+ Meer informatie

GEBOORTEMILIEU, TOEVAL OF LEIDING?

18 minuten leestijd

‘Wellicht wordt door veel jongeren van de kerk het geboren zijn in een christelijk gezin, binnen de lichtkring van het Evangelie dus, nog altijd als verkiezing gezien. Anderen houden het op toeval. Men hoort het jongeren (en soms ook ouderen) wel eens zeggen: Voor hetzelfde geld zou ik in een moslim-gezin geboren zijn en dan zou ik nu waarschijnlijk moslim geweest zijn. Waarom zou ik het als verkiezing moeten zien? Ten aanzien van het christelijk geloof ben ik door mijn opvoeding ‘voorgeprogrammeerd’….’

Bovenstaande zinnen stonden in de uitnodiging voor een reformatorische studieavond, in januari gehouden te Rijswijk. Deze avonden worden belegd door een comité dat bestaat uit leden van Christelijke Gereformeerde, (vrijg.) Gereformeerde en Nederlands Gereformeerde Kerken. De vraag in de titel leeft dus bij meerderen; ik denk bij zeer velen. Menigeen van ons zal er bij het werk in de gemeente, of in eigen omgeving, op stuiten. Misschien zit u er ook zelf min of meer mee. Hoe erover te denken en ermee om te gaan?

‘Bronnen’

Een paar geschriften waar ik zelf veel aan heb gehad:

* Een artikel van dr. B. van den Toren (de man die mede namens onze zending is uitgezonden naar Bangui), ‘Het gaat in alle godsdiensten toch om hetzelfde?’ - De vraag naar de relatie tussen het christelijk geloof en de andere godsdiensten in het getuigend gesprek, opgenomen in een belangwekkende bundel onder redactie van drs. T.C. Verhoef, Over de brug komen, een handreiking voor het getuigend gesprek, uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 1996, blz.71-93.

* Van den Toren verwijst naar ‘een zeer waardevol en bewogen boekje’ waarin ‘met kennis van zaken… de uniekheid van het Evangelie van Jezus Christus duidelijk (wordt) gemaakt’: dr. J. Verkuyl, Zijn alle godsdiensten gelijk?, uitg. Kok, Kampen, 1984, geheel herziene en vermeerderde vijfde druk.

* Verder noem ik graag de naam van ds.R.J.Blok, (vrijg.) Geref. predikant en spreker tijdens genoemde studieavond. Hem wil ik bedanken voor de mogelijkheid om inzage te krijgen en te geven van wat we ieder voor zich in een bepaald stadium van onze voorbereidingen op papier hadden gezet!

We schetsen nu een viertal achtergronden van de vraag die de titel van dit artikel vormt en willen bij elk van die vier proberen nader op de vraag in te gaan.

1. Alle godsdiensten ongeveer gelijk?

Allereerst is te denken aan de tendens in onze tijd om de verschillen tussen de religies te relativeren. De boven gedeeltelijk aangehaalde aankondiging gaat verder door te verwijzen naar ‘de steeds meer opdringende gedachte …dat andere grote wereldgodsdiensten even zovele wegen naar God toe zijn. De uniciteit van het christelijk geloof komt steeds sterker ter discussie te staan’.

Nu berust de gedachte dat alle godsdiensten op hetzelfde neerkomen vaak op gebrekkige informatie over die godsdiensten.

Bij allerlei formele overeenkomsten (een heilig boek, gebed, het samenkomen van gelovigen, rituelen, en wat jodendom en islam betreft ook: het geloof in een persoonlijk God) zijn er wezenlijke inhoudelijke verschillen. Ook tussen jodendom en islam enerzijds en christelijk geloof anderzijds is er een fundamenteel onderscheid.

Dat geldt overigens in veel mindere mate wanneer men (zoals vandaag vaak gebeurt, ook binnen de kerken) de Christus van de Schrift niet ziet als de Zoon van God, gezonden tot verzoening van onze zonden, maar Hem ‘reduceert’ tot een groot en goed mens, een leraar of profeet, een voorbeeld. Waar dat gebeurt ligt het voor de hand de verschillen, met name met jodendom en islam, te minimaliseren.

