+ Meer informatie

Een ontboezeming

5 minuten leestijd

Het is al enige tijd geleden, dat een lezer van ons blad één en ander schreef naar aanleiding van een artikel in dit blad. In zijn laatste brief vertelde hij, dat de Heere hem reeds vroeg riep en lust gaf Zijn Woord en de geschriften onzer vaderen naast onze belijdenisschriften te onderzoeken.

De leeslust tot het enige nodige bleef hem bij, hoewel hij nu de 80 reeds gepasseerd is. Hij mag door Gods genade zich hierin nog vermaken, niet tot strijdlust, want - zo schrijft hij - we blijven ook na rijk ontvangen genade zondaars, die elke dag als eenmaal Jozua bij de profeet Zacharia met vuile klederen staan. Het laatste gedeelte van zijn brief laten we hier volgen:

De weldaden, die de levendgemaakte Kerk toevloeien, ook in de toeleidende wegen, zijn alleen uit en naar het welbehagen van God de Vader. Dat is vandaag geen gemakkelijke opgave dit te prediken en hoort men wel klanken die Socinus en Arminius benaderen. Ja, het ambtelijk werk is en blijft een gewichtige en moeilijke taak.

Een voorrecht is het als we dan naast de zondaar mogen gaan staan en er niet boven, en iets mogen bezitten van de liefde en toegenegenheid van de apostel Paulus, verterende onder Zijn dienst.

Dan raken we ook wat voorzichtig met al de nieuwigheden in ons kerkelijk leven, waar veelal verbetering bij verandering ontbreekt, al geldt dit niet altijd principiële zaken; waarbij de vraag rijst, waar gaan we heen? ook ziende naast ons.

Zelden ontmoet men nog een mens die in zijn ongeluk is gezet, waar toch het innerlijk werk begint. Volle avondmaaltafels zouden dit niet doen vermoeden. Hoewel oog en hart hebbende voor het kleinste in de genade, wordt men vaak geschuwd. Hopende dat deze ontboezeming u niet ergert, verblijft hij uw toegenegen heilwensende broeder.

Tot zover onze lezer.

We kunnen hem begrijpen. Wat hij schrijft leeft bij vele anderen. Daarom namen we dit gedeelte van zijn brief over.

Ons blad is tot stand gekomen uit de begeerte het pand te bewaren, dat de Heere ons heeft toebetrouwd.

Het kan niet ontkend worden, dat de tijd waarin we leven zeer ernstig is en vol gevaren om af te wijken van de rechte weg en genoeg te hebben aan een uitwendige godsdienstigheid. Dat velen eens bedrogen uitkomen is zeker. De Heere Jezus Zelf heeft er voor gewaarschuwd, bv. in de gelijkenis van de tien maagden. Vijf hunner bleven buiten, hoewel ze uitgegaan waren de bruidegom tegemoet. Het vermaan blijft gelden: strijdt om in te gaan. Wanneer we Gods Woord raadplegen vinden we voortdurend weer verval.

Het begon in de geschiedenis van Israël al, toen het volk enige jaren in Kanaan was. Het volk diende de Heere in de dagen van Jozua en de oudsten, die gezien hadden al dat grote werk des Heeren, dat Hij aan Israël gedaan had, maar daarna stond een geslacht op, dat de Heere niet kende, noch het werk dat Hij aan Israël gedaan had. Het volk verliet de Heere en diende de afgoden.

Zo is het doorgegaan.

Hoe menigmaal hebben de profeten moeten terugroepen tot de dienst des Heeren.

Het zijn er altijd maar weinigen geweest, die de Heere in waarheid gevreesd hebben.

In de dagen van de Heere Jezus was het niet anders. Toen was er geen afgodendienst, maar wel een leven in eigengerechtigheid en onverschilligheid en een roemen in uitwendige voorrechten. Er was voor Christus en Zijn leer geen plaats.

Daarmee is onze tijd te vergelijken. Het is niet al Israël wat Israël genaamd wordt. Het gaat om het geestelijke zaad van Abraham. Daarom is het zo gevaarlijk, wanneer iemand zo gemakkelijk en lichtvaardig tot rust komt voor de eeuwigheid, of in de dodelijke rust blijft. Het is geen vanzelfsheid, wanneer een zondaar behouden wordt, maar een wonder van Gods ontfermende liefde. En dat wordt uitgewerkt in het hart naar Gods welbehagen. Dan komt er een roemen in Gods vrije gunst. Het gaat om het zaligmakende werk van Gods Heilige Geest. Zonder deze arbeid kan er veel schijn zijn, maar het wezen ontbreekt en dat kan niet worden gemist.

Dat is zeer onderscheiden van alles, wat de mens inwendig onvernieuwd laat.

De Heere Jezus sprak ook van twee bouwers. De één was spoedig klaar. Hij bouwde zijn huis op het zand. Dat huis viel toen de slagregen kwam en de waterstromen en de winden. De ander was niet zo spoedig gereed. Hij zocht een vaste grond en bouwde op een steenrots. Dat huis hield stand toen de slagregen en de waterstromen en de winden kwamen.

De Heere moge ons bewaren voor zelfbedrog en geve aan al Zijn knechten getrouwheid om het kostelijke van het snode te scheiden. We eindigen met een aanhaling uit I Cor. 3 : 9-14:

Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij. Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwe. Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.

En indien iemand op dit fundament bouwt goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen, eens iegelijks werk zal openbaar worden, want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen. Zo iemands werk verbrand zal worden, die zal schade lijden, maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.