+ Meer informatie

Interview met drs. M.H. Baan en drs. G. van Roekel HUISBEZOEK ALS HARTENBEZOEK

10 minuten leestijd

In de afgelopen 50 jaar is de vorm van het huisbezoek nogal gewijzigd. Twee broeders in zwart pak vroeger zijn nu geworden één casual geklede broeder. Vroeger viel aldus meer het accent op het ambt, tegenwoordig meer op de persoon. Deze constatering alleen al roept het nodige op bij mijn afzonderlijk geïnterviewde gesprekspartners. Beiden hebben de nodige ervaring in het kerkenwerk. Drs. M.H. Baan (1944), gepensioneerd docent godsdienst, is reeds 34 jaar lid van de kerkenraad in Middelharnis, terwijl drs. G. van Roekel (1962) al ruim twintig jaar predikant is. Hoewel zij in velerlei vergaderwerk tot op synodaal niveau hun sporen hebben verdiend, beschouwen zij het pastoraat als een van hun kerntaken.

Zowel Baan als Van Roekel ziet het huisbezoek als zeer verantwoordelijk werk, dat niet in eigen kracht kan worden gedaan. De hulp en leiding van de Heilige Geest zijn onmisbaar. Beiden willen onderscheiden tussen vorm en inhoud, waarbij de een de lijnen wat strakker trekt dan de ander.

Terugkomend op de constatering uit de inleiding. Vindt u dat een uerbetering?

Baan: ‘Huisbezoek afleggen doe je niet als gewoon gemeentelid, maar als ambtsdrager. Het bevestigingsformulier geeft aan dat de ambtsdrager door God is geoepen en aangesteld om de gemeente te leiden en te weiden. Het is gewenst dat een ambtsdrager bij het uitoefenen van zijn ambtelijk werk aan de kleding herkenbaar is. Dus ’s zondags in de kerkenraadsbank en in de week bij het huisezoek, zoals ook bijv. een politieagent in functie anders gekleed is dan wanneer hij privé optreedt.

Verder acht ik het noodzakelijk dat het jaarlijkse huisbezoek door twee broeders wordt afgelegd. Je kunt elkaar aanvullen en bij eventuele conflictsituaties is er een getuige bij de gesprekken geweest. Als de frequentie daardoor afneemt naar eens in de twee jaar, kan de ouderling in de tussentijd andere pastorale contacten lebben.’

Van Roekel: ‘De ontwikkelingen in de samenleving op kledinggebied en gezagsverhoudingen treden met enige vertraging ook op in de kerk. Ik zelf ga als ambtsdrager netjes gekleed. De kleding van een ambtsdrager is niet onbelangrijk, maar voor mij ondergeschikt. Zijn motivatie is veel belangrijker.

Wat de vorm betreft: laat iedere kerkenraad zoeken naar een vorm van huisbezoek die recht doet aan de situatie van de gemeente die aan zijn zorgen is toevertrouwd én recht doet aan het hoge doel van het huisbezoek. Het kan wenselijk zijn om in tweetal op huisbezoek te gaan en het is noodzakelijk bij zaken van ernstig vermaan en tucht. Ik neem in deze situaties als predikant ook een ouderling mee.’

GEEN SCHERPE SCHEIDSLIJN

Hoe beoordeelt u de toegenomen rol van vrouiuen in het pastoraat? Wat is het verschil tussen ambtelijfe huisbezoek (door mannen) en een pastoraal gesprek (door mannen en vrouwen) ?

Van Roekel: ‘Ik kan me goed vinden in de lijn die de synode van 2001 heeft uitgezet: broeders en zusters zijn samen, gestimuleerd door hen die van Christuswege gegeven zijn tot geestelijke leiding, geroepen hun gaven te besteden. Zo wordt met behulp van allerlei diensten het lichaam van Christus opgebouwd, ook in het pastoraat. De toegenomen rol van vrouwen daarin acht ik een goede zaak. In Bennekom-Oosterbeek kennen we bijvoorbeeld een steungroep die pastoraat en bijstand verleent aan gemeenteleden in psychosociale problemen. Voor het grootste deel bestaat die groep uit zusters die ook beroepsmatig de nodige deskundigheid op dit gebied hebben.

