+ Meer informatie

HET EVANGELICALISME ALS DE TOEKOMST VOOR HET CHRISTELIJK GELOOF?1

ESSAY

15 minuten leestijd

“Ik ben er steeds meer van overtuigd geraakt dat het evangelicalisme de sleutel is voor de toekomst van het westerse christendom,” (12) schrijft Alister McGrath in zijn boek Toekomt voor het christelijk geloof. Invloed en betekenis van het evangelicalisme. De auteur is werkzaam aan de Theologische Faculteit van de Universiteit van Oxford, internationaal bekend als apologeet van het christelijk geloof, en lid van de Anglicaanse Kerk. McGrath voert in dit boek een pleidooi voor een herbezinning op de kracht van de evangelicale traditie. In bovenstaande stelling is dan ook zijn intentie kernachtig geformuleerd. Om dit toekomstperspectief kracht bij te zetten presenteert hij achtereenvolgens: een analyse van de geschiedenis van deze stroming; een beschrijving van het inhoudelijke karakter ervan; een bespreking van haar aantrekkingskracht; een hoofdstuk over het gebrek aan visie die een zo snelle numerieke groei van de beweging zou kunnen veroorzaken; een beschrijving van een evangelicale spiritualiteit; problemen waar het evangelicalisme mee te kampen heeft; en tenslotte de invloed van het evangelicalisme op het gevestigde christendom zelf. Voorzover McGrath als evangelical schrijft, zou dit boek gemakkelijk als een vorm van wishfull thinking kunnen worden beschouwd. Hij heeft er wellicht belang bij dat ‘zijn’ stroming in de kerken een bredere waardering krijgt en een leidende rol zou kunnen gaan vervullen. Dit is gedeeltelijk ook het geval. Keer op keer maakt McGrath, onder verwijzing naar invloedrijke publicaties uit evangelicale kring, duidelijk dat het evangelicale denken zich presenteert als “de historische, christelijke orthodoxie” (61, 105-108). Vooral de historische verworteling van het evangelicalisme in de traditie van de Reformatie speelt daarbij een belangrijke rol. De termen ‘evangelical’ en ‘evangelicalism’ zijn moeilijk te vertalen, maar stammen oorspronkelijk uit diezelfde tijd van de Reformatie. McGrath tekent hierbij aan dat bewegingen vanaf het einde van de vijftiende eeuw deze titel waardig zijn. Het ging er in die tijd om vormen van christelijk geloof te ontwikkelen die verbonden konden worden met de geestelijke noden en wensen van een meer en meer veeleisende lekenstand. Ook de arbeid van Luther staat in dit kader. Later werd deze term echter al meer vervangen door de term ‘protestants’. In het Engelstalige gebied werd ‘evangelical’ sinds 1940 gebruikt om een beweging aan te duiden die “op de meest adequate manier de zorg van deze beweging voor het bewaren en uiteenzetten van het evangelie” vertegenwoordigt (21). Daarmee legt ze de nadruk op dat wat verenigt door de nadruk op het evangelie zelf. Waar kerkmuren en kerkvragen de discussie vaak domineren, legt het evangelicalisme de nadruk op Gods Woord. Bekend zijn de drie bronnen waaruit het evangelicalisme put: de Reformatie, het puritanisme - met namen als John Wesley, Jonathan Edwards en John Owen -, en het piëtisme. Hoewel de oorsprong ervan ligt in het vasteland van Europa, heeft het toch vooral zijn beslag gekregen in Engeland en Noord-Amerika. McGrath voert als de belangrijkste factor hiervoor aan, dat het puritanisme daar vrij veel invloed kreeg. “Het puritanisme is van belang omdat het zowel de intellectuele kracht van de reformatorische traditie, afgeleid van Calvijn en zijn navolgers, wist te combineren met een nadruk op ervaringsaspecten van het christenleven, waarmee het op een aantal belangrijke punten vooruitgreep op het piëtisme” (25). Toch kan niet ontkend worden dat juist deze combinatie van leer en leven, intellect en gevoel, dogmatiek en ethos de belangrijkste aantrekkelijke kant vormt van het evangelicalisme. Het is een combinatie die vooral in de context van christenen die op evangelisatie gericht zijn belangrijk is. Alleen door een overtuigend samenspel van beide worden niet-christenen gewonnen voor het evangelie. McGrath stelt dat de aantrekkelijkheid van het christelijk geloof niet impliceert dat de waarheid ervan wordt aangepast aan de markt. Het evangelicalisme is juist zo werkzaam doordat het - anders dan de liberale theologie - geen water bij de wijn heeft gedaan in een poging andersdenkenden niet voor het hoofd te stoten. Het evangelicalisme beschouwt het “als een absolute verplichting trouw te blijven aan het evangelie, iets waarbij geen compromis mogelijk is, en waarvan het bekend is dat het een eigen, inherente aantrekkingskracht heeft” (105).

