+ Meer informatie

Rondom het bejaardencentrum

15 minuten leestijd

Dit onderwerp zal wel in hoofdzaak onze brs. diakenen interesseren, hoewel het ook goed is dat onze brs. ouderlingen, die in een bejaardencentrum hun pastorale zorg uitoefenen, van de verhoudingen daarvan enigszins op de hoogte zijn.

Er zullen niet zoveel ambtsdragers — zeker diakenen niet — ervaring hebben van het zelf wonen in een bejaardentehuis. De schrijver van dit artikel heeft dat wel. Hij heeft het voorrecht — want dat is het — met zijn vrouw vier jaar te wonen in een tehuis en daar in alle verhoudingen te hebben ingeleefd.

Niet dat ik allerlei smeuïge verhalen vertellen wil van nieuwe ontdekkingen, die men opdoet als bewoner en die men als buitenstaander nimmer zo leert kennen. Om het wat paradoxaal te zeggen: een bejaardencentrum is een groot huis, waarin vele kleinigheden een grote rol spelen.

Waar het mij om te doen is ? U te laten zien dat er gemakkelijk knelpunten kunnen ontstaan in bepaalde verhoudingen, die dan weer hun invloed oefenen op de gang van zaken. En dan behoeft u niet te denken aan de sensationele verhalen, waarop wij van tijd tot tijd in de kranten verrast worden. Dat zijn gelukkig uitzonderingen en dan soms nog zeer eenzijdig en overdreven. Het kan echter zijn nut hebben, nu steeds meer diaconieën deelnemen in de oprichting en/of exploitatie van een bejaardencentrum, op enkele punten te wijzen.

Stichting of niet?

Het initiatief tot de bouw van een bejaardencentrum gaat meestal uit van de kerken door hun diaconieën of van de kerken zonder meer. Meestal van enkele kerken in combinatie.

Veelal wordt dan een stichting gevormd. Dit schijnt juridisch het meest gewenst te zijn. Bij de notariële oprichting van de stichting fungeren dan de reeds bestaande bestuursleden als participanten. Hierin schuilt het gevaar dat het bestuur als ,,stichting” een zekere alleenzeggenschap ontvangt, waarbij de kerkeraden aan directe invloed verliezen. In de statuten wordt dan wel bepaald dat het bestuur van de stichting financiëel verslag moet doen aan de betrokken kerken, alsmede hoeveel vertegenwoordigers elke deelnemende kerk zal hebben in het bestuur. Hier ligt het gevaar dat de directe invloed van de deelnemende kerken op het beleid, dat in het tehuis gevoerd wordt, zeer beperkt is. Er is, vooral bij moeilijke zaken, te weinig ruggespraak met de kerken terwijl het voor de kerken ook vaak te moeilijk is om de juiste visie op het beleid te hebben. Misschien is het mogelijk hier een soort tussen-orgaan op te bouwen, door een commissie van advies (wijze mannen, of welke benaming men ook kiezen wil). Deze commissie, die niet groot, maar wel deskundig en verstandig moet zijn, kan door de kerken benoemd worden. Het bestaan van een dergelijke commissie dient statutair vastgelegd te zijn. Het bestuur heeft de verplichting deze commissie op de hoogte te houden van het beleid en in moeilijke zaken haar advies te vragen. De commissie kan ook bemiddelen in conflictsituaties in de interne verhoudingen, waartoe zij het zelfstandig recht van onderzoek moet hebben. Het komt mij voor dat een dergelijke figuur, die uiteraard juridisch ingepast moet worden, een rem kan zijn voor het al te zelfstandig optreden van het stichtingsbestuur.

Verhouding overheidsorganen.

In dit artikel spreek ik niet over de verhouding tot de overheid in verband met garantie en subsidie, hoe belangrijk deze ook zijn voor de financiering van een tehuis. Dit is een hoofdstuk apart voor specialisten.

Allereerst denk ik aan de verhouding tot die overheidsorganen die plaatselijk belast zijn met de sociale dienst en dus ook met de uitvoering van de Algemene bijstandswet (A.B.W.). Het is een bekend verschijnsel van de laatste tijd bij de overheidsorganen te streven naar deconfessionalisering of ontzuiling van het verzorgingswerk. Een bejaardencentrum op confessionele grondslag zal bij zijn opnamebeleid rekening willen houden met de vraag of iemand, die begeert opgenomen te worden, in de sfeer van het tehuis past. Een sociale dienst, die plaats voor iemand zoekt, zal daarmede niet zo sterk rekening houden. Zij let meer op de urgentie van het geval. Aan de overheidsgarantie en subsidie is reeds voor een confessioneel (kerkelijk) tehuis de bepaling verbonden bij de opening van het tehuis een aantal personen op te nemen, die geen lid van de initiatiefnemende kerken zijn. Dit is geen bezwaar wanneer het eigen karakter van het tehuis maar bewaard blijft.

