+ Meer informatie

VRAGENBUS

4 minuten leestijd

Mej. T. S. te Zw. vraagt: „Mag een mensch zich stellen onder behandeling van een magnetiseur? "

Antwoord: Dr. J. H. Haverkate schrijft: „Wanneer een kind gevallen is en zich bezeerd heeft, loont het schreiend naar de moeder; deze zal de pijnlijke plek bezien, strijkt er eenige malen met de hand over en kalmeert het kind. Weldra is de pijn weg, al bestaat de blauwe plek evenals tevoren. Het kind heeft vertrouwen in de moeder, het gelooft, dat de moeder kan genezen.

Deze voorstelling heeft zulk een invloed op de ziel van het kind, dat het de pijn niet meer gevoelt. Dit noemt men suggestie.

Wanneer een magnetiseur echter een patiënt behandelt en met zijn hand over of langs zijn lichaam strijkt, geraakt de patiënt dikwijls in een toestand van hypnose. Soms is die hypnose niet of schier niet merkbaar, maar soms treedt een duidelijk hypnotische toestand in. In zulk een toestand is de patiënt zeer vatbaar voor suggestie en gelooft vast in de genezing, die de magnetiseur voorspeld heeft. Meestal kan een magnetiseur alleen de lasten eener lichaamskwaal wegnemen, terwijl de lichaamsafwijking bijft bestaan of erger wordt. Zoo kan hij iemand bevrijden van de pijnen veroorzaakt door een kankergezwel; de patiënt meent, dat hij genezen is en laat zoo het oogenblik, waarop hij nog door een operatie te helpen is, voorbijgaan.

Hoewel men met deze methode succes kan hebben is het magnetiseeren door leeken af te raden en wel vooral omdat bij ernstige kwalen op die manier het meest geschiktste tijdstip voor een doeltreffender geneeswijze kan voorbijgaan. Bovendien is het niet aan te bevelen zich door een onbekend persoon te laten magnetiseeren (of hypnotiseeren), daar de magnetiseur een grooten invloed krijgt op de patiënt en hiervan wel eens misbruik gemaakt is door zedelijk laagstaande personen, die zich uitgaven voor magnetiseur." Uit bovenstaande, waarmee ik het eens ben, kunt U wel begrijpen, dat ik U niet kan aanraden naar een magnetiseur te gaan. In een ziektegeval wende U zich tot een dokter. Dat is naar Gods Woord.

R. KI. te O. vraagt wat of "het bezwaar is tegen inenten, als voorbehoedsmiddel tégen de een of andere ziekte.

Antwoord: Uit het antwoord, dat ik gaf in No. 17 van „Daniël" heeft u kunnen lezen, dat er geen bezwaar is tegen pijnstillende middelen. Maar dat geldt voor mensen, die ziek zijn. Gods Woord geeft zelf de weg aan, wat gedaan moet worden, wanneer we krank zijn. Dan gaan we naar de dokter. „Die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn."

Onder Israël waren besmettelijke ziekten, denk maar aan de melaatsheid. Wat gebood God nu? Inenting? Neen, afzondering!

U kunt zeggen: „Ja, maar toen was het serum voor inenting niet bekend." Dat is waar, maar daar zijn we er niet mee. In heel Gods Woord lees ik nergens, dat een mens eerst ziek gemaakt moet worden, om gezond te blijven. Dit gebeurt immers met inenting? Althans, dat wordt aangenomen.

't Zou weinig moeite kosten u voor te houden vele gevallen van inenting met dodelijke afloop. Zelf heb ik meermalen gestaan bij kinderen, die door inenting ernstig ziek werden, zodat de ouders tot mij zeiden: „Dat doe ik nooit meer!"

Lees nu nog eens het antwoord van vraag 27 van de Heidelbergse catechismus en ik twijfel er niet aan of u zult het met me eens zijn, dat inenting zonde is.

C. de M. te B. vraagt wat we moeten verstaan onder „zoutverbond".

Antwoord: et woord zoutverbond kunt u vinden in Num. 18 : 19 en 2 Kron. 13 : 5, waarmee bedoeld woi'dt een onverbrekelijk verbond.

Bij het sluiten van een verbond bestond wellicht de gewoonte tezamen zout te eten als teken van onderlinge saamhorigheid. (Nieuwste verklaring).

Calvijn zegt: „Overdrachtelijk wordt nu door de naam „zout" de eeuwigdurendheid aangeduid, waarbij God echter schijnt te zinspelen op de offeranden, welke niet gebracht mochten worden, dan met bijvoeging van zout, opdat de Israëlieten zouden weten, dat door aardse en bederfelijke dingen iets hogers werd aangeduid. Want wij weten, dat gezouten vlees niet zo gemakkelijk bederft. Kortom, hierdoor wordt de onschendbare vastheid aangeduid."

K. Aug'. Dachsel merkt bij Num. 18:9 op: Hiermee wil de Heere Aaron verzekeren, dat niettegenstaande de veranderingen, die in de openbare eredienst zouden gemaakt worden, in de volgende eeuwen, het wezen der zaak hetzelfde zou zijn. Hij wil hem verzekeren, dat voor alle eeuwen de Heere zelf dc bezorging van Zijn dienaren op Zich neemt." Dees voorts nog de verklaring in onze Statenbijbel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.