+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

71

Nu zag de vaardige schrijver inzijndroom de beide pelgrims verder gaan tot zij de poort in het gezicht kregen. Verder bespeurde hij, dat tussen hen en de poort een rivier stroomde, maar er lag geen brug om er over te gaan.

De rivier was zeer diep.

Op het gezicht van deze stroom waren de pelgrims ontsteld, maar de mannen, die hen vergezelden, zeiden: „Gij moet deze stroomdoorgaan anders kunt gij onmogelijk de poort bereiken”.

Daarop deden de pelgrims de vraag of er geen andere weg was, die naar de poort leidde. Want het gaan door de rivier bezwaarde hun hart.

„Ja — was het antwoord van de twee mannen — maar er zijn van de grondlegging der wereld af slechts twee mensen geweest, die deze weg mochten betreden, namelijk Henoch en Elia, en tot de jongste dag zullen er geen anderen meer zijn”.

Endat wordt gezegd op grond van ditwoord: „Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen welniet alien ontslapen, maar wij zullenallen veranderd worden; in een puntdestijds,ineen ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuinzal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden”.

Op deze woorden begonnen de pelgrims, en vooral de oudste, zeer twijfelmoedig te worden. Zij zagen in elke richting om zich heen, maar ontdekten geen enkele weg waardoor zij de tocht door de rivier konden vermijden. Nu vroegen zij hun geleiders, of dewateren overal even diep waren. Deze antwoordden: "Neen, maar wij kunnen utoch in dat geval niet helpen. Gij zult de wateren meer of minder diep vinden, naarmate van uw geloof in de Koning der plaats”.

Hierop gingen zij naar de rivier, en devoeten in het water zettende, begon de Pelgrim te zinken, zodat hij zijn vriend Hoop toeriep: „Ik zink in diepe wateren, de golven gaan over mijn hoofd en al de baren bedekken mij”.

Toen zeide de ander: „Wees goedmoeds, mijn broeder, ik voel de bodem en ik heb dus grond onder mijn voeten”.

Maar de Iblgrim sprak: „Ach, mijn vriend, de angsten des doods hebben mij omgeven; ik zal het land, dat overvloeit van melk en honing, niet zien!” En nu kwam er over de Pelgrim zulk een grote duisternis enbenauwdheid, dat hij niets kon onderscheiden. Hij geraakte ook eniger mate buiten kennis, zodat hij zich de liefelijke verkwikkingen, die hij op de weg had genoten, niet kon herinneren. Maar uit de woorden die hij kwam te uiten, sprak genoegzaam zijn angst en schrik, dat hij in de rivier zou omkomen en nimmer door de poort zou ingaan in de stad. Ook bemerkten degenen, die hem omringden, dat hij zeer gekweld werd door de zonden die hij had bedreven, zowel sedert als voor de tijd waarop hij de pelgrimstocht had aanvaard. Ook bespeurde men, dat het was alsofbozegeesten hem benauwden, want dat kon menopmaken uit de woorden die hij sprak.

Hoop had dus alle moeite om het hoofd van zijn broeder boven water te houden. Ja, soms was hij bijna weggezonken in de diepte en bracht hij hem meer dood dan levend aan de oppervlakte van het water.

Met die kwellingen van de Pelgrim bij het denken aan zijn zonden worden wij aangespoord onze zonden veel te belijdenen te bewenen voor het aangezicht des Heeren, al weten wij dat zij geworpen zijn in de diepte der zee. De zee van Gods vergevende liefde in Christus.

Hoewel de Heere Jezus de zonde ten voile heeft beweend bij het dragen van de straf der zonde, want Zijn ziel was geheel bedroefd tot in de vloekdood des kruises, past het ons het smaken van Gods vergevende liefde wenende over onze zonden te zoeken. En in dat wenen over onze zonden vanuit het geloof in Christus is een zondedodende kracht. Werden zij meer beweend.

Gedurig beproefde Hoop de Ihlgrim te troosten, zeggende: „Broeder, ik zie de poort en mannen staan gereed om ons te ontvangen!” Doch de Ftelgrim hernam: "U, u wachlen zij, gij zijt altijd vol hoop geweest zolang iku gekend heb”.

„En gij evenzeer”, sprak hij tot de Pelgrim. „Ach mijn broeder — hernam deze — zekerlijk, indien mijn hart recht ware, zou Hij nu opstaan tot mijn hulp, maar om mijner zonden wil heeft Hij mij in deze benauwdheid gebracht en mij verlaten”.

Toen zeide Hoop: „Mijn broeder, nu hebt gij geheel en al het woord vergeten, dat van de goddelozen zegt: „Er zijn geen banden tot hun dood toe en hun kracht is fris. Zij zijn niet in moeite als andere mensen en worden met andere mensen niet geplaagd”. De angsten, die gij nu moet doormaken, zijn geen bewijs dat God u heeft verlaten, maar zij moeten dienen om u te louteren, en om te zien of gij u herinneren zult alles wat Zijn goedheid u deed ondervinden, en of gij in uw nood op Hem zult vertrouwen”.

Toen bemerkte de schrijver in zijn droom, dat de ftlgrim tot een stille overdenking was gekomen en hoorde dat Hoop tot hem zeide: „Heb goede moed: Jezus Christus maakt u gezond”. En zie, daar kwam verandering, het licht ging hem op in de duisternis. Vanuit het geloof begon de Pelgrim opeens met luide stem te spreken: „0, ik zie Hem weder,en Hij spreekt tot mij: Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen”. En wat was hem dat zoet en zalig destem zijns Liefste weer te mogen horen. En de vijand sloeg op de vlucht.

Nu waren beiden weer goedmoeds, en de vijand had geen vat op hen want de o Heere stond steevast met de kracht van Zijn Woord in de jordaan des doods. In Hem is de overwinning. Door Zijn genade kan Hij het sterven zo gemakkelijk maken.

Gesterkt door de zoete inspraak van de Heere uit Zijn Woord, voelde de Pelgrim terstond vaste grond onder zijn voeten, en hieruit bemerkende dat het water zeer ondiep was, kwamen zij ongehinderd aan de oever.

Daar aan de overzijde van de rivier zagen zij weer de twee lichtgestalten, die hen opwachtten. Deze traden hen dan ook terstond tegemoet, zeggende: " Wij zijn gedienstige geesten, uilgezonden tot dienst dergenen, die de zaligheid zullen beerven”. Zo begaven zij zich tezamen naar de poort.

Nu moet u weten, dat de stad op een hoge berg ligt, doch de pelgrims bestegen die zon| der moeite, omd at die beide mannen hen krachtig steunden. Zij hadden daarenboven hun sterfelijk kleed in de rivier achtergelaten, hoewel zij daarmee wel de stroom waren ingegaan. Hierdoor traden zij met grote vlugheid en met spoed de berg op, hoewel de grondslagen der stad hoger lagen dan dewolken. Zij werden al hoger opgevoerd in de lucht, en spraken samen vol blijdschap, verheugd omdat zij veilig door de rivier waren gekomen en nu zulk een heerlijk geleide hadden.

Twee gezaligde zondaren werden hier door Gods ontfermende liefde in Christus opgenomen in heerlijkheid. Hun plaats is bereid in het huis des Vaders met zijn vele woningen.

N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.