+ Meer informatie

1 Bijbelse gegevens over de diaken

14 minuten leestijd

Het is niet eenvoudig vanuit het N.T. aan te tonen hoe het tot de ons bekende driedeling van het ambt van dienaar des woords, ouderling en diaken gekomen is. Wij treffen gegevens aan welke we als verschillende punten in de ontwikkeling kunnen beschouwen. De verbinding tussen die punten zijn a.h.w. stippellijnen, waarmee we onze vermoedens onder woorden brengen. Tot een duidelijk en definitief: zó is het gegaan en zó heeft het zich ontwikkeld, kunnen we niet komen.

Daar komt bij dat het nog moeilijker is om het specifieke van het diakenambt te omschrijven. Met name na de Eerste Wereldoorlog heeft men daarover zeer uiteenlopende gedachten naar voren gebracht. Natuurlijk staat deze bezinning niet los van de ontwikkeling in onze samenleving noch van de uitgebreide en veelvuldige hulpverlening, waardoor het tegenwoordig maatschappelijk leven gekenmerkt wordt.

De verhouding van de ambten, hun samenhang en onderscheid, de relatie van ambt en gemeente, en de vraag of het in het diakonaat speciaal om het betoon van barmhartigheid gaat, zijn daarbij brandende kwesties. We zullen trachten in deze veelheid van gedachten vanuit de Heilige Schrift enige ordening te brengen.

Apostel en Oudste

We kunnen niet het juiste zicht op het ambt krijgen als we niet uitgaan van de Here Jezus Christus als de grote Ambtsdrager. Met name in het Evangelie naar Johannes lezen we telkens weer van Zijn gezonden zijn door de Vader (5 : 24, 30, 37). Met deze zending is tegelijk een opdracht gegeven, in verband waarmee de Here Jezus in Johannes 17 : 4 zegt, dat Hij het werk voleindigd heeft, dat de Vader Hem te doen gegeven had. De inhoud van Zijn dienst kunnen we omschrijven met de woorden: „Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed” (Johannes 10: 10). Hij is gekomen niet om gediend te worden maar om te dienen (Marcus 10 : 45). Zo is Zijn ambt dienst geweest.

Christus heeft in Zijn werk ambtsdragers aangesteld. Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelis en als herders en leraars (Efeze 4 : 4).

Nu is het duidelijk dat Christus geen oudsten of diakenen heeft aangesteld. Hij heeft apos elen gekozen. Voor hen geldt het criterium uit Handelingen 1:21 en 22, dat zij oog- en oorgetuigen zijn geweest vanaf de dag dat Jezus is uit- en ingegaan, te beginnen met de doop van Johannes tot de dag dat Hij is opgenomen. Deze apostelen hebben als oog- en oorgetuigen van de daden en woorden van de Here Jezus Christus een unieke plaats ontvangen. Zij zijn de onmisbare schakel tussen Christus en de kerk uit la ere jaren. Zij heten ook wel het fundament en hun namen staan op de fundamenten van het nieuwe Jeruzalem (Openbaring 21 : 14). Deze apostelen zijn aan de gemeente gegeven om de heiligen toe te rusten ot dienstbetoon en tot de opbouw van het lichaam van Christus (Efeze 4: 12). Zij hadden de leiding over het gemeenteleven, zoals blijkt uit Handelingen 5:2 en 6:2. Zij hadden de opdracht om het Evangelie te prediken (Mattheus 28 : 19). Daarbij zullen hen vergezellen de tekenen van het Koninkrijk der Hemelen (Marcus 17 : 17, 18).

De apostelen hebben daarbij de autoriteit van hun Zender (Mattheus 10: 14). Zij kunnen dit ambt alleen vervullen in de gezindheid van Christus „Wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn en wie onder u de eerste wil zijn zal een slaaf zijn; gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Mattheus

20 : 26-28. Zie ook Filippenzen 2 : -9).

Paulus heeft op zijn reizen oudsten aangesteld (Handelingen 14 : 23; 20 : 17, 28), terwijl uit 1:2 en 21 : 18 blijkt dat er naast de apostelen in Jeruzalem ook oudsten waren. Paulus gebiedt aan Titus van stad tot stad oudsten aan te stellen (Titus 1 : 5). Opvallend is dat ook de apostelen Petrus en Johannes zichzelf de naam van oudsten geven (1 Petrus 5 : 1 en 2, 3 Johannes : 1).

