+ Meer informatie

VRAGENBUS

5 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan: I T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid J

M. B. t< e O. vraagt of ik het afkeur als iemand in een radiotechnisch bedrijf werkzaam is.

Antwoord: Hoe zou ik dat afkeuren? Als iemand lust, aanleg, gaven en krachten heeft om werkzaam te zijn in een bedrijf, waar toestellen gemaakt worden op het gebied van de radiologie, dan doe hij dat met alle energie en zo gewillig als de engelen Gods in de hemel.

Ik begrijp wel, hoe het komt, dat u de vraag doet. Dat zit h'm in het misbruik, dat van de radio gemaakt wordt. En inderdaad zijn de gevaren niet te onder-

schatten. Veel, dat door de radio komt staat op gespannen voet met de waarheid Gods. Daarom is voorzichtig gebruik van de radio wel aan te bevelen. Ik kan de bezwaren van velen wel delen, waarom ik de ouders dan ook aanraad wanneer in hun huis zo'n toestel aanwezig is, ernstig toe te zien, opdat alle wind van leer hun gezin niet verwoest. Echter we moeten oppassen, dat we met het waswater het kind niet wegwerpen.

Als het goed staat met een mens, ook wat zijn arbeid betreft, dan werkt hij niet voor het misbruik, wat de mensen er van maken, maar voor het nuttig gebruik. En dan denk ik aan de radiologische seinen van een schip, of vliegtuig, dat in nood is en aan zoveel meer nuttigs, dat van een radio te vertellen valt.

Als ik moest aanraden, dat iemand maar moest bedanken, die in een radiotechniek bedrijf werkzaam is, dan zou ik diezelfde raad moeten geven aan elke drukker, die toch ook weieens geschriften moet drukken, waarmee hij het helemaal niet eens is. Ook zou ik mijn waarschuwende stem moeten doen horen tegen een bloemist, omdat hij bloemen klaar moet maken voor een begrafenis of omdat hij erepoorten moet versieren bij wereldse feesten enz.

We zouden niet aan een eind komen, als we de bedrijven eens onder de loupe namen.

Niet direct de aard van het bedrijf is beslissend, maar wel de wijze waarop het werk wordt verricht en welke houding men aanneemt tegenover meerderen en minderen.

Ten alle tijden behoort dit te zijn naar de regels van Gods Woord.

H. H. do Gr. te D. vraagt of een bruidspaar een bruidsbouquet mag mee nemen in de kerk.

Antwoord: Het is voor mij moeilijk te zeggen: „Ja!" of „Neen!", want die beslissing rust niet bij mij, maar bij de plaatselijke kerkeraad. Daaraan heeft men zich te onderwerpen. En dan niet murmurerend, maar gewillig.

De ene kerkeraad maakt bezwaar tegen een witte bruidsjapon, een ander niet. De ene acht een sluier geoorloofd, de ander niet, en zo zouden we kunnen doorgaan. Zonder op details in te gaan zou ik als algemene wenk willen geven: Laat ons feestkleed waardig, deftig en eenvoudig zijn en laat onze huwelijksdag ook wat kledij betreft, geen oorzaak van aanstoot geven.

Het komt mij voor, dat het goed is bloemen te weren, wanneer in Gods huis dienst des Woords wordt gehouden. Dit blijkt niet alleen uit het woord, dat de predikant spreekt, maar ook uit de ambtelijke bediening, gezien er altijd één of meer ambtsdragers tegenwoordig zijn.

C. D. te W. vraagt nadere verklaring van een uitspraak van Brakel, die in de Red. Godsdienst I Hoofdst. XXXIX § 25 bladz. 978 schrijft: „Kinderen der bondgenoten moeten als begenadigden aangemerkt worden, en zo heeft men ze voor ware bondgenoten te houden als ze opwassen, totdat ze metterdaad vertonen, dat ze trouweloos in het verbond zijn en aan de belofte geen deel hebben.

Antwoord: Hoewel ik grote achting en liefde heb voor vader Brakel en de Redelijke Godsdienst door hem geschreven, van harte ter lezing en bestudering kan aanbevelen, kan ik het met deze uitspraak van Brakel niet helemaal eens zijn.

Ik weet wel, zoals U schreef, dat de zgn. Kuiperianen zich in hun verbondsbeschouwing daarop beroepen, maar dan is het meer schijn, dan werkelijkheid. Traden zij in de voetsporen van Brakel, dan moesten zij ook separatie maken in hun predikatiën en dat doen zij niet. De geschriften van Brakel tintelen van warm geloofsleven en van schriftuurlijke bevinding en dat mist ge in de geschriften van de neo-Gereformeerden.

Maar om tot de zaak te komen, merk ik op, dat de onderscheiding van wezen en bediening des Verbonds mij beter lijkt. Wat het wezen des Verbonds betreft, daarin zijn alleen de wedergeborenen en wat de bediening des Verbonds betreft, daaronder leven alle gedoopten.

„Een houden voor", vind ik slap. Het zegt mij zo weinig. Het is bekend, dat Brakel zo ver gaat, dat hij bekeerde en onbekeerde ouders, wier kinderen jong gestorven zijn, bemoedigt met de uitspraak, dat zij mogen geloven op grond van het verbond, dat hun kinderen in de hemel zijn.

Hij gaat daarin verder dan onze vaderen, die in de artikelen tegen de Remonstranten spraken, dat Godzalige ouders niet te twijfelen hebben aan de zaligheid van hun jong gestoxwen kinderen, 't Is niet de vraag wat deze of gene theoloog schrijft, maar wel wat ons Gods Woord en de 3 formulieren van Enigheid leren.

Als David door het geloof (en het geloof is een gave Gods) zegt, na de dood van zijn jonggestorven kind: „Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wedei'komen", dan kan ik begrijpen, dat hij met die wetenschap tot Bathséba gaat en zijn huisvrouw troost.

Troost is een weldaad, die God geeft aan Zijn volk en niet aan onbekeerde mensen. Daarom staat er in Jes. 40 : 1: Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.