Het kan met het oog op dit waarschijnlijk in de toekomst nog verder gaan van de deconfessionalisering goed zijn, wanneer er in een burgerlijke gemeente meer tehuizen zijn, tot een soort contactorgaan te komen, waarin gestreefd wordt naar een bepaalde coördinatie van het opnamebeleid enz. en waarbij gezocht wordt naar waarborg van het eigen recht hierin binnen de wettelijke bepalingen. Men vormt dan, vanuit eigen grondslag, een éénheid tegenover de overheidsorganen. Op sommige plaatsen zal het goed en mogelijk zijn de overheid van meet aan in dit onderling contact te betrekken.

Een andere verhouding is die van het plaatselijk tehuis tegenover het provinciaal toezicht. Dit toezicht is in het leven geroepen toen misstanden enz. in bejaardenoorden aan het licht traden. Nu vallen alle particuliere bejaardenpensions onder dit toezicht. En deze niet alleen. Ook alle geen winst beögende inrichtingen, waartoe diaconieën of levensbeschouwelijke stichtingen of verenigingen het initiatief namen, vallen onder dit toezicht. Dit toezicht staat onder supervisie van gedeputeerde staten van elke provincie. Naar mijn ervaring is dit toezicht zeer actief.

Behalve controle over begroting, exploitatie-rekening, pensionprijs enz. is er ook toezicht op de dagelijkse gang van zaken in een tehuis. Het toezicht gaat ook over het personeelsbestand en de wettelijke bevoegdheden daarvan; verzorging en voeding van de bewoners. Soms wordt een bezoek gebracht bij de bewoners voor directe informatie. Ook kunnen de bewoners, wanneer zij menen dat daartoe gegronde reden is, zich rechtstreeks tot deze dienst wenden.

Volgens de daarvoor gestelde regels eist het provinciaal toezicht dat bij bejaarden-centra, die geen winst beogen, ontvangen legaten, giften enz., in de exploitatie worden opgenomen. Met het oog op deze bepaling hebben sommige besturen van een tehuis een afzonderlijke stichting in het leven geroepen onder de naam: „Vrienden van ……… (volgt de naam van het tehuis). Het is dan mogelijk uit giften, legaten enz. een fonds te vormen, waaruit bepaalde voorzieningen, die in het belang van de bewoners zijn, kunnen worden bekostigd. Ook hier gaat het dus om het behouden van bepaalde eigen rechten van het bestuur ten goede van het huis.

Dit kan ook op ander gebied zich voor doen. Een voorbeeld: een bepaling eist dat in een tehuis enkele T.V.-toestellen ten gebruike van de bewoners aanwezig zijn. Nu zijn er kerkgemeenschappen in ons land, die bejaardencentra stichten maar die er bezwaar tegen hebben T.V. ter beschikking van de bewoners te stellen. Men moet dan de vrijheid hebben niet aan deze bepaling te voldoen. Hier is een grens voor het toezicht.

Vooral strikt kerkelijke inrichtingen moeten hun vrijheid in deze en dergelijke punten behouden. Hier gaat het in principe om de vrijheid van de kerken inclusief de diaconieën.

Gesticht of woon- en leefgemeenschap ? Tot in het begin van deze eeuw werden bejaarden, die daarvoor in aanmerking kwamen, samengebracht in een oudeliedentehuis, verzorgingshuis of hoe het verder genoemd werd. Zulke huizen droegen het karakter van een gesticht. Zij, die daarin opgenomen werden, verloren geheel hun zelfstandigheid. Zij werden van het huis uniform gekleed en waren aan strenge regels onderworpen, brachten op grote slaapzalen de nacht door en hadden hun grote dagverblijven. Het privé leven dat men gekend had, werd geheel tenietgedaan, soms op krenkende wijze. Naar hun mening werd niet gevraagd, er werd zonder hen, over hen en voor hen beslist. Wie wel eens het ontroerende verhaal over „Het diakenhuismannetje” in de „Camera obscura” van Beets gelezen heeft, kan er zich een voorstelling van maken. Aan dit verleden is de taaie mening te danken, dat wie in een bejaardencentrum zijn intrede doet, al zijn vrijheid kwijt is. Zo was het, zo is het thans niet meer.

Men wordt nu opgenomen, althans in de meeste gevallen, in een woon- en leefgemeenschap. Men heeft zijn eigen appartement en is daar vrij en kan daarbuiten deelnemen aan een gevariëerde gemeenschap, die vol prettige ervaringen kan zijn.

De laatste tijd is het zó dat men ook geen gemeenschappelijke maaltijden meer heeft maar de maaltijd op zijn kamer ontvangt. Dit verhoogt de vrijheid en geeft economisch gezien tijd- en werkbesparing en is dus voordeliger.

In een dergelijke gemeenschap moeten natuurlijk regels zijn waaraan ieder, met behoud van bepaalde vrijheden, zich dient te houden, anders kan men geen gemeenschap vormen.

Zijn de verhoudingen goed dan kan aan de bewoners op bepaalde wijze inspraak gegeven worden en worden op basis van gelijkheid voorstellen of mededelingen gedaan.