Intellectuele uitstraling
Dat het evangelicalisme vanouds veel nadruk legt op de persoonlijke geloofsbeleving mag algemeen bekend zijn. Maar haar intellectuele uitstraling lijkt een ander lot beschoren. Vaak is ‘evangelicalisme’ synomiem bevonden met ‘fundamentalisme’. Historisch gezien is dat ook wel begrijpelijk. McGrath schetst een interessant beeld van deze vorm van evangelicaal denken. Van 1910 tot 1915 verscheen er in Amerika een serie van twaalf boeken onder de titel The Fundamentals. Hieraan ontleent het fundamentalisme zijn naam. Hoewel de beweging claimde terug te keren tot de oude orthodoxe waarheden van het christendom, verheelt McGrath niet dat hierbij een flinke scheut modernisme van grote invloed was. Het wilde een tegencultuur vormen tegenover de heersende meningen, en verkreeg gaandeweg separatistische trekken: bepaalde centrale leerstellingen, zoals de absolute letterlijke autoriteit van de Schrift, werden als grenspalen benut. Zo kon men de eigen identiteit bevestigen en zich van de seculiere cultuur onderscheiden. McGrath noemt dit “de fundamentalistische oorlog tegen de moderniteit” (31). Doordat liberale theologie in de Noord-Amerikaanse kerken in de periode 1920- 1940 aan invloed won, werd een tweespalt binnen het evangelicalisme zichtbaar. Enerzijds was er een separatistische neiging, waarbij men de kerk de rug toekeerde en eigen denominaties oprichtte; anderzijds kozen evangelicalen er ook voor, binnen een in toenemende mate liberale kerk te blijven in een poging deze van binnenuit te hervormen. Deze tweespalt duurt tot op heden. In dit spanningsveld is in de eerste helft van de twintigste eeuw vooral de vraag naar de plaats van de rede, de intellectuele kant van het evangelicalisme, in geding. ‘Fundamentalist’ is immers lange tijd haast synoniem geweest met ‘dom’ en ‘onnadenkend’. McGrath verhaalt van het beroemde ‘monkey’-proces: in 1925 raakte een jonge leraar in de exacte vakken in Tennessee in conflict met de statuten. Daarin was vastgelegd dat het onderwijs in de evolutieleer aan openbare scholen in deze staat verboden was. De jonge leraar, John T. Scopes, moest het in dit conflict opnemen tegen een officier van justitie die overtuigd fundamentalist was. Deze officier van justitie werd tijdens het proces door de advocaat van Scopes ondervraagd aangaande het evolutionisme. Hij werd gedwongen te verklaren dat hij geen verstand had van geologie, vergelijkende godsdienstwetenschap of oude beschavingen, en bleek zelf hopeloos naïeve godsdienstige opvattingen te hebben. Hoewel Scopes het juridische gevecht verloor, had hij een belangrijke overwinning behaald: het fundamentalisme was aan de kaak gesteld als achterlijk, onnadenkend, ongeletterd en reactionair (35). Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het evangelicalisme in de Verenigde Staten langzamerhand een ander imago. Het separatistische fundamentalisme werd overvleugeld door het neo-evangelicalisme - met figuren als Billy Graham, Carl F.H. Henry en Francis Schaeffer. Dit zocht expliciet de aansluiting bij de Reformatie met haar karakteristieke wereld-aanvaardende en cultureel-integrerende visie. In Engeland kregen evangelicalen als John R.W. Stott, Martin Lloyd- Jones en James I. Packer langzamerhand meer invloed. In de jaren ’60 is daar de separatistische lijn langzamerhand verlaten en vervangen door een stroming die zich binnen de Anglicaanse kerk inzet voor vernieuwing en herbronning. McGrath’ tekening van deze geschiedenis is helder en inzichtgevend. Door het evangelicalisme te zetten in het historische kader van separatisme en fundamentalisme springen de culturele relevantie en de intellectuele kracht (of het gebrek daaraan) in het oog. Omdat McGrath duidelijk wil maken dat de toekomst van het christelijk geloof zo sterk verbonden is met het evangelicalisme, zal hij deze twee punten verder moeten uitwerken. McGrath zelf heeft lang geworsteld met het anti-intellectualistische imago van het evangelicalisme. Maar juist deze intellectuele kant is sterk in ontwikkeling. De herontdekking van bijvoorbeeld de grote puriteinse schrijver Jonathan Edwards (1703-1758) en de Princeton School2 geeft McGrath als voorbeelden. Hijzelf ziet het als zijn taak de intellectuele grondslagen van het evangelicalisme uit te dragen en te verdedigen (108-112).

