+ Meer informatie

Hoe lief heb ik Uw Wet

12 minuten leestijd

CATECHISMUS

Zondag 34

Wet en dankbaarheid

De Wet staat in de Heilige Schrift op precies dezelfde plaats als de Wet hier in de Catechismus. Zij krijgt ten volle aandacht in het leven der dankbaarheid. De Wet begint niet bij het eerste gebod, maar bij de aanhef: Ik ben de HEERE, Uw God, Die u uit Egypteland uit het diensthuis heb uitgeleid.

Van de Wet in haar veroordelende kracht was sprake in Zondag 2.

Waaruit kent gij uw ellende? Uit de Wet Gods. Werpt Gods Geest licht op de Wet, dan krijgen we te doen met de dodende functie der Wet. Voor deze zijde der Wet is in onze dagen helaas weinig oog. Maar wat wil de wet? Zij wil met ons naar Christus toe.

Mijn geweten klaagt mij aan dat ik tegen al e geboden Gods zwaar lijk gezondigd heb en geen daarvan gehouden, en dat ik nog steeds tot alle boosheid geneigd ben. Aan de Wet lees ik af, dat mijn leven getrokken in Gods gericht, beneden alle peil is. Vastgelopen en veroordeeld. De Wet wordt mijn sterfbed. Ik ben door de Wet der Wet gestorven. Totdat de nevels opklaren, waar ik met mijn armzalig bestaan op Christus teruggeworpen wordt, die het einde, de vervulling der Wet is, voor ieder die gelooft. De massale overtreding van de Wet vereiste de ergste straf, die de enige Hogepriester, Jezus Christus voor Zijn rekening nam. Al wat de Wet van mij eist, krijgt, dank zij Christus, haar volledige bekomst. Is de Wet krachtloos om te verlossen, dan neemt Christus het woord: Zie Ik kom om Uw wil te doen o God!

Hier slaat voor Gods kind het uur van de bevrijding. Christus heeft ons verlost van de vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons.

Nu gaan we de wonderen zien, die in Gods Wet alom zich openbaren. Want als de Wet ons bij Christus heeft gebracht dan brengt Christus ons weer bij de Wet.

De lof der Wet

Eer wij spreken over de Wet, dienen we naar Gods spreken met betrekking tot Zijn Wet te luisteren. Toen Hij aan Israël op Sinaï Zijn heilige Wet gaf sprak God!

Het ontga ons niet dat Hij eerst iets over Zichzelf zegt.

Ik ben de HEERE Uw God. Dat zijn woorden van verbond en verbintenis. Een verbintenis die Hij vrijwillig en uit vrijmachtig welbehagen is aangegaan met Zijn volk. Zelf heeft Israël daar niets toe bijgedragen. Er niet eens naar verlangd.

Hoe zou dat ooit kunnen? Een volk geknecht en gekneveld in het slavenhuis van Egypte, dat staat voor dood en ondergang. Ten dage van haar geboorte lag zij vertreden in haar bloed (Ezechiël 16). Toen sprak de Heere God, Ik zag u. Ik vond u. Ik bemind u. Ik kwam met u in een verbond. Ik uw Bruidegom en gij Mijn Bruid.

De Heere Zelf gaf aan die liefde gestalte. Ik ben de HEERE uw God, Die U uit Egypteland uit het diensthuis heb uitgeleid. Zo heeft God met Israël gehandeld. Hij heeft eerst verlost en daarna bekend gemaakt wat goed is. Hij heeft eerst Zijn werk volbracht en daarna gehoorzaamheid gevraagd. Ze zijn eerst door de Rode Zee geleid en daarna in de weg der geboden.

Bezien in het licht van de dankbaarheid schaft God Zijn Wet niet af, maar schrijft Zijn Wet in het hart van Zijn verloste kinderen. Draagt u die blijde wetenschap in uw hart om, dat u van de vloek der wet verlost zijt, door Christus' dierbaar bloed, dan vloeit uit de liefde Gods, die u in uw verlossing ten deel viel, de lof der Wet voort. Voortaan heten Gods geboden gezangen, ter plaatse onzer vreemdelingschappen. Zo gaat de belofte voorop, maar deze belofte krijgt pas inhoud en gestalte in de kennis der ellende en in de wetenschap des geloofs daaruit verlost te zijn.

„De Wet dirigeert de blijde muziek van het dankbare leven en de tien geboden zijn bij wijze van spreken de notenbalken, waarop de heilige kunst en die hemelse muziek is getoonzet" (ds. G. H. Abma, Tien woorden ethiek).

Dit evangeüe vraagt geloof. Geloof dat wederbaart, dat Christus omhelst als de Vervuiler der Wet. Geloof dat werkt door de liefde.

Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde en Gode dienstbaar gemaakt zijnde hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven, (Romeinen 6 : 22).