Wanneer we overzien welke de taken van de oudsten zijn, komen we tot het volgende. Zij nemen de gaven in ontvangst, welke door de gemeente te Antiochië aan de verarmde broeders in Judea gezonden werden (Handelingen 11 : 29, 30). Zij vergaderen met de apostelen en nemen beslissingen inzake leer en leven (Handelingen 15:2, 4, 6, 22 en 23). Deze besluiten worden mede uit naam van de oudsten doorgegeven aan de Christenen in Klein-Azië (Handelingen 16 : 4). Zij ontvangen Paulus, die verslag uitbrengt van zijn werk en zij verzoeken Paulus met het oog op de rust in de gemeente zich met enkele mannen te heiligen (Handelingen 21 : 18 en 23). Zij moeten regeren (1 Timotheus 5 : 17) en de kudde Gods weiden (1 Petrus 5 : 2). Opvallend is in dit schriftgedeelte de overeenkomst met de opdracht welke Petrus ontvangt van de opgestane Christus (Johannes

21 : 15-17). Juist in dit verband noemt Petrus zich mede-oudste. Zij moeten naar de zieken gaan, voor hen bidden en hen zalven (Jacobus 5 : 15).

Aan deze oudsten is dus de leiding van de gemeente toevertrouwd in de breedste zin van het woord.

De term opzieners

Daarnaast komen we in het N.T. het woord opziener tegen. Uit enkele teksten blijkt overduidelijk dat de opzieners ook oudsten heten. Paulus ontbiedt de oudsten van Efeze naar Milete en noemt hen in zijn toespraak ook opzieners over de kudde Gods (Handelingen 20 : 17 en 28). In Titus 1 :5 spreekt Paulus over oudsten, terwijl hij blijkens het verband over deze zelfde mensen en over hun vereisten voor het ambt handelend, hen opzieners noemt (Titus 1 : 5 en 7).

Uit vergelijking van 1 Timotheus 3 : 1-4 met Titus 1 : 7-9 blijkt, dat aan opzieners en oudsten dezelfde eisen gesteld worden. In 1 Timotheus 5 : 17 noemt Paulus onder de oudsten hen speciaal, die zich belasten met prediking en onderricht. Uit dit overzicht is wel duidelijk dat de apostelen aanvankelijk taken vervulden die later op de oudsten zijn overgedragen. Dit blijkt niet het minst daaruit, dat Petrus en Johannes zich zelf oudsten noemden. De apostelen namen aanvankelijk zelf het geld van de verkoop van goederen in ontvangst, terwijl later de opbrengst van de collecten aan de oudsten werd afgedragen.

Het ambt van apostel is uniek, onherhaalbaar en niet-overdraagbaar. Dat komt voort uit de heilshistorische plaats van de apostel. Hij is oor- en ooggetuige. Een deel van hun taak droegen de apostelen echter al spoedig over op anderen. We zouden het wellicht nog beter zou kunnen zeggen: Zij hebben anderen mee betrokken in het ambtelijke werk. Met het oog op de verzorging van de gemeente en de regering van de kerk en vooral in verband met de uitbreiding en de toekomst van de kerk was dit dringend noodzakelijk. Het apostelambt waaiert uit in verschillende taken, waarvoor aparte ambtsdragers worden aangesteld. Deze heten aanvankelijk alleen oudsten en treden op als beheerders van het huis Gods (Titus 1 : 7).

Terloops zij erop gewezen, dat de gemeente bij de verkiezing van ambtsdragers betrokken wordt. Petrus’ toespraak om de ledige plaats van Judas te vervullen wordt gehouden temidden van 120 mensen (Handelingen 1 : 15). De discipelen worden bijeengeroepen om de zeven mannen voor het bedienen van de tafels te kiezen (Handelingen 6 : 5). De broeders worden naast de apostelen genoemd als degenen die vernemen dat de heidenen het Woord Gods aannamen (Handelingen 11:1). Paulus en Barnabas brengen verslag uit over hun wedervaren op de eerste zendingsreis aan de gemeente te Antiochië (Handelingen 14:27), zoals hij dat in Jeruzalem aan de oudsten doet (21 : 18). Uit dit verslag aan de gemeente wordt het aannemelijk, dat ook de gemeente betrokken is geweest bij hun uitzending (13 : 1-3). Zo zit er aan het ambt een dubbel aspect. Het komt rechtstreeks van Christus en het wordt ontvangen via de apostelen en de reeds gekozen ambsdragers in samenwerking met de gemeente. Het ambt is door Christus ingesteld en aan de kerk gegeven.