In algemene zin is te zeggen dat er vanuit de Schrift geen scherpe scheidslijn is aan te geven tussen gespecificeerde ambtelijke en niet-ambtelijke taken, afgezien van de ambtelijke volmacht in zaken van opzicht en tucht, de dienst der barmhartigheid en de dienst van het Woord. Dus veel aspecten gelden zowel het ambtelijk huisbezoek als een pastoraal gesprek, met name een goede luisterhouding. Ik pleit ervoor om ook bij een pastoraal gesprek te bidden met het gemeentelid. Laten we beseffen dat in beide gevallen God tegenwoordig is.

Toch zijn er wel wat verschillen, zoals het gegeven dat de ambtsdrager gezonden is door de Here, opdracht en volmacht ontvangt om dit werk te doen en verantwoording schuldig is aan de Here. Verder zal de inhoud meer gericht zijn op de persoonlijke relatie met God en bijvoorbeeld het heilig avondmaal. Ook vermaan en tucht kunnen onderdeel uitmaken van een huisbezoek.’

Baan: ‘Ik wil volstaan met op te merken dat op synodaal niveau is uitgesproken dat er vanuit de Schrift geen plaats is voor de vrouw in het ambt. Tegelijk mogen vrouwen in de gemeente vele taken vervullen, zoals bezoekwerk bij bijvoorbeeld bejaarden, alleenstaanden, eenzamen en zieken. Dergelijke bezoeken mogen geen opstap vormen naar vrouwelijke ambtsdragers, maar er kunnen wel gezegende pastorale gesprekken uit voortvloeien. Bovendien kan bepaalde informatie weer dienstbaar zijn aan het huisbezoek.’

HARTENBEZOEK

In de afgelopen 50 jaar is de inhoud van het huisbezoek nogal geiuijzigd. Vroeger veel vragen rond heilstoe-eigening, nu meer vragen over christelijke levensstijl en vragen over culturele ontwikkelingen (echtscheiding, prenatale screening, homojilie, leuenseinde). Hoe beoordeelt u deze verandering?

Baan: ‘Huisbezoek dient hartenbezoek, zielsbezoek te zijn met als kernvraag of wij al wedergeboren zijn. De oude uitdrukking “eens geboren is gewis verloren” geldt toch ook nog in 2011? Daarom moet er in de eerste plaats gesproken worden over het ene nodige voor leven en sterven: is er kennis aan het borgwerk van Christus? Wie is de Here persoonlijk voor ons? Verder is het belangrijk dat mensen Gods heiligheid beseffen. Wij mogen vertrouwelijk met God omgaan, maar Hij mag niet voorgesteld worden alsof Hij ons vriendje is.

Er is alle reden om op actuele vragen in te gaan, maar dit kan in een apart gesprek. Vooral onze jongeren komen met meer vragen in aanraking dan wij ouderen vroeger. Hierbij kan en hoeft de ambtsdrager niet altijd een afdoende antwoord gereed te hebben. Hij moet wel kunnen verwijzen naar goede literatuur en betrouwbare hulpverleningsinstanties.

Het zou een zegen zijn als in de gezinnen meer over geestelijke en actuele vragen gesproken zou worden. Ik denk hierbij aan thema’s als de vrucht op de prediking, geloofsbeleving, levensstijl, vragen rond internet, sport, muziek, huwelijk. Luther noemde het gezin immers een “kerkje in de Kerk”.’

Van Roekel: ‘Er is stellig sprake van een ontwikkeling. Toch was ook vroeger het huisbezoek breder dan alleen de vraag naar de persoonlijke relatie met God. Als het goed is zal ook nu de vraag naar het persoonlijke geloofsleven een duidelijke plaats hebben in het huisbezoek.

