+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor en Jong

6 minuten leestijd

63

Hoewel de gewenste klaarheid bij het blikken naar de poort van de Hemelstad gemist werd, meenden de pelgrims toch nog wel enigszins een poort te onderscheiden en iets te bespeuren van de heerlijkheid der plaats.

Een klein stipje van al dat schone waarvan gesproken wordt in de Schrift, mochten zij heel in de verte aanschouwen, opdat het ingaan in de eeuwige vreugde met des temeer ernst door hen gezocht zou worden.

Dankbaar zijnde voor het onderwijs van de herders in de dingen van Gods koninkrijk, was er een lofzang in het hart. Onderwijs is voor deze reizigers van grote betekenis, zelfs onmisbaar om te volharden in het goede. Zij gingen nu verder al zingende:


Dus worden door de herd’ren ons Verborgenheen geopenbaard,

Aan niemand nog verklaard.
Wenst g u ’t geheim ontdekt te zien,
’t Verborg’ne en diepe te verstaan,
Wil tot de herders gaan.


Toen zij op het punt waren van te scheiden, gaf één van de herders hun een aanwijzing mee. Een ander zeide: „Neemt u in acht voor de Vleier!” Een derde waarschuwde hen, zich niet neder te leggen op de betoverde grond. Een vierde wenste hen een goede reis. En daarna ontwaakte ik uit mijn droom en dat gaf mij tijd daarvan mededeling te doen aan vrienden en bekenden.

Gekomen aan de voet van de liefelijke bergen, waar links van de weg de bekende struik Inbeelding lag, die door een kronkelpad met de weg waarop de pelgrims zich nu bevonden verbonden was, zodat wij tot op de dag van heden op de weg naar Sion reizigers ontmoeten die bij godsdienstige inbeeldingen leven.

De jonge man Onkunde was vanuit die streek op de weg gekomen en hield er zich van overtuigd ingang te zullen bekomen in de Hemelstad. Al wist hij van de enge poort niet te spreken, zodat hij langs de weg van de waarachtige bekering het komen aan de voet van het kruis niet zocht, hield hij er zich toch van verzekerd deelgenoot te worden van deeeuwige zaligheid.

Deze inbeelding hield hij tegen alle vermaningen in krampachtig vast, hij had niet de minste behoefte aan de kennis van de Waarheid. De man had genoeg aan zijn godsdienstige inbeeldingen, hij was er zelfs rijk en gelukkig mee. Hoe jammer toch dat het onderwijs van de herders tot ontdekking en ontgronding door hem niet gezocht werd. Volgens de Schrift is dat wel een eerste vereiste op de reis naar een alles beslissende eeuwigheid.

Maar het is hem gezegd wat gekend moet worden tot zaligheid, en daarover zal hij, hopen wij, nog weleens nadenken. Wij bidden dat hij de dwaasheid van te vertrouwen op godsdienstige inbeeldingen zal leren verfoeien. Daarop hernam Hoop:


Laat Onkunde nu eens een wijle overdenken
Wat tot hem gezegd is; hij late ook niet na
Aan heilzame raad zijn vertrouwen te schenken,
Dat ’t hoogste, door onkunde, hem niet ontga.
Ofschoon God ook hun Maker zij,
Verstandelozen red Ik niet, spreekt Hij.


„En - voegde hij er aan toe- ik geloof niet, dat wij hem te veel opeens moeten zeggen; laten wij hem een poos alleen laten, dan kunnen we later nog met hem spreken als hij tenminste in staat is om het te dragen”.

Nu gingen zij beiden voor en Onkunde kwam achteraan. Toen zij een eindweegs gegaan waren, traden zij een zeer donkere laan in, waar zij een man ontmoetten, die door zeven duivelen met zeven sterke touwen gebonden was en door hen werd meegesleept naar de deur die zij aan de zijde van de heuvel gezien hadden. Dat deed het hart van de pelgrims met vrees vervullen. En begrijpelijk, want deze man is van het geslacht dat zichzelf meent te kunnen ontworstelen aan de heerschappij van zonde en satan, zodat hij Christus kwam te verwerpen. Al de vermaningen vanuit Zijn goddelijke zending werden in de wind geslagen en zo wordt dat boze geslacht steeds meer verbonden aan de vorst der duisternis.

Door niet te komen tot Christus, niet te vallen aan Zijn voeten om te smeken om ontferming, bekomt het ongeloof steeds meer zijn heerschappij over het hart en leven van de mens. De Joden dachten vrij te zijn door te behoren tot het zaad van Abraham. En daar de mens van nature met al zijn godsdienst nog is een dienstknecht van zonde en satan, heeft Christus gezegd tot deze mensen: „Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn”. In Hem is de levendmaking tot verbreking van de kracht der zonde, de rechtvaardigmaking tot vergeving van de schuld der zonde en de heiligmaking tot doding van de smet der zonde.

In overdenking van de laatste ontmoeting, die het hart van de pelgrims vervulde met droefheid, zijn zij gekomen in het land van Kleingeloof. „Ik herinner mij thans iets, dat mij eens is verhaald als zijnde hier in deze streek aan een goed man overkomen. De naam van die man was Kleingeloof, doch hij was van een betrouwbaar karakter en hij woonde in de stad Oprecht. De zaak was deze: Dicht bij deze plaats loopt een laan op deze weg uit, Dodenlaan genoemd, omdat er zoveel moorden gepleegd worden. Toen nu Kleingeloof, die zich evenals wij op de pelgrimsreis bevond, bij de gevaarlijke plek was gekomen, waagde hij het om daar te gaan zitten slapen. Nu kwamen er drie ruwe booswichten aan van Bredewegspoort. Zij waren broeders en heetten: Lafhartig, Wantrouwen en Schuld. Toen zij Kleingeloof bemerkten, kwamen zij met grote haast op hem toelopen. Juist was de goede man ontwaakt en op het punt zijn reis voort te zetten. Op dit ogenblik nu kwamen zij bij hem en geboden hem op dreigende toon te blijven zitten waar hij was. Zo overrompeld stond Kleingeloof daar, bleek als een dode en had noch de kracht om zich te verdedigen, noch om te vluchten.

Toen gebood hem Lafhartig: „Geef hier uw beurs!” en toen hij dit niet spoedig genoeg deed (want hij had geen lust om zijn geld af te staan), greep Wantrouwen hem aan, en beroofde hem van een beurs met geldstukken. Nu begon Kleingeloof uit alle macht te roepen: „Dieven! dieven!” Doch Schuld sloeg hem met een zware knuppel op het hoofd, zodat Kleingeloof ter aarde stortte en zo bloedend daar neder lag, dat hij de dood nabij scheen. En al die jammer is Kleingeloof niet van buiten af, maar van binnenuit overkomen, ’t Wordt ons hier wel aanschouwelijk voorgesteld alsof hij het leed van een martelaar moet dragen, doch dat is het niet. Het is al opgekomen uit zijn bedorven bestaan. Hij heeft de slaap der zorgeloosheid geslapen, zodat zijn lafhartig en wantrouwend bestaan, de Heere kwam te verdenken tot verzwakking van zijn geloof, dat toch al zo klein was. Zijn geweten sprak van schuld en dat sloeg hem ter neder. En in dat alles ging het om zijn beurs waarop hij in de grond der zaak meer vertrouwde dan op de gerechtigheid van Jezus Christus. In die beurs had hij een verzameling van allerlei aangename gemoedstoestanden die hem aftrokken van de troon der genade, want op de bank van vrije genade zijn die verzamelde muntstukken niet geldig.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.