Dan is de Wet geen harde Wet meer, maar een liefdeswet, waarin een kind van God z'n vermaak mag vinden. Het is geen ordereglement, maar onderdeel van Gods liefdesverklaring naar ons, en van ons naar de Heere. Beziet men zo de geboden, dan kan men wel zeg- gen dat zij boeien, maar dan niet als hand-of voetboeien, doch als de boeien, die het schip bij wrakken en mijnen vandaan houden. Zoals de Psalmist er door geboeid is, als hij zegt en zingt: , , Uw gebod is zeer wijd". Zo is het gebod de keerzijde van het Evangelie der genade en is zij zelf genade en gaan wij de wonderen zien die in Gods Wet alom zich openbaren. Daarom wordt er allereerst niet gesproken van tien geboden, maar van tien woorden. Woorden des levens, scheppend en heilzaam.

Nu zijn alle wetsproblemen niet van de baan, maar dank zij de aanhef en dank zij Christus, zijn we in het geloof van één ding zeker, namelijk dat God, die ons uit het ene diensthuis geleid heeft, nooit de bedoeling kan hebben, ons aan de hand van de Wet vervolgens weer een ander binnen te leiden.

„Wat zeggen u dan de woorden: , , Ik heb u uitgeleid”?

Antwoord: Ik heb u vrijgemaakt, van de dienstbaarheid des verderfs, om Mij te dienen en Mijn eigendom te zijn met lichaam en ziel, met alles wat ge hebt en zijt" (H. G. Kohlbrügge).

De liefde der Wet

Op het eerste horen heeft vraag 93 een ietwat zakelijke toonzetting.

Hoe worden deze tien geboden gedeeld? In twee tafelen. Maar dat wisten we toch al? Bij nader inzien steekt het antwoord dieper af en buigt het alles terug naar de Hoofdsom der Wet.

De liefde jegens God en de naaste. Deze liefde kan niet scheiden wat God samenvoegde. Er is een zogenaamde liefde tot de naaste, die het gebod Gods en de liefde tot Hem ten achter stelt. Waarbij men zo soepel met de naaste omgaat dat Gods geboden versimpelen. Bepaalde zonden die tegen Gods geboden ingaan worden toegedekt met , , de mantel der liefde". Met name als het onze allernaaste naaste geldt, onze kinderen bijvoorbeeld. Een Eli-achtige toegefelijkheid, waaruit geen liefde tot God spreekt.

Jezus’ liefdeswet staat hier haaks op. Wie vader of moeder, man of vrouw of kind liever heeft dan Mij is mijns niet waardig.

Liefde tot de naaste moet. Maar zij dient verworteld te blijven in de liefde tot de Heere en Zijn geboden.

Ook kan de zogenaamde , , lief de" tot God farizese, wettische vormen aannemen. Het heet „strijden voor Gods eer". Intussen veegt men de naaste van de kaart. Op de leerschool der liefde wordt ons de les ingescherpt dat nie­ mand kan zeggen God lief te hebben, als hij niet tevens de broeder liefheeft.

Gods Woord laat ons dienaangaande niet in het ongewisse. Zegt iemand ik heb God lief, en blijft hij staren op andermans zonden, toont hij niet de bereidheid tot vergeving, haat hij zijn broeder, dan is hij een leugenaar.

Beide tafelen der Wet zijn even zwaar. Maar vanuit de bevrijdende liefde worden zij voor ons tot Christus' zachte juk en lichte last.

De wandel naar Gods Wet

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben, zo luidt het eerste gebod der Wet. Er is een nauw verband tussen het eerste gebod (trouwens alle geboden) en het opschrift van de Wet Gods. Omdat Hij onze God is en reddend handelt, zullen wij andere goden loslaten en verlaten. Blijf dicht bij Uw Redder, blijft dicht bij Christus. Anders valt u gewis de afgoden in handen. Dat dit niet denkbeeldig is ziet u aan Israël. Hun wortelzonde was afhoereren met de afgoden.

De Heere kent Zijn volk wel. Het is me , , het volkje wel”.

Wij zijn in geen geval beter dan de Galaten, die zich lieten wegtoveren van de genade over de vernieuwde dienstbaarheid der Wet.

Wie er andere goden op nahoudt, is als een vrouw, die er andere mannen op nahoudt. Meestal blijft dat niet bij één. Calvijn zegt, dat het hart van de mens een werkplaats is waar vele afgoden gefabriceerd worden. De Bijbel zegt niet dat deze afgoden niet bestaan. Een zeker bestaan hebben zij wel, en maar al te werkelijk.

Maar het heilzame eerste gebod zegt, dat wij ze niet voor het aangezicht van deze God mogen hebben.

Eerst wordt allerlei negatiefs genoemd, concrete dingen die wij niet moeten doen. Men heeft het anders gauw te pakken, de afgoderij, de toverij, de waarzegging, het bijgeloof en de heiligenverering, zoals hier staat.