Wat tussen christelijk geloof en andere religies in het geding is, is de vraag: is onze nood zo groot, dat wij daarin verlossing nodig hebben én ontvangen door God Zelf of is er ook nog enigszins een mogelijkheid van zelfverlossing door de mens?

Beslissend is in dit opzicht het woord van Petrus in Hand. 4:12. Hij zegt daar dat er onder de hemel geen andere naam (dan die van Jezus Christus) aan de mensen gegeven is. Er zijn andere namen van heilsboodschappers. Maar dat zijn namen die opkomen uit de mensen. Alleen de naam van Jezus vindt z’n oorsprong niet ‘onder de hemel’ maar is van elders ‘aan de mensen gegeven’. In Hem komt God Zelf tot de mensen.

Dat is een ongehoorde pretentie. Maar die pretentie wordt niet zonder meer geponeerd. Ze wordt gevuld met de boodschap dat ‘wij moeten behouden worden’. Dat wil zeggen: wij mensen zijn (door eigen schuld) terechtgekomen in een toestand waarin wij zonder totale goddelijke redding verloren zijn.

En die ‘behoudenis is in niemand anders’ dan in Jezus Christus. Elke andere religie stelt eisen waaraan je zelf moet voldoen om het uiteindelijke doel van het mensenleven te bereiken. Alleen het evangelie brengt de boodschap van die God die zag dat wij zelf geen enkele bijdrage konden leveren aan onze redding en die toen de wereld zo heeft liefgehad dat Hij in Christus naar ons toe is gekomen om het helemaal Zelf te doen.

Dat betekent in ieder geval dat het niet om het even is voor welke religie je kiest. In onze dagen is religie weer ‘in’. Alleen: de keuze voor een bepaalde religie (levensbeschouwing) is dan niet meer een kwestie van waarheid. De verschillende godsdiensten in hun verscheidenheid worden gezien als een boeiend veelkleurig palet, en het is een zaak van persoonlijke smaak welke je daarvan kiest. Waarbij die smaak dan weer in hoge mate bepaald wordt door je voorgeschiedenis en de omgeving waarin je geboren bent. Maar wie serieus kennisneemt van de boodschap van de Bijbel zal merken dat die relativering ons daarin onmogelijk wordt gemaakt. Het is daar kiezen of delen. De weg die het evangelie wijst is van die aard, dat wie daar ‘ja’ tegen zegt niet anders dan ‘nee’ kan zeggen tegen de andere religies.

Daarmee stelt het evangelie ons voor een beslissing die ons hele bestaan en ons diepste wezen raakt. Het vraagt van ons de erkenning dat wij inderdaad er zó aan toe zijn als ons daar gezegd wordt en díe redding nodig hebben waarvan het evangelie getuigt. Dat is een beslissing die niet genomen kan worden op verstandelijk niveau, op het vlak van rationele argumenten. Het evangelie is méér dan een leer, méér dan een ‘way of life’. Het is óók dat - maar het is ten diepste belichaamd in de Persoon van Christus die ons stelt voor de keuze van vóór of tegen Hem te zijn, van aanvaarding of verwerping. De beslissing kan dan ook alleen vallen in de ontmoeting met Hem.

Daar zullen we in het gesprek met anderen hen dan ook toe trachten te brengen - zoals Filippus Natanaël niet probeerde te overtuigen met argumenten, maar zei: ‘Kom en zie’. Pas in en door de ontmoeting met Jezus kwam Natanaël tot de overtuiging dat Jezus ‘het’ was: ‘Gij zijt de Zoon van God, de Koning van Israël’. Later werd Tomas op dezelfde manier, van de ontmoeting, gebracht tot zijn belijdenis ‘Mijn Here en mijn God’ (Joh. 1:44-50 en 20:26-29). Langs die weg brengt Christus door Zijn Geest ook nu mensen er toe dat ze in Hem álles vinden.