Laat het huisbezoek vooral niet volgens een vooropgezet stramien verlopen. Het gesprekskarakter vereist dat de ambtsdrager zich in oprechte belangstelling openstelt voor hen die hij bezoekt en naar hen wil luisteren. Dan kan er veel aan de orde komen. De ambtsdrager van zijn kant zal dan altijd weer gesprekspunten inorengen die hij vanuit zijn roeping aan de orde hoort te stellen, zoals de persoonlijke omgang met God, de vrucht op de prediking en de relatie met de gemeente. Over het algemeen spreken jongeren makkelijker over geloofszaken dan ouderen. Dit betekent echter niet zonder meer dat oprecht geloof aanwezig respectievelijk afwezig zou zijn.

Bij beiden moet over het Bijbelse Godsbeeld gesproken worden, dus over zijn loom en straf, zijn liefde en vergeving.’

TWEEëRLEI

In onze kerken is een verscheidenheid, die onder meer tot uiting komt in al dan niet, of meer of minder separerende prediking. Op welke wijze komt deze verscheidenheid uit in het pastoraat?

Baan: ‘Het uitgangspunt is dat wij allen in Adam gelijk zijn en dat in de gemeente tweeërlei verbondskinderen zitten. Dit dient zowel in de prediking als op het huisbezoek in de eerste plaats aan de orde te komen.

Wat de overige zaken betreft moeten we elkaar in de gemeente verdragen en elkaar ruimte geven in gebondenheid aan Gods Woord. Deze verscheidenheid laat iets zien van de veelkleurige bediening van de Heilige Geest. Verscheidenheid in ondergeschikte zaken mag nimmer leiden tot scheiding of scheuring in de gemeente. Ik denk hierbij aan zaken als Bijbelvertaling, psalmberijming, al dan niet ritmisch zingen.

Van Roekel: ‘Er is verscheidenheid onder de leden van de gemeente. Blijkens bijv. Ezechiel 34 kunnen schapen ziek, gewond of afgedwaald zijn. Het is goed om daar als ambtsdrager oog voor te hebben om van daaruit de gemeenteleden door het Woord geestelijk verder te brengen. Soms is daarbij scherpte noodzakelijk. Ook Jezus ontmaskert huichelaars. Maar onterechte vrees voor het oordeel moet worden weggenomen. Altijd moet de ambtsdrager uitgaan van wat men met de mond belijdt en wat het leven niet weerspreekt. De Here ziet het hart aan.’

VERMANEN

Pastoraat betekent uertroosting en vermaning. De huidige gemeenteleden willen zeker uertroost ruorden, maar willen zij ook nog vermaand worden?

Van Roekel: ‘Niemand zit op een vermanend gesprek te wachten. Toch kan daar Bijbels gezien reden toe zijn. Te denken valt aan onjuiste geloofsopvattingen, gebrek aan meeleven met de gemeente, levensheiliging, carrièrejacht. De ambtsdrager heeft zijn roeping dan ook te onderkennen.’

Baan: ‘De vraag is niet of gemeenteleden nog vermaand willen worden. Zij móeten vermaand worden door ambtsdragers die - om het oude bevestigingsformulier te eiteren - “naarstig hebben toe te zien of een iegelijk zich behoorlijk gedraagt in belijdenis en wandel”. Als wij ons echt stellen voor de spiegel van Gods wet, beseffen wij dat we Gods gramschap dubbel waardig zijn. Vooral degenen die in onbekeerdheid voortleven moeten indringend en in liefdevolle bewogenheid vermaand en opgeroepen worden tot geloof en bekering.’

ROEIEN?

Wijlen prof.J.P. Versteeg heeft eens gezegd dat ambtsdragers niet alles zelf moeten doen maar de gemeenteleden dienen toe te rusten. Hij gebruikte het beeld van de gemeente als gondel en als roeiboot. De gemeente is geen gondel, waarin de gondelier zelf de motor en de stuurman is en waarbij de leden passief zijn. De gemeente is wel een roeiboot waarin de leden de roeiers zijn en de ambtsdrager slechts de stuurman. Wordt deze uisie thans voldoende in praktijk gebracht?