Het diakenambt

Wanneer we nu over het diakenambt gaan spreken komt de zaak veel moeilijker te liggen. Over het algemeen dacht men dat de instelling van het diakenambt in Handelingen 6 te vinden was. Dit is echter op goede gronden bestreden. Enkele argumenten uit de brede discussie mogen genoemd worden: Stefanus en Filippus doen veel meer Evangelisatiewerk, terwijl Filippus in 21:8 nog de Evangelist genoemd wordt. Na hoofdstuk 6 is er geen sprake meer van de diaken. We lezen wel in Handelingen dat de oudsten worden aangewezen, maar, de diakenen worden niet genoemd. Wanneer hun ambt bekend zou zijn geweest, zouden zij toch zeker de opbrengst van de collecte in ontvangst genomen moeten hebben. Maar de oudsten vormen het adres waar de opbrengst afgedragen wordt (11 : 31). Bovendien hebben de zeven mannen in Handelingen 6 ook niet speciaal de naam van diaken gekregen. Stellig heeft hun arbeid een diakonaal karakter gedragen. Maar het lijkt ons onjuist te menen dat deze zaak althans in Jeruzalem van tijdelijke aard is geweest.

Het valt op dat de term diaken en het daarvan afgeleide Griekse werkwoord een inhoud heeft, die stellig veel breeder is dan wat wij onder het specifieke diakenambt verstaan. Christus is gekomen om te dienen (Marcus 10:45). In het algemeen heet het werk in de gemeente een dienst (1 Petrus 1 : 12; 4: 10, 11). Paulus noemt zijn apostelambt dienst of bediening (Handelingen 21:9; Romeinen 11 : 13; 15 : 31; 2 Corinthe 4 : 1; 5 : 18; 6 : 3). Ook het werk van Timotheus wordt met die naam aangeduid (1 Timotheus 4 : 6), evenals dat van Tichicus (Efeze 6:21; Colossenzen 4:7) en dat van Epafras (Col. 1 : 7). Ook het werk van een evangelist wordt dienst genoemd (2 Timotheus 4 : 5). De verzorging met stoffelijke gaven (buiten het speciale ambt van diaken) wordt ook met het griekse woord dienst aangeduid (2 Corinthe 8 : 4; 9 : 1, 12 en 13).

Daarnaast komen we in Corinthe 12 een iets minder ruim gebruik van het woord dienst en bediening tegen. Paulus spreekt daar over verscheidenheid in bedieningen en werkingen. We zullen hierbij hebben te denken aan gaven van de Heilige Geest met het oog op bepaalde diensten, welke in en aan de gemeente verricht worden (1 Corinthe 12 : 4-11, zie ook Romeinen 12 : 6-8).

Er zijn twee plaatsen waar we van de diaken in de specifiek ambtelijke betekenis van het woord melding gemaakt vinden: 1 Timotheus 3 : 8 en Filippenzen 1 : 1. waar ze naast de opzieners genoemd worden. De tekst uit het bevestigingsformulier voor diakenen Romeinen 12:8 ,,Wie mededeelt in eenvoud” behoeft nietop het speciale ambt te zien, terwijl het ook de vraag is of hier stoffelijke gaven worden uitgedeeld. Het zouden evengoed geestelijke gaven kunnen zijn.

Uit Filippenzen 1 : 1 is niets af te leiden voor het speciale van het diakenambt. De veronderstelling is geuit dat de diakenen apart naast de opzieners genoemd worden, omdat zij gaven verzameld zouden hebben, die aan Paulus in zijn gevangenschap gezonden zouden zijn. Hiervan is echter niets met zekerheid bekend. We kunnen op grond van 1 Timotheus 3:8-13 in verband met de diakenen enkele dingen vaststellen: allereerst ontbreekt bij hen de eis van bekwaamheid om te vermanen en te wederleggen, zoals die aan de opzieners gesteld wordt (1 Timotheus 3 : 2 en Titus 1 : 9). Zowel van opzieners als van diakenen wordt verwacht dat ze hun huis goed kunnen besturen (1 Timotheus 3:4 en 12). Diakenen mogen niet op winstbejag uit zijn (1 Timotheus 3 : 8); ook de opzieners mogen niet geldzuchtig zijn (1 Timotheus 3 : 3), noch op oneerlijke winst uit zijn (Titus 1 : 7). Van de diakenen wordt gevraagd dat ze niet met twee tongen spreken (1 Timotheus 3 : 8). Deze eis kan erop wijzen, dat de diakenen veel in de huizen komen en met de mensen spreken moeten, maar — zo kunnen we vragen — geldt dat van de oudsten en opzieners, die de kudde moeten weiden, niet evenzeer?