Dat is warempel nog geen ouderwetse taal. Allerlei goden doen een greep naar de mens. Vandaar de drukke klandizie van waarzeggers en astrologen en paranormaal begaafden, kwakzalvers en occultisten, waardoor - naar 't zeggen - ook het zich reformatorisch noemende volksdeel voor een deel mee laat slepen. Oefen maar zelfcontrole uit. En dan niet overwegen tussen , , ja" en , , nee". Weg die rommel. Mijden en vlieden, staat er.

En dat zo lief als mijner ziele zaligheid is. Men lette op dit felle, hartstochtelijke motief. Waarbij geen plaats wordt ingeruimd voor het gezapige burgerlijke christendom. U mag geust wat dichter bij huis blijven. Niet denken .toverij" dat loopt bij mij zo'n vaart niet. Het „Zwarte gat", daar luister ik niet naar.

Wacht even. Toverij zou dat ook niet zijn ls een mens woedend wordt, omdat hij God m iets vraagt en het niet als bij , , toverslag" ebeurt wèt hij vraagt?

En wat gaat er aan betovering uit van het etticisme, dat altijd meer wil doen dan eenoudig geloven?

En zou dat geen waarzeggerij zijn als we ons erschuilen voor God achter Bijbelteksten om an de eis van bekering en geloof te ontkoen? In onze tijd is de sport voor velen binnen e christelijke gemeente een tweede religie georden. Geldzucht gaat een machtige bekoing van uit. Mode maakt ons tot slaven en assa's zitten zowat dag en nacht aan de t.v. ekluisterd. Goed, goed zegt u, nu weten we et alweer.

Wist u het maar... Wie het weet breekt. En dan onze heilgenvierinkjes, die kinderen Gods of gevierde predikers in gulden lijsten zet. En og is er geen eind.

„Afgoderij naar de geestelijke zin der Wet is Gods genade verlaten en een andere heiligmaking najagen, dan die welk is in de Geest en het bloed van Christus" (Kohlbrügge).

„Een droog hout zal zo spoedig niet branden, wanneer een kool daaronder ligt, als het hart van de mens door afgoderij gegrepen en gevangen wordt, wanneer men het enig materiaal voorwerpt" (Calvijn).

De wandel naar Gods Wet, blijft hier niet steken in het negatieve. Het gaat om de liefde. De kennis van, het vertrouwen op, de ootmoed en de overgave, het van ganser harte liefhebben en van alles en allen afzien om de Heere alleen over te houden.

Let op het drie keer voorkomende alléén. Ik wil je alléén hebben zegt een man tegen zijn Vrouw. Je moet alleen van mij zijn zegt een Vrouw tegen haar man.

En zo staat midden in dit gebod der liefde Jezus Christus. Hij heeft er alles van terecht gebracht, opdat wij die, als we op onszelf zien er niets van terecht brengen, verzoend door Zijn Middelaarsbloed Hem zouden nawandelen.

Ik ken geen andere vervulling van dit heilig gebod dan in kennis van God en in vertrouwen op Hem, in onderwerping en verwachting, het beeld van Christus gelijkvormig worden. Achter Hem aan leren Zijn voetstappen te drukken. Opdat we steeds minder in onszelf zou­ den vinden en alles in Hem. Blijf dicht bij Mij zegt de Heere.

Het antwoord der liefde is: Het is mijn goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij Mijn God.

Wat is afgoderij?

De vraag sluit onmiddellijk aan bij het voorafgaande antwoord.

Afgoderij is iets of iemand in de plaats van God, of ook maar iets of iemand naast God hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt.

Afgoderij is de God en Vader van Jezus Christus helemaal niet of niet helemaal vertrouwen. Als God in mijn leven het niet meer voor de volle honderd procent doen mag, Gód mag zijn. En zou liefdeloosheid geen eerste klas afgoderij zijn?

Want als wij nu iets niet geleerd hebben bij de God, naar wie de liefde is genoemd, dan is het liefdeloosheid. Om het vertrouwen gaat het. Om dit vertrouwen dat ik niet kan geloven dat God bestaat, of ik moet ook geloven dat Hij voor mij bestaat, en voor ons instaat, zoals Jezus Christus voor ons heeft ingestaan. Zo gebiedt het eerste gebod niet het , , doen", „doen", , , doen" ook niet het , , niet doen", „niet doen”.

Zij beiden krijgen hun plaats. Maar door met zoveel nadruk over vertrouwen en liefde te spreken zingt hier in de Catechismus niets anders, dan wat wij in Zondag 7 onder het geloof hebben leren verstaan. Het gebod gebiedt ons te geloven in de belofte Ik ben de Heere uw God. Er gaat geen zweep meer over onze rug maar in hef de worden wij vermaand: Kinderkens bewaart uzelf van de afgoden. En gij zult zijn als een boom geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd.

K.a.Z.

H.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.