Baan: ‘Het beeld van de roeiboot of de gondel vind ik niet zo gelukkig. Het lijkt er dan op dat ambtsdragers afhankelijk zijn van de wil van de roeiers (de gemeenteleden). Het lijkt mij beter dat ambtsdragers samen met de gemeenteleden mee roeien in het gemeenteschip onder biddend opzien tot de Heere en het sturen in de door Gods Woord gewenste en bevolen rich ting. Verder zijn de ambtsdragers de herders die voor de kudde uitgaan om deze in grazige weiden te leiden.’

Van Roekel: ‘Ook voor mij is het de vraag of deze beeiden helemaal recht doen aan de Bijbelse gegevens over gemeente en ambt. Toerusting is zeker een taak van ambtsdragers, maar niet de enige. Een ambtsdrager is niet alleen stimulator en toeruster, maar ook herder en opzichter. Ik denk dat in vooruitstrevende gemeenten het eerste en in behoudende gemeenten het tweede aspect meer op de voorgrond staat.

Wel is het beeld van de gemeente als roeiboot veel Bijbelser dan het beeld van de gemeente als gondel. ledere gelovige is immers geroepen zijn of haar gaven te besteden tot opbouw van het lichaam van Christus (HC v/a 55).

Ondertussen ken ik geen enkele gemeente in ons kerkverband waar de gemeente zo fimctioneert. De praktijk van ons gemeente-zijn is blijkbaar weerbarstig. Gemeenteleden willen zich niet inzetten of komen hun toezeggingen niet na. Vooral in grote gemeenten is er veel organisatorisch overleg nodig. Soms denk ik zelfs dat naarmate in een gemeente meer taken worden gedelegeerd de positie van bepaalde ambtsdragers (predikanten, leiding gevende ouderlingen) alleen maar sterker wordt. Het geestelijk leiderschap zoals beschreven door Bill Hybels kan mij niet bekoren. In een gereformeerde kerkstructuur bepaalt de kerkenraad als geheel het beleid.’

OFFERS

Zijn ambtsdragers (nog) in staat die toerusting te geven?

Baan: ‘Als de Here roept, mogen wij vertrouwen dat Hij ook de bekwaamheid zal geven. Laat dit een gebedszaak zijn! Dit sluit de verantwoordelijkheid van de ambtsdrager niet uit om voldoende tijd in te ruimen voor zijn toerusting en de middelen te gebruiken die dienstbaar zijn voor zijn ambtsuitoefening. Denk onder andere aan Schriftverklaringen, prekenbundels, Ambtelijk Contact en (ambtsdragers)conferenties. Overigens moet ik helaas constateren dat nieuwe hermeneutische inzichten ook als het gaat om de toerusting voor meer verwijdering in ons kerkverband zorgen. Verder is het in tweetal op huisbezoek gaan ook een goede toerusting, met name voor pas beginnende ambtsdragers, evenals een innoudelijke bespreking van het huisbezoek op de kerkenraadsvergaderingen.’

Van Roekel: ‘Of ambtsdragers voldoende zijn toegerust kan ik moeilijk overzien. Belangrijker is of zij voldoende gemotiveerd zijn. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat globaal gesproken ambtsdragers vroeger een sterker roepings besef hadden en daar ook de consequenties uit trokken voor bijvoorbeeld hun tijdsbesteding, studiezin en toewijding aan hun taken. Ik erken dat de eisen van verk en gezin bij jongere ambtsdragers een grotere rol spelen. Maar van jongeren ne zeker ook van ouderen mag offerbereidheid gevraagd worden in tijd en geld (door bijvoorbeeld af te zien van promotie op het werk) ter wille van de dienst aan Christus.’

Het kerkgebouw van Amersfoort, waar decennia lang de conferenties werden gehouden.

Het kertegebouw van Nijkerk, waar de laatste jaren de conferenties worden gehouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.