+ Meer informatie

Verkiezing van Ouderlingen en Diakenen II

Kerkregering IX

4 minuten leestijd

Nu is het voor iedereen duidelijk dat hier meteen de mogelijkheid van conflicten, wil men „kortsluitingen”, tussen kerkeraad en gemeente is gegeven. Het is onmogelijk om binnen het bestek van deze artikelen breed op deze kwestie in te gaan. Wij volstaan daarom met het volgende.

In onze Kerkorde, uitgave 1954, vinden we op bladzijde 90 v.v. een conceptregeling voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen. In art. 2 van dit concept lezen we: De Kerkeraad stelt in de maand … de stemgerechtigde leden in de gelegenheid om op de door hen ondertekende briefjes namen op te geven van broeders, die zij voor de dienst van het ouderlingschap of diakenschap geschikt achten. In de daarop volgende vergadering van de Kerkeraad wordt uit de opgegeven namen, waaraan de Kerkeraad zo nodig nog andere kan toevoegen, zowel voor de ouderlingen als voor de diakenen, een lijst van candidaten opgemaakt, waarop dubbel zoveel namen voorkomen als er vacaturen zijn, opdat de stemgerechtigde leden der gemeente het halve deel daarvan kunnen kiezen.

Volgens dit concept-artikel kan dus de gemeente namen opgeven voor de komende verkiezing. Welnu, het is de plicht van de kerkeraad met deze opgegeven namen ernstig rekening te houden, omdat het recht der verkiezing bij de gemeente berust. Dit is haar door God gegeven en mag door de kerkeraad niet gebagatelliseerd worden. Maar de kerkeraad mag, zo nodig, zoals het concept-artikel zegt, deze lijst met andere namen uitbreiden. En uit deze, aldus samengestelde groslijst, gaat de kerkeraad de candidaten kiezen die aan de gemeente ter verkiezing worden aangeboden.

Nu is het echter mogelijk, en het komt ook wel eens voor, dat de kerkeraad met de wensen der gemeente in het geheel geen rekening houdt, waardoor er grote verwarring in de gemeente kan ontstaan en soms metterdaad ontstaat. Hoe moet dan gehandeld worden? Ik wil vanwege het belang van deze zaak weergeven wat prof. dr. H. H. Kuyper eens schreef. Hij zegt: „De vraag zou alleen kunnen opkomen, of de gemeente aan deze candidatenlijst van den Kerkeraad in absoluten zin gebonden was. M.a.w. of de gemeente, indien de Kerkeraad haar een dubbelgetal aanbood, waarop geen namen voorkwamen, die de gemeente begeerde, dan toch gedwongen zou zijn volgens deze lijst te stemmen. Het antwoord op deze vraag kan niet moeilijk wezen voor wie het Gereformeerde beginsel heeft begrepen. Dat beginsel eischt, dat de Kerkeraad wel ene leidende maar geen dwingende macht bij de verkiezing zal uitoefenen en dat het kiesrecht ten slotte bij de gemeente zal berusten. Daaruit volgt van zelf, dat de Kerkeraad wel deze candidatenlijst kan voorstellen, maar de gemeente er nooit door gedwongen kan worden mannen te kiezen, die zij voor het ambt ongeschikt acht.

Zulke gevallen zullen, wanneer de Kerkeraad vóór het stellen van het dubbelgetal eerst de gemeente raadpleegt en met den wensch der gemeente rekening houdt, uiterst zeldzaam voorkomen. Maar indien ze onverhoopt zich mochten voordoen, omdat het inzicht van den Kerkeraad en dat der gemeente verschilt, dan is de weg van zelf aangewezen. De gemeente, saamkomende voor de verkiezing, verklaart dan mondeling of schriftelijk aan den Kerkeraad, dat zij ernstige bedenkingen heeft om uit deze candidatenlijst eene keuze te doen. Zij geeft deze redenen op. En de Kerkeraad, die de gemeente te dienen heeft bij dit werk, breidt òf de candidatenlijst uit, of neemt het dubbel(ge)tal terug. Het spreekt wel van zelf, dat dit middel alleen in de uiterste gevallen kan en mag toegepast worden. De eere der broeders, die de Kerkeraad voorstelde, moet ons lief zijn. Wie noodeloos zulk een stap der gemeente uitlokte en daardoor groote beroering in de gemeente teweeg bracht, zou zich wel schrikkelijk bezondigen tegen God. Maar, indien de Kerkeraad naar het oordeel der gemeente metterdaad de belangen der Kerk niet genoeg bij dit verkiezingswerk behartigd had, dan zou dit de eenige uitweg zijn, waardoor herstel van het recht der gemeente kon gevonden worden”. De verkiezing voor het ambt. Leiden, 1900, blz. 64 v. Ik voeg hieraan toe, dat ook prof. dr. H. Bouwman van hetzelfde gevoelen is, Geref. Kerkrecht, I, blz. 534. Wij sluiten ons hierbij gaarne aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.