Karakter
McGrath gebruikt een groot deel van zijn boek aan een karakterschets van de inhoud van het evangelicalisme. Hierbij sluit hij zich aan bij het werk van James I. Packer en anderen.3 McGrath acht het soevereine gezag van de Schrift, nadruk op de majesteit van Christus en de macht van de Heilige Geest, de noodzaak van de persoonlijke bekering, en het belang van de christelijke gemeenschap van groot belang. Als zesde karakteristiek noemt hij de prioriteit van evangelisatie. Dit laatste is de reden voor een grotere bewustwording onder evangelicalen van de impact van de huidige (post)moderne cultuur. Een apart hoofdstuk wijdt McGrath aan de zwakke kanten van het evangelicalisme. Hij signaleert binnen deze beweging een grote geestelijke overspannenheid die kan leiden tot een hard perfectionisme enerzijds en een groot schuldcomplex anderzijds: alleen als de mens zelf niets kan en mag doen, blijkt de grootheid van Gods genade. Volgens McGrath heeft deze nadruk de menselijke activiteit vaak belemmert, en is het juist Gods genade dat hij zondige mensen de moeite waard vindt. Een ander punt is het dogmatisme van veel evangelicalen: er is geen ruimte voor twijfel en bezinning, omdat de waarheid vastligt. McGrath noemt dit “spiritueel perfectionisme” (162) waarbij een intellectueel én existentieel bevredigende strategie overbodig wordt. Een derde punt dat McGrath voor het voetlicht haalt is de typisch evangelicale persoonlijkheidscultus die rond televisie- dominees als Jim Bakker zo kwetsbaar is gebleken. Aan het einde van zijn boek geeft McGrath aan, welke invloeden en consequenties voor de toekomst van het christelijk geloof in m.n. Amerika en West-Europa van belang zullen zijn. Naast ontwikkelingen als grotere aandacht voor evangelisatie, de opkomst van het evangelicale denken binnen de rooms-katholieke kerk, of de samenwerking met conservatieve elementen buiten de kerk inzake ethische thema’s, gaat McGrath ook in op de vraag in hoeverre het evangelicalisme binnen de gevestigde kerken het roer overneemt. Daarbij legt vooral een uitgeblust liberalisme het loodje: kerken worden opnieuw vitaal door de terugkeer naar de basale christelijke orthodoxie. Volgens McGrath nemen evangelicalen vooral dáár de kerk over, waar deze gekenmerkt was door een ideologie van de Verlichting die inmiddels achterhaald blijkt te zijn (201-202).