Handelingen 6

Wanneer we nog een ogenblik stil staan bij Handelingen 6, valt op, dat het werk van de zeven mannen bestaat in het bedienen van de tafelen. Daarbij kan gedacht worden aan het verdelen van gaven in natura, die voor de liefdemaaltijden werden meegebracht. Aan zulke maaltijden werd de gemeenschap der heiligen gesmaakt. Tegelijk voorzag men zo in de behoefte der armen. Zo werd het geven een liefdedienst, die de gemeenschap der heiligen concretiseerde. Zoals we zagen wordt dit werk in Handelingen verder niet apart genoemd. We kunnen het zeker zien als het diakonaal aspect van de taak der apostelen en van het ambt in de gemeente van Christus. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat wanneer er later van diakenen als speciale ambtsdragers gesproken wordt, deze broeders onder meer dit werk hebben verricht.

Nog enkele schriftgegevens

Men zou ook nog kunnen denken aan de werkzaamheden, welke in 1 Timotheus 5 : 1-16 genoemd worden: kinderen groot brengen, gastvrijheid bewijzen, de voeten der heiligen wassen, verdrukten ondersteunen en alle goed werk behartigen. Het gaat hier over vrouwen, die men waarschijnlijk assistenten van de diakenen zou kunnen noemen. Het is uit dat schriftgedeelte niet duidelijk of deze vrouwen ook het ambt in de gemeente bekleedden. In elk geval blijken deze werkzaamheden nauw samen te hangen met het diakonaat.

Deze werkzaamheden kunnen in verband gezien worden met de barmhartigheid van onze Here Jezus Christus. Daarvan worden in Mattheus 25 : 35 en 36 enkele duidelijke voorbeelden gegeven: te eten en te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken. „Voorwaar Ik zeg u voorzover gij dit aan een van mijn minste broeders gedaan hebt, hebt gij het Mij gedaan (Mattheus 25 : 40). In dit licht zullen we ook moeten lezen de vermaningen tot weldadigheid en mededeelzaamheid (Hebreeën 13 : 16); een praktisch en prachtig voorbeeld daarvan is de collecte voor de gemeente in Jeruzalem (2 Corinthe 8 : 4 en Romeinen 15 : 26).

Uit dit alles volgt dus stellig, dat de dienst van het diakonaat breder is danenkel het verzorgen van de armen. Het is hulp bieden en barmhartigheid bewijzen aan de behoeftigen.

Er is nog een aspect, dat besproken moet worden. Het is aan te nemen dat de diakenen ook een taak hebben bij het opbouwen en in standhouden, bewaren en beschermen van de gemeenschap. Immers blijkt uit Efeze 4:12 dat de ambtsdragers gegeven zijn om toe te rusten tot dienstbetoon, tot de opbouw van het lichaam van Christus. Hierachter ligt de gedachte dat de gelovigen elkaar hebben te dienen. Daartoe moet het ambt hen stimuleren. Het is ook opvallend, dat het diakonaal aspect van het apostelambt naar voren treedt als de beoefening van de gemeenschap der heiligen gestoord wordt.

De gemeenschap is een vaak voorkomende grootheid in de brieven. Van de gemeenschap aan Jezus Christus (1 Corinthe 1 : 9) gaat het naar de gemeenschap der apostelen „opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus” (1 Johannes 1 : 3). Vandaar komt het tot de gemeenschap met elkander „Indien wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet; maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar” (1 Johannes 1 : 6 en 7). Deze gemeenschap wordt zichtbaar aan de Avondmaalstafel (1 Corinthe 10 : 16 en 17). Karakteristiek voor de jonge gemeente was dan ook het volharden in de gemeenschap (Handelingen 2 : 42). Men zou dan ook kunnen zeggen, dat daar waar de gemeenschap bedreigd wordt of opgebouwd moet worden, de diakenen mede een taak te vervullen hebben. Hier zou men kunnen spreken van een behoefte, maar dan een behoefte welke er is aan gemeenschap.

Natuurlijk zal men dit niet uit elkaar mogen halen of tegen elkaar mogen uitspelen, alsof de ouderlingen hierin geen taak zouden hebben. Daar hun vermanen en onderwijzen hebben zij die wel degelijk. Maar de maatregelen, welke genomen moeten worden om te voorzien in de behoefte aan en de beleving van de gemeenschap liggen vooral op het terrein van de diakenen. Naarmate de gemeenschap meer beleefd wordt, zal ook het dienstbetoon onderling sterker zijn. Zo is de betoning van de ontferming van Christus aan de enkeling en voor de gemeenschap het karakteristieke van het diakonaat.

Dit overzicht maakt duidelijk dat er met het oog op de aard en de omvang van de werkzaamheden een functieverdeling heeft plaatsgevonden onder de ambtsdragers. Er moet echter sterke nadruk gelegd worden op de eenheid van de ambten en op de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. De eenheid der ambten — met praktische, doelgerichte, functionele verscheidenheid — staat meer in het middelpunt van de aandacht dan een eventueel wezenlijk onderscheid tussen de ambten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.