Dat wil niet zeggen dat wie Christus aanvaardt, daarom in de andere religies geen waardevolle elementen kan ontdekken. Maar die waarden verbleken toch bij de kennis van Christus. Zoals de voormalige aanhanger van het hindoeïsme Sadhoe Soendar Singh zei: ‘Als u mij vraagt naar de verhouding tussen wat ik in Christus heb ontvangen en wat ik vroeger bezat, denk ik aan de gelijkenis van de koopman die schone parels zocht, maar die tenslotte voor de éne parel van grote waarde alle andere prijsgaf. Al wat ik vroeger bezat aan hindoese wijsheid en mystiek geef ik gaarne prijs, omdat de kennis van Christus dat alles te boven gaat’ (Verkuyl, p. 47).

Ter afsluiting van dit gedeelte geef ik een voorbeeld dat (zoals alle voorbeelden) maar beperkt geldig en dus gebrekkig is, maar dat wellicht toch wat verduidelijking kan geven.

- Een jongen/man houdt van een meisje/vrouw. Hij zou kunnen denken: als ik elders geboren was, zou ik iemand anders ontmoet hebben en van haar gehouden hebben! Een op zichzelf begrijpelijke gedachte, maar wanneer je die gaat koesteren en haar gebruikt om de verhouding tot degene die nu ‘de jouwe’ is te relativeren is er duidelijk met die verhouding iets niet in orde. Omgekeerd: als je in de verhouding tot elkaar de ander ziet als degene die ‘het’ voor jou is, kan de gedachte ‘als ik elders geboren was, dan…’ niet echt wortel meer schieten.

Kortom: de enige ‘genezing’ van de gedachte van relativering is, dat je in de ontmoeting met Christus voor Hem gewonnen wordt en Hem leert kennen als de Enige in Wie heil te vinden is. Dan ‘zit je voorgoed aan Hem vast’.

2. De betrekkelijk geringe omvang van de christenheid

De neiging tot relativering van de verschillen tussen de godsdiensten wordt nog versterkt door het feit dat het christelijk geloof in de wereld maar zo’n betrekkelijk geringe plaats inneemt. In het Nederlands Dagblad d.d. 21 december 1996 stond een interview met bisschop Muskens (de man van het gestolen brood). Daarin spreekt hij over een studiereis in ‘67/68 door Pakistan, Thailand, Indonesië, Singapore en India. Hij zegt dan: ‘De alles overheersende indruk over die reis was: Wat stellen wij christenen eigenlijk nog maar weinig voor. Je ervaart in die landen, waar honderden miljoenen mensen wonen, slechts een klein begin van het christendom. In Azië is duidelijk een niet-christelijke cultuur. Ook al zijn de mensen hier in het westen niet praktiserend christen, toch dragen ze iets mee van de christelijke erfenis. Dat is daar totaal anders. Ja, (dat) is … een van de belangrijkste ervaringen in mijn leven geweest. Het feit dat 2000 jaar christendom eigenlijk nog maar heel kort is. We zijn nog maar erg lokaal aanwezig in de wereld.’

De bisschop kijkt met het woordje ‘nog’ dus naar de toekomst: we zijn nog maar erg lokaal aanwezig, er moet nog heel wat gebeuren. Maar we kunnen met dat ‘nog’ ook kijken naar het verleden, en dan met het oog op het ‘christelijke’ Westen: wat is daarvan nog maar weinig over. Terwijl her en der in Azië en Afrika het christendom welhaast explosief groeit, maken wij in onze omgeving mee dat de kerken leeglopen en dat hetgeen mensen nog ‘meedragen van de christelijke erfenis’ steeds miniemer en vager wordt. Tegelijk ontmoeten we de aanhangers van andere godsdiensten in onze eigen omgeving en worden we via de media met hen geconfronteerd. Hoe kunnen we dan volhouden dat óns geloof exclusief het ware is? Is dat niet een vorm van hoogmoed? Van een misplaatst superioriteitsgevoel, dat we als blanke westerse mensen en ook christenen in het koloniale tijdperk maar al te zeer hebben gekoesterd?