Evangelicalen en Nederlandse calvinisten
Deze studie van Alister McGrath geeft veel informatie over de evangelicale traditie. Hij ontkomt er niet aan om te midden van de diversiteit aan stromingen binnen deze traditie een eigen accent te plaatsen. Hij wijst separatistische of sektarische tendenzen af; hij legt een groot accent op de intellectuele geloofwaardigheid van het evangelicalisme; en legt de nadruk op de continuïteit tussen ‘zijn’ versie van het evangelicalisme en de christelijke orthodoxie. Daardoor kan McGrath met goed recht het pleit voeren voor een grote invloed van het evangelicalisme op de toekomst van het christelijk geloof - juist ook binnen kerkgenootschappen die tot voor kort door het liberalisme gedomineerd werden. Voor christen-academici zijn twee punten interssant die beide van invloed zijn op de geloofwaardigheid van het evangelicalisme als theologische gesprekspartner in Nederland. Het eerste betreft de intellectuele geloofwaardigheid. Door zich nadrukkelijk van de uitwerkingen van het fundamentalisme te distantiëren en aansluiting te zoeken bij de brede calvinistische traditie, geeft McGrath ruimte voor het ontwikkelen van een theologisch goed doordacht evangelicalisme. ‘Evangelicaal zijn’ hoeft - met recht - niet meer synoniem te zijn met oppervlakkig, dom of anti-intellectueel. Voorbeelden als Packer en Stott zijn al genoemd, maar McGrath wijst ook op filosofen als Alvin Plantinga en Nicholas Woltersdorff (108). De vragen van de Verlichting over bijvoorbeeld kentheorie en hermeneutiek gaan niet voorbij aan deze traditie. Juist door de verbinding met het evangelicalisme kan het orthodox-gereformeerde denken een nieuw zelfvertrouwen krijgen. Tegelijk heb ik op dit punt wel mijn vragen bij dit boek. Vanuit godsdienstsociologisch standpunt blijkt er een grote diversiteit aan opvattingen onder de verzamelnaam ‘evangelical’ te vallen. Dat McGrath dus probeert convergerende lijnen probeert te trekken, is niet ongebruikelijk. Dat zowel Wesley en Woltersdorff als Packer en Stott ‘evangelical’ zouden zijn, is daarvan een voorbeeld. Tegelijk bewandelt McGrath een tweede weg, wanneer hij probeert alle orthodoxe christenen als ‘evangelicaal’ te kenschetsen en daarbij ‘evangelical’ - op historische gronden - vrijwel laat samenvallen met ‘calvinist’. Niet iedereen die zich ‘evangelical’ noemt is echter blij met pogingen zoals die van McGrath om het normatieve begrip ‘evangelical’ te vereenzelvigen met deze calvinistisch-gereformeerde historiografische interpretatie. In een andere recente studie wijden Robert H. Krapohl (University Librarian aan de Trinity International University) en Charles H. Lippy (Lery A. Martin Distinguished Professor of Religious Studies aan de University of Tennessee) dertien bladzijden aan de vraag wat ‘evangelical’ is (Krapohl/Lippy 1999: 3-16). Kern daarvan is dat ‘evangelicalism’ een complex en ‘transdenominational’ fenomeen is, waarbij zij uitdrukkelijk aantekenen dat er evangelicalen zijn in iedere protestantse denominatie: zowel binnen de calvinistisch-gereformeerde, als binnen de ‘Wesleyan/Holiness/Pentecostal’, baptistische, anabaptistische en lutherse denominaties (Krapohl/Lippy 1999: 10-11). In verband met dit artikel is van belang dat de schrijvers met even zoveel woorden stellen dat theologen in de lijn van John Wesley protesteren tegen de “‘Presbyterianization’ of ‘evangelicalism’and ‘evangelical’ historiography” (Krapohl/Lippy 1999: 8). Dit verwijt treft mijns inziens ook McGrath’ beschrijving van het evangelicalisme.4 Het blijft dus verwarrend om in de Nederlandse context de term ‘evangelicaal’ te gebruiken. McGrath’ streven om alle orthodoxe christenen als ‘evangelicaal’ te kenschetsen lijkt mij voor heldere discussies - zowel theologisch als godsdienstsociologisch - niet zinvol. Daarvoor zijn er mijns inziens binnen het evangelicalisme te intensieve en terechte confrontaties geweest tussen bijvoorbeeld het arminianisme van Wesley en aanhangers van de (orthodoxe!) predestinatieleer. Bovendien is er in de Nederlandse situatie sprake van een eigen ontwikkelde vorm van orthodox christendom, dat kortweg als ‘(neo)calvinisme’ kan worden aangeduid. De historische én inhoudelijke verschillen met het Noord-Amerikaanse evangelicalisme zijn daarbij niet over het hoofd te zien. Het tweede punt dat voor christen-academici van belang zou kunnen zijn, betreft de erfenis van het moderne Verlichtingsdenken waaraan ook het evangelicale denken lange tijd schatplichtig is geweest en misschien ten dele nog is. McGrath’ beschrijving (29- 32) van het fundamentalisme uit de periode 1920-1940 is erop gericht, aan te geven hoe het evangelicalisme zich wilde verhouden tot de moderniteit. De kern van het probleem was vooral of traditionele leerstellingen moesten worden herzien in het licht van moderne wetenschappelijke en culturele ontwikkelingen. Deze historie vertoont grote parallelen met die in Nederland. Hierop heeft George Harinck al eerder gewezen (Harinck 2001). Harinck roept de vraag naar de kenbaarheid van de werkelijkheid uit tot het sleutelprobleem van de Europese cultuur na de Eerste Wereldoorlog. Voor gereformeerden kreeg dat de specifieke vorm van de vraag naar de verbinding tussen openbaring en werkelijkheid, die in de veranderende cultuur opnieuw opgeldt deed. Met andere woorden: dezelfde strijd die de evangelicale traditie in Amerika rond het fundamentalisme moest voeren, speelde in de gereformeerde wereld in Nederland rond de synode van Assen 1926, maar ook in Zuid-Afrika (Harinck 2001: 71-72). Net als Harinck legt legt McGrath de vinger bij de verhouding tussen kerk en cultuur waarbij als dilemma gold: óf je was orthodox, óf je deed mee met de cultuur. De vraag naar een adequate beoordeling van de moderniteit was dus in neocalvinistische kring evenals binnen de evangelicale traditie, van groot belang. De wijze waarop vervolgens op het modernisme werd gereageerd, lijkt overigens door het modernisme zelf gekleurd te zijn geweest: door zich terug te trekken op grondslagen en fundamentals poogde men het bastion van het liberale denken te bestrijden. Volgens McGrath heeft het evangelicalisme zich na de Tweede Wereldoorlog kunnen bewijzen doordat het deze fundamentalistisch- separatistische werkwijze achter zich liet. Door in te gaan op vragen en problemen uit de cultuur, in verbinding met het gedachtegoed van de Reformatie, heeft het zich inmiddels als een respectabele gesprekspartner kunnen bewijzen. De ontwikkeling van de intellectuele kant van het evangelicalisme heeft zo daadwerkelijk bijgedragen aan een bezinning op de cultuur. Zo worden bijvoorbeeld Kuypers Stone-lezingen tegenwoordig door evangelicale denkers gebruikt vanwege diens sociaal-culturele visie. Bij de beoordeling van het hedendaagse evangelicalisme zoals McGrath dat schetst, kan de verbinding tussen het evangelicale gedachtegoed, het calvinistisch-gereformeerde, en het neocalvinistische denken - dat in Noord-Amerika zo invloedrijk geweest is - niet langer onvermeld blijven. McGrath heeft duidelijk gemaakt dat het evangelicalisme veranderd is: het is wel degelijk op de cultuur betrokken, en heeft zich (ten dele) ontworteld van haar fundamentalistische achtergrond en zich bezonnen op haar traditie. Daarom geldt voor een adequate beoordeling van McGrath’ evangelicalisme wat A. van de Beek schrijft: “Traditioneel heeft het calvinisme in Nederland grote invloed gehad. Meer dan elders heeft de protestantse theologie hier het klassieke calvinistische karakter bewaard. Met name nu de evangelische beweging als eigen loot aan het calvinistische protestantisme wereldwijd groeit, is het van belang om het onderzoek in de klassieke calvinistische traditie, juist in samenhang met de genoemde mondiale ontwikkelingen, niet te veronachtzamen” (Van de Beek 1999: 32).


