belijdenis doen van het geloof. Na een overzicht van de oorsprong en de indeling van beide formulieren volgt een behandeling van de inhoud, die bij beide formulieren over 17 paragrafen verdeeld is. De stof is overzichtelijk gerangschikt. Men kan via de kopjes de inhoud van beide formulieren snel terugvinden.

De auteur is erin geslaagd de theologische substantie van de formulieren op een praktische wijze weer te geven, zodat het betoog soms iets weg heeft van een meditatie. Daarnaast wordt verwezen naar overeenkomsten en verschil met andere formulieren, terwijl Calvijn en ook Luther veelvuldig geciteerd worden. Prachtig komt uit dat de formulieren onderdeel zijn van de Kerkorde. Dit is minstens zo karakteristiek voor de functie van de Kerkorde als voor die van de formulieren. Ik herinner ook aan de fraaie illustraties.

Het tweede hoofdstuk is van betekenis voor hen die de noodzaak en het nut van de openbare geloofsbelijdenis in twijfel trekken. Doop, geloof en toelating tot het avondmaal zijn de drie kernpunten, die vanuit een rijke kennis van de verscheidenheid onder de reformatoren worden toegelicht.

Met dit boek ben ik bijzonder blij. Het is een prachtig middel om de erfenis van de reformatie met betrekking tot doop, avondmaal en belijdenis doen levend te houden. Voor ambtsdrager èn gezinnen, voor predikanten èn jongeren een waardevol boek.

De weg van het Woord. In het spoor der Vaderen. Verzamelde opstellen van ds. W.L. Tukker, 323 blz., f. 37,50. Uitg. J.H. Kok, Kampen 1979.

Ter gelegenheid van zijn veertigjarig jubileum als predikant werd ds. Tukker deze bundel aangeboden, die samengesteld werd door de ingenieurs J. van der Graaf en L. van de Waal. Het brede spectrum van Tukkers belangstelling, geconcentreerd in de vijf afdelingen: Het geloof van de kerk, De Kerk, Geestelijk leven, Uit de praktijk der godzaligheid, De Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk, vindt men in de bundel terug.

Drie zaken kenmerken alle opstellen: grote eerbied voor de Schrift als het Woord van God, genegenheid voor en trouw aan de belijdenis der Reformatie, praktische zorg om het geestelijk leven van de gemeente, zowel van het individuele lid als van de gemeente in haar geheel. Die drie draden vormen een zeer gevarieerd en tegelijk zeer degelijk geheel. Zonder eentonig te worden komt Tukker steeds op de kern terug. Als (oud)voorzitter van de Gereformeerde Bond schaamt hij zich niet voor zijn liefde tot de Hervormde Kerk. Hij is echter ook bezig met hen die menen daarin niet te kunnen staan. Zo heeft hij een boodschap ook buiten de muren van de Hervormde Kerk. Wij weten dat hij overal de bloei van het gereformeerde leven zocht te bevorderen. Zonder enghartigheid in de kleine twisten van het kerkvolk wijst hij steeds weer op het centrale. De Schrift, persoonlijke kennis van de drie Personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, een leven in dagelijkse bekering onder de tucht van Woord en Geest, een strijden voor de waarheid van het Woord en van de belijdenis, een prediking die wel kenmerken noemt, doch daarin niet opgaat, noch ermee begint. Zo willen we typeren het werk van de man die In dit boek zichzelf typeert. Die typering bestaat in het van zichzelf afwijzen naar God, die in het Woord zondaren zoekt en door de Kerk beleden wordt om Zijn verlossing, en die in een vernieuwd leven wordt gekend en geprezen.

De zes stukken van hoofdstuk III, Geestelijk leven, hebben ons het meest toegesproken. Daarin zijn theologische belangstelling en pastorale bewogenheid tot een rijpe synthese gekomen, die het stempel van klassiek reformatorisch verdient.

Francis ?. Schaeffer, Hij is er en Hij spreekt. Uitg. Buyten en Schipperheyn, Amsterdam 1978. Vertaling ds. P.H. Pellecaan. 96 blz., f. 9,50.