Deze feiten en vragen zullen iemand die het hart aan Christus verloren heeft niet onberoerd laten. En toch - ten overstaan van Christus en zijn evangelie zul je geen ander antwoord vinden dan dat van Petrus, toen velen zich van Jezus afkeerden en Hij aan Zijn leerlingen vroeg: ‘Jullie willen toch ook niet weggaan?’. Als het ware met een hulpeloos gebaar zei Petrus toen: ‘Here, tot Wie zullen we heengaan? U hebt woorden van eeuwig leven, en wij hebben geloofd en erkend dat U bent de heilige Gods…’ (Joh. 6:66-69).

We moeten ons daarbij realiseren dat wij er in onze tijd weer net zo voorstaan als de eerste christenen in de Grieks-Romeinse wereld. Ook zij vormden een kleine minderheid in een wereld vol andere religies., Het heeft hen niet gebracht tot relativering, integendeel: zij hebben in groten getale hun leven over gehad voor de belijdenis van Christus als enige Heer. Zo behoeft dezelfde situatie ook ons niet te brengen tot relativering. Mits wij hetzelfde geheim kennen als zij: de ontmoeting met Christus en de overgave aan Hem. Het is goed dat nog eens te onderstrepen, omdat het daarop in deze tijd meer dan ooit aankomt! We behoeven niet te ontkennen dat geloofsovertuiging voor een groot deel zaak is van opvoeding en geboortemilieu: dat zijn de wegen die God gebruikt. Maar een ‘christen-zijn’ waar je alleen maar ‘ingerold’ bent via het gezin en de traditie waarin je bent opgegroeid zal het niet houden. Het moet persoonlijk toegeëigend en doorleefd worden. Het moet dan ook in gezin en gemeente zo beleefd worden dat het door jongeren ervaren wordt, niet als formeel, maar als echt. Dan kan en wil God Zich daardoor doen kennen aan een nieuwe generatie.

Waar dat gebeurt zal het feit dat zovelen Christus niet kennen wél leiden tot verwondering met betrekking tot onszelf. Het is dan onmogelijk om dat te zien als ‘toeval’.

Dat valt trouwens helemaal buiten het kader waarin de Bijbel ons leert denken en geloven.

Wel kan de Schrift het woord ‘toeval/geval’ gebruiken. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan staat: ‘Bij geval daalde een priester af…’ (Luc. 10:31). Ook wij kunnen dat woord gebruiken als we het hebben over dingen die gebeuren zonder dat we ze zelf gepland hebben of in de hand hebben. Maar het bestaan van toeval in die zin dat er dingen gebeuren zonder dat God ze in de hand heeft - dát zou betekenen dat God niet werkelijk God is. Het is dan ook een gedachte die vreemd is aan de Bijbel en die in het spoor van de Bijbel door onze belijdenis weersproken wordt. Zie zondag 10 Heid. Catechismus en art. 13 Ned. Geloofsbelijdenis.

Geen toeval dus, maar leiding - waarbij het ‘hoe’ van Gods leiding voor ons een geheim blijft dat we nooit denkend kunnen doorgronden. Het gaat dan ook om een geloofsbelij-denis. Alleen in het geloof kun je er Gods leiding en zorg in zien en Hem erom prijzen dat je door de gang van je leven in aanraking kwam met Christus.

Zo heeft ook Israël zijn bijzondere positie beleefd in verwondering en met lofprijzing: Hij heeft Jakob Zijn woorden bekendgemaakt… aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en Zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja. (Psalm 147 - slot.)