Literatuur
Harinck, George. 2001. De kwestie Geelkerken en de moderne cultuur. In: Harinck, George (red.). De kwestie-Geelkerken. Een terugblik na 75 jaar (AD Chartas-reeks 5). De Vuurbaak: Barneveld, 69-86

Krapohl, Robert H.; Lippy, Charles H. 1999. The Evangelicals. A Historical, Thematic, and Bibliographical Guide. Greenwood Press: Westport/London

Noll, Mark A. 2001. American Evangelical Christianity. An Introduction. Blackwell: Oxford

Stott, John. 1999. Evangelical Truth. A Personal Plea for Unity. IVP: Leicester

Van de Beek, A. 1999. Tijd voor bezinning. Taak en toekomst van de systematische theologie. In: De toekomst van de theologie in Nederland (Verkenningen 3). KNAW: Amsterdam, 29-44

Noten
1. Naar aanleiding van Alister McGrath Toekomt voor het christelijk geloof. Invloed en betekenis van het evangelicalisme Kampen: Voorhoeve, 2000.

2. Onduidelijk is wat McGrath hiermee bedoelt: slaat dit op de invloed van het neocalvinisme in Noord-Amerika? Dit zou aansluiten bij de bevindingen van John Bolt (Calvin Theological Seminary) in een (nog) ongepubliceerde lezing voor het ADC over de lotgevallen van de theologie in de 20e eeuw in Noord-Amerika, dat het neocalvinisme in de Verenigde Staten op dit moment een grote nieuwe impuls krijgt.

3. Vgl. ook de korte samenvatting die John Stott van diverse opsommingen geeft (Stott 1999).

4. Vgl. Noll 2001 - die een overeenkomstig beeld van het evangelicalisme schetst, dat veel meer op godsdienstsociologische leest geschoeid is, en minder (kerk)politieke bijbedoelingen heeft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.