Dit boekje verschijnt in de Telos-serie. Karakteristiek voor deze serie is dat zij „doelbewust richtinggevend en bijbels georiënteerd” wil zijn! Dat kan men van dit boek zeggen. Het is een confrontatie van het christelijk geloof met het moderne denken. De schrijver maakt duidelijk dat de Bijbel antwoord geeft op drie fundamentele vragen. De vraag naar de oorsprong van het zijn, naar goed en kwaad, naar de mogelijkheid van kennen. Op alle drie vragen heeft het moderne denken geen antwoord. Scepticisme en nihilisme kenmerken de moderne wijsbegeerte. Leeg, hol en verscheurd door innerlijke onzekerheid staat zij daar. Schaeffer laat prachtig zien: de God van de Bijbel geeft het antwoord. Dat antwoord is niet maar het beste. Het is het enig mogelijke. De schrijver ziet niet over het hoofd dat je dit antwoord alleen in geloof kunt aanvaarden. Geloof maakt denken en discussieren niet overbodig. Dat is op waardevolle wijze duidelijk gemaakt in dit boekje. Het is een bijbels gefundeerd, goed doordachte apologie van het christelijk geloof, die ik jonge mensen graag in handen zou geven.

H. Jagersma, Geschiedenis van Israël in oudtestamentisch tijdvak. Uitg. Kok, Kampen 1979, f. 49, 95.

Dit boek eist deskundiger bespreking dan ik kan geven. We volstaan met een korte aankondiging. In 18 hoofdstukken wordt de geschiedenis vanaf de aartsvaders tot na de ballingschap beschreven. Dat gebeurt op uitermate kritische wijze, met gebruikmaking van oude en de meest recente literatuur. Wat deze vermelding betreft lijkt me dit boek bij tot op de datum van het afsluiten van de kopy. Met name de eerste eeuwen van Israels volksbestaan worden beschreven als gehuld in een grote waas van onzekerheid. Ten aanzien van tal van bijbelse verhalen concludeert de auteur tot de waarschijnlijkheid van een historische kern, die dan nog weer tot een minimum gereduceerd wordt. David komt er heel slecht af. Saul bijzonder gunstig. Van een heilshistorie in het kader van Israëls geschiedenis is nauwelijks ergens sprake. Wie dit boek bestudeert zal zich afvragen of hij over tal van geschiedenissen nog wel kan spreken. Het boek getuigt van grote belezenheid, is fraai uitgevoerd en met prachtige foto’s verlucht, maar brengt eerder tot scepsis dan tot geloof. Kan men Israels geschiedenis wel beschrijven zonder de heilsgeschiedenis er in te betrekken? Wie het een zonder het ander onderneemt, moet het beeld vertekenen. Dat geldt ook voor dit boek.

Dr. L. Praamsma, De kerk van alle tijden. Verkenningen in het landschap van de kerkgeschiedenis.

Deel 1: 373 tekstpagina’s en 48 bladzijden illustraties. Voorintekenprijs geb. f. 49,50, na verschijning van deel 4 f. 55,--.

Dit boek onderscheidt zich van andere kerkhistorische samenvattingen door zijn grote leesbaarheid. Dit eerste deel is in tweeën verdeeld: van Jeruzalem naar Rome en De Middeleeuwen, beide voorzien van een inleiding en van een terugblik, respectievelijk epiloog; 18 en 14 hoofdstukken. Het boeiende van dit boek is dat de verschillende perioden aan de hand van thema’s worden behandeld. Dit levert als resultaat de combinatie van historische geleding en thematische behandeling. De lezer komt met elk hoofdstuk een periode èn een thema verder. Zo ontstaat er een rijke afwisseling en een behandeling van veel meer dan van alleen maar jaartallen: stromingen èn figuren, dogmavorming en -strijd afgewisseld met gegevens uit de archeologie (catacomben, het leven van heiligen in kloosters en de woestijn), kerkgeschiedenis en wereldgeschiedenis worden met elkaar in verband gebracht. Nooit wordt een bepaalde stroming of beweging gekraakt. Wat haar bewoog wordt geëerd, wat haar deed derailleren wordt geweerd. Treffende citaten uit werken van besproken figuren en uit werken over de geschiedenis der kerk onderstrepen de eigen deskundigheid van de schrijver in plaats daarvan dat ze verhullen of de afwezigheid ervan verbloemen.