3. Is Gods leiding wel rechtvaardig?

Wanneer we niet meegaan in de relativering, omdat voor ons Christus ‘de enige Naam’ is, kan toch de vraag in de titel nog een aanvechting vormen. Waarom mag ik en mogen wij Christus kennen, terwijl zoveel mensen verstoken blijven van de kennis van Christus? Als dat te maken heeft met leiding van God, met zijn regering, is die regering dan wel rechtvaardig? Als de God van de Bijbel alleen de ware God is en Christus de enige Verlosser is, moet ieder dan niet gelijkelijk kunnen delen in het heil van deze God en deze Verlosser? Is het dan eerlijk, dat één volk, Israël (in het O.T.), of dat alleen de christelijke gemeente uit joden en niet-joden (in het N.T.) daar het privilege van heeft?

Opnieuw een moeilijke vraag - maar er is wel iets op te zeggen. Hoe kómt het dat dit een wereld is waarin zovelen de levende God niet kennen? Zo had God Zelf het allerminst bedoeld en we mogen het dan ook nooit op Zijn rekening schrijven. Het is puur te wijten aan ons mensen. Niet God heeft Zich van ons afgekeerd, maar wij van Hem. Daarom moeten we ook in de manier waarop we dat niet-kennen van de ware God terugvoeren op Gods leiding niet te kort door de bocht gaan. Alsof het voor die mensen die leven buiten de lichtkring van Zijn openbaring aan Israël en in Christus zonder meer de wil van God zou zijn dat ze Hem niet kennen! Dan maken we van Gods leiding en regering toch weer een algemeen principe dat zonder meer is af te leiden uit de feiten: alles wat is, is zó door God gewild.

We moeten er bij blijven dat weliswaar niets buiten Gods leiding omgaat, maar dat we alleen in Christus en door het geloof in Hem iets van die leiding van God kunnen ontdekken.

Dan onderkennen we allereerst de menselijke schuld en het menselijke verzet tegen God als oorzaak van de vervreemding tussen Hem en ons. En we zien vervolgens met verwondering dat desondanks God toch de leiding blijft houden en Zijn plan blijft uitvoeren (Psalm 33:10-15). Namelijk doordat Hij in Zijn genade in Christus de strijd aanbindt tegen hun schuldige gebrek aan kennis en Zich toch weer aan hen wil doen kennen.

Belangrijk is in dit verband de rede van Paulus in Athene. We lezen in Hand. 17:26: ‘Hij (God) heeft uit één enkele (Adam) het gehele menselijk geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte van de aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald’. Vers 27 zegt dan, wat in dat alles Gods wil is: ‘…opdat zij God zouden zoeken of zij Hem al tastende vinden mochten…’. God laat Zich in Zijn schepping niet onbetuigd aan Zijn mensenkinderen omdat Hij ze allen tot Zich wil trekken. Maar omdat mensen zich aan die greep willen ontworstelen ontwerpen ze allerlei godsbeelden, aangepast aan eigen behoeften en wensen (vs. 29). Want we zijn nu eenmaal geschapen als mensen die niet zonder religie kunnen. Vandaar de godsdiensten in al hun variatie. Zo blijft de mensheid voortleven in schuldige onwetendheid over de levende God. Maar dan grijpt Hij in en ‘verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen dat zij allen overal tot bekering moeten komen…’ (vs. 30), waarop vers 31 verwijst naar Christus.

Het oude rijmpje is dus maar ten dele waar: ‘Waarom was ’t op mij gemunt’, (weer de verwondering, nog verdiept als we bedenken dat het kennen van Christus onverdiende genade is)… maar dan gaat het zo verder: ‘waar zovelen gaan verloren die Gij geen ontferming gunt…’. Dat laatste mogen we nooit zeggen. Wij mogen ons er aan houden dat God ernstig en welgemeend allen overal roept om Zich tot Hem te bekeren, nú. En in die heilswil van God wil Hij ons inschakelen! Daarom voegt zich bij de verwondering ook de roeping.

Zo was het al voor Israël. Zie Genesis 12: Abraham/Israël wordt gezegend om tot een zegen te zijn voor alle geslachten op aarde; vergelijk Psalm 96: 3, 10. Zo is het des te meer voor ons, die dankzij Christus Gods heil nog veel duidelijker mogen kennen dan Israël. Zie 1 Petr. 2:9: wij zijn geroepen uit de duisternis tot Gods licht óm Zijn grote daden te verkondigen. Het voorrecht dat wij kregen is niet exclusief (de anderen uitsluitend) maar inclusief (bedoeld om de anderen er in te betrekken).

Ook hierbij een voorbeeld, waarvan hetzelfde geldt als van het eerste - het is gebrekkig, maar toch…

- Stel dat er een medicijn gevonden wordt tegen de dodelijke ziekte aids, maar dat dat medicijn slechts in enkele landen beschikbaar is en elders niet…

Zal iemand dan zeggen: omdat men het elders met andere medicijnen moet doen, komt het er toch eigenlijk niet zo op aan, welk medicijn je gebruikt? Nee, men zal resoluut kiezen voor dat éne medicijn en tegelijk trachten dat overal beschikbaar te doen zijn. Beslissend is dan wel de overtuiging dat alleen dat éne het medicijn is dat werkelijk helpt. Zo zal iemand die in Christus de enige Redder heeft gevonden nooit het christelijk geloof kunnen relativeren maar integendeel eraan meewerken dat steeds meer mensen Hem leren kennen.

Elke vorm van hoogmoed zal daarbij afwezig zijn, als het goed is - maar helaas is het niet altijd goed, er was en is veel christelijke zelfverheffing. Hoe bestaat het - want ieder die Christus leert kennen leert immers tegelijk zichzelf kennen als een mens die door genade gered moest worden, wilde het ooit nog goed met je komen. Wie kan zich ooit daarop verheffen?

4. ‘Waar zovelen gaan verloren…’?

We komen nog even terug op het zojuist geciteerde rijmpje. De vraag onder 3 wordt immers nog verscherpt door een andere: Als het kennen van Christus nodig is om behouden te worden gaan dan ook inderdaad allen verloren die het evangelie niet hebben leren kennen? Of is het denkbaar dat zij desondanks niet verloren gaan? Nlet omdat zij evengoed langs de weg van een andere religie tot God kunnen komen maar omdat God hun, ondanks het feit dat ze Christus niet kennen, toch genade bewijst? Ook dat zijn vragen die een rol spelen bij ons onderwerp.

Ik herinner me uit mijn jeugd een catechisatieboekje waar onder meer ongeveer het volgende in stond: In het feit dat alle mensen delen in Adams zonde en schuld ligt de rechtsgrond voor het verloren gaan van de miljoenen die nooit van Christus gehoord hebben. Een zin (overigens geschreven door een predikant van onze kerken die bekend stond als een mild man die ‘een ruim evangelie’ verkondigde) die doet denken aan een uitspraak in de Dordtse leerregels: ‘Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben en de vloek en de eeuwige dood verdiend hebben, zou God niemand onrecht hebben gedaan, indien Hij het gehele menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en vanwege de zonde had willen veroordelen… (l, 1). Met die uitspraak kun je alleen maar instemmen. De zin uit het catechisatieboek gaat echter een stap verder. Er wordt op z’n minst in gesuggereerd dat allen die het evangelie niet gehoord hebben dus ook zonder meer verloren zijn. Maar wéten wij dat?

Waar de Schrift spreekt over verloren gaan betreft het mensen die in de ontmoeting met Christus ‘nee’ tegen Hem hebben gezegd en zijn blijven zeggen, zie Joh. 3:18, zie ook DL l, 2 t/m 4. Daar staat o.a.: ‘De toorn van God blijft op hen die dit Evangelie niet geloven’ (4).

Hoe God handelt met hen die nooit werkelijk in aanraking zijn gekomen met Christus (en dat kunnen in deze tijd ook mensen in onze omgeving zijn) - dat mogen en moeten we aan Hem overlaten. En Hem kennende kunnen we ervan op aan dat Hij die vraag zal beantwoorden op een manier die we alleen maar kunnen aanbidden.

Drs. W. Steenbergen is predikant in ’s-Hertogenbosch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.