Zelden las ik een boek over de kerkgeschiedenis, dat zo zeer breedheid van blik paarde aan nauwkeurigheid en dat boeiende verteltrant niet ten koste deed gaan aan degelijkheid van voorlichting. De doorkijkjes door de geschiedenis (vooral de inleiding tot het tweede deel) maken het boek waardevol. Het is geen studieboek in de eigenlijke zin van het woord. Het is wel vrucht van jarenlange studie en tegelijk als algemene oriëntering tot studie stimulerend. De lezer merkt het: ik ben enthousiast over dit boek. Het moet eigenlijk in elk gezin een plaats krijgen, en daarna ook (niet in omgekeerde volgorde) in elke verenigingsbibliótheek. Men mag hopen dat de volgende delen van dezelfde kwaliteit zijn. We zien met verlangen naar die delen uit.

„Uw knecht hoort”. Theologische opstellen aangeboden aan prof. W. Kremer, prof dr. J. van Genderen, prof.dr. B.J. Oosterhoff ter gelegenheid van hun vijfentwintigjarig ambtsjubileum. Uitg. Ton Bolland, Amsterdam 1979. Prijs f. 45,--.

Te lang reeds wacht de aankondiging van deze bundel opstellen op plaatsing in ons blad! Dat moge een aanduiding zijn dat het hier gebodene niet „in een oogwenk” te verwerken is! Veertien theologen hebben, elk op eigen vakgebied, hun bijdrage voor deze bundel geleverd. Natuurlijk is het mogelijk in waardering wat het gehalte betreft van mening te verschillen. Persoonlijke voorkeur van de lezer zal een woordje meespreken bij deze waardering. Maar dat neemt niet weg dat de scribenten waardevolle studies hebben gegeven, waarvan iedere lezer profijt kan trekken, de een op dit gebied, de ander op een ander terrein, al naar men zich de moeite van bestudering getroost. Wijlen prof. Hovius heeft in zijn bijdrage - een van de laatste artikelen die hij publiceerde - de vraag aan de orde gesteld „Zijn de Dordtse Leerregels van 1619 in Friesland aangenomen en ingevoerd?” Hij beantwoordde deze vraag bevestigend, eerst met argumenten „e silentio” en vervolgens rechtstreeks: Friesland vormt geen uitzondering ten aanzien van de Dordtse Leerregels! Prof. Boertien stelt aan de hand van tien Bijbelvertalingen aan de orde „Bijbelse variaties op een thema of variaties op een bijbels thema”. Het gemak waarmee onder ons soms over Bijbelvertalingen wordt gesproken - en oordelen geveld! - blijkt wel ietwat oppervlakkig te zijn, wanneer serieus van dit korte maar krachtige artikel wordt kennis genomen. In zijn artikel „Eksegese en prediking by Paulus” betoogt prof. Floor dat het niet juist is te spreken van een „theologie” van Paulus enz. Correcter is „prediking” van Paulus. Hij accentueert dan het „christologiese verstaan van die OT” en de „tipologiese verklaring”: Sonder om te moriliseer of te allegoriseer sal ons uit die OT aan die gemeente verduidelik dat Christus, die Seun van God Sy eie koms in die vlees geprefigureer, afgebeeld het in die geskiedenis van die volk Israël, in die seremonies van die wet, in die lyde van die regverdiges en in die Stem van die profete. Prof. Van ’t Spijker blijft Bucer getrouw in zijn bijdrage „Gij hebt een andere geest dan wij”, woorden die Luther richtte tot Bucer en de zijnen op het godsdienstgesprek van 1529 te Marburg. Nagegaan wordt hoe Luther tot deze uitspraak kwam, of hij daarin Bucer recht deed wedervaren en hoe Bucer erop reageerde. Met name het laatste is wel zeer actueel voor de kerkelijke omgang met elkaar heden ten dage! Een ketter is volgens Bucer: een strijdlustig mens, en wel voornamelijk als het gaat om ijdele kwesties die met ware vroomheid niets hebben uit te staan - zo opgevat zijn ketters niet alleen bij sekten te vinden! Dr. De Vuyst leverde een bijdrage getiteld „Recapitulatie en/of successie in Openb. 4:1-19:10”. De „structuur” van het laatste Bijbelboek is niet eenvoudig. Dit artikel wil helpen een en ander iets doorzichtiger te maken en zo uitzicht op de uitkómst te geven: Christus’ wervend èn wrekend voortgaan naar de definitieve triumf. Historisch blijkt „telkens èn na èn naast elkaar plaats te grijpen wat dit Schriftgedeelte profeteert als één chronologische trits”. De ethiek komt aan de orde in het artikel van prof. Velema: „De liefde is de vervulling van de wet”. Het gaat om de vraag of het liefdegebod de vervulling dan wel de vervanging is van de wet. Het antwoord is niet onduidelijk: de liefde moveert en formeert de gehoorzaamheid die zonder liefde niets is, aan het concrete gebod; juist de liefde respecteert de geboden, samen de inhoud van de eis der wet! Drs. Van Heest schrijft over „De eigen weg van de Jonge Kerken”, een leerzame zendingsbijdrage waarin de persoonlijke betrokkenheid bij het zendingswerk onmiskenbaar naar voren treedt: de „eigen weg” van de Gereja Toraja waarvoor de schrijver zich al enkele jaren in dienst van de „jonge kerk” stelde. Vervolgens komt „Israël” aan de beurt in de bijdrage van dr. Brienen „Enige elementen van de visie van Abraham Hellenbroeck op Israël” aan de hand van diens uitleg van Jes. 2. Het besef van wat voor Paulus nog een grote smart en een voortdurend hartzeer was als het om Israël ging, was in de dagen van de „Oude schrijvers” nog niet uitgesleten! Drs. Steenbergen behandelt het onderwerp „Paulinische ‘gemeentebeschouwing’”: de nieuwtestamentische gemeente is niet een geheel nieuw volk, geen nieuwe „olijfboom” ter vervanging van de oude, Israël, maar het „eschatologische volk van God, een nieuw Israël”, het „ware Israël, waarin het geheim van Gods verkiezing in volle omvang en diepte opengaat”. Prof. Versteeg biedt een opstel over „Het ontvangen van de Heilige Geest in Samaria (Hand. 8:14-17)”. Het probleem dat zich hier voordoet is: hoe kunnen mensen als gelovigen beschouwd worden, wanneer zij de Heilige Geest nog niet ontvangen hebben, daar Paulus toch zegt dat wie de Geest van Christus niet heeft, Hem niet toekomt? De conclusie luidt dat ook Hand. 8 de eenheid van het geloof en van het ontvangen van de Heilige Geest stelt; er is geen waarachtig geloof zonder dat de Heilige Geest beslag legt op ons leven. Drs. Boertjens behandelt Gen. 11 :1-9 in de Joodse Bijbelinterpretatie onder de titel „Het geslacht der splitsing” om te onderstrepen dat de christelijke theologie zichzelf „schade doet wanneer zij geen kennis neemt van de wijze waarop het joodse volk het Woord van God in de loop der eeuwen heeft onderzocht en uitgelegd”. Drs. Kruis volgt met een bijdrage over „Leven en dood van Adam tot Mozes” naar aanleiding van Rom. 5 :12-14: wanneer door de zonde de dood in de wereld gekomen is, maar de zonde niet wordt toegerekend als er geen wet is, hoe heerst de dood dan van Adam tot Mozes? Van de hand van drs. Moerdijk is een tweede zendingsbijdrage in deze bundel nl. over de „Zending in het computertijdperk”. Het gaat over de groei van de kerk „als kriterium in de missiologie van de ‘Church Growth Movement’”. De getalsmatige groei is bij de aangeduide beweging centraal, weliswaar niet uit passie voor het getal, maar uit passie voor de zielen: waardoor is er groei? waardoor stagneert de groei? Met behulp van statistieken en grafieken - computer! - worden antwoorden gezocht op deze vragen. Aangetoond wordt dat „kwantitatieve groei lang niet altijd een teken is van de zegen van God”: het onkruid groeit harder dan de tarwe; ook al kan deze groei één van de aspecten van het zendingswerk worden genoemd, toch is het geen criterium; het gaat om méér, om het Koninkrijk in woord en daad te verkondigen. De laatste schrijver is drs. Hol: „Geloven, belicht vanuit Jesaja 7:9b”. Het begrip „geloven” wordt geplaatst in het kader van Jesaja’s eschatologisch heilswoord, en - nieuwtestamentisch - gericht op het heilswerk van God in Christus. U merkt dat deze bundel nogal het een en het ander aan de orde stelt. Nogmaals, niet elke bijdrage zal ieder even sterk aanspreken, maar doorgaans is het de moeite waard er diepgaand kennis van te nemen. Graag aanbevolen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.