Dat voor de wijze, waarop dit verloopt, veel afhangt van de instelling van bestuur en directie spreekt wel vanzelf, alsook van de soepelheid van de bewoners.

Bij zware invaliditeit of ernstige ziekte wordt men opgenomen in de ziekenafdeling. Dit geeft enerzijds aan de bewoner het prettige gevoel in bijzondere omstandigheden opgevangen te worden en het vergemakkelijkt anderzijds voor het tehuis de verzorging. In heel bijzondere gevallen kan het nodig zijn dat men in één of andere inrichting van andere aard opgenomen dient te worden.

De Bewoners-commissie

Het is nog niet zo lang geleden dat in de nieuwsmedia allerlei verhalen de ronde deden over ongewenste toestanden in tehuizen voor bejaardenverzorging. Het had soms wel iets van griezelverhalen. Er moge dan in deze berichtgeving veel eenzijdigheid en veralgemening geweest zijn, er was toch blijkbaar wel iets van waar.

Mede als gevolg van dit alles is tweeërlei tot stand gekomen. Ten eerste is er een provinciale inspectie tot stand gekomen, waarover eerder in dit artikel reeds iets gezegd is. Elk tehuis, waarin meer dan vijf bejaarden verzorgd worden, valt onder deze inspectie. Dat dit een omvangrijke zaak is blijkt als men weet dat b.v. alleen in de provincie Gelderland tussen de 350 – 400 tehuizen zijn, die onder deze inspectie vallen, particulierezowel als tehuizen van verenigingen of kerken.

Een tweede zaak die tot stand gekomen is, naar aanleiding van al de verhalen over het monddood maken van bewoners van een bejaardencentrum, is de instelling van een bewoners-commissie in elk tehuis. De wet stelt de noodzaak dat in elk tehuis met meer dan 20 bewoners zulk een commissie tot stand dient te komen en dat deze gelegenheid moet hebben te kunnen functioneren. Eerst kwam deze zaak niet zo vlot van de grond. Vele besturen en directies voelden er niet veel voor. Nu is in ongeveer alle bejaardencentra, en zeker in de nieuwere, de zaak rond. Deze commissies uit verschillende tehuizen, b.v. in Apeldoorn, zoeken ook contact met elkaar.

Dat de provinciale inspectie aan deze zaak ook alle aandacht geeft blijkt uit het feit dat de inspectie Gelderland nog weer nieuwe richtlijnen verstrekt heefr. voor het tot stand komen en functioneren van een bewonerscommissie.

De commissie dient gekozen te worden door en uit de bewoners. Het aantal leden variëert naar de grote en indeling van het bejaardencentrum. Bij de meeste tehuizen zijn ook groepen bejaardenwoningen, die een onderdeel van het geheel vormen en meer of minder met het tehuis verbonden bestaan en bewoond worden. Het zal goed zijn ook een vertegenwoordiging uit deze groep in de commissie op te nemen. Het gaat er vooral om dat de commissie een vertegenwoordigend karakter draagt. Het aantal dames-leden zal meestal het grootst zijn omdat in bijna alle tehuizen de heren een kleine minderheid vormen. Dat er op de vergaderingen van de commissie daardoor wel eens meer gepraat wordt dan nodig is, kan moeilijk voorkomen worden. Maar dit tussen haakjes. Gezellig is het wel !

Is de commissie gekozen dan worden de functies onderling verdeeld.

Het algemeen karakter van de commissie is dat het een contact-orgaan is. Contact tussen bewoners, bestuur en directie is gezien de aard van het tehuis als gemeenschap noodzakelijk. Het contact zal uiteraard wederkerig dienen te zijn.

Er kan verschil bestaan over de uitgebreidheid en de taken van de commissie. Moet b.v. het recreatieve element in het tehuis door de commissie of door de directie verzorgd worden ? De opvatting daaromtrent is ongelijk. Wel zal altijd overleg nodig zijn.

Ook wanneer in een groter tehuis een ,,huis-orgaan”, b.v. 1 x per maand, uitgegeven wordt, dient men te bepalen wie de verantwoordelijkheid daarvoor draagt en hoe de financiering zal zijn. Ook dient vastgesteld dat de commissie vergadert zonder aanwezigheid van directie of bestuur. Is contact nodig dan kan dit wederzijds gevraagd worden.

Dat wederkerigheid tot goed overleg hier zeer veel betekent is duidelijk. Wanneer er de wederkerige bereidheid is naar elkaar te luisteren en samen het wezenlijk belang van het tehuis te dienen kan dit wederkerig veel voldoening geven. Dat dit gezocht dient te worden moet onder christenen vaststaan. Dan kan er ook eerlijke kritiek op elkaar zijn.

Tenslotte nog de opmerking dat in verband met het democratisch karakter van de commissie er de nodige wisseling dient te zijn. Meestal is deze er al door een natuurlijk verloop en anderzijds is een rooster van aftreden en niet herkiesbaar zijn nodig.

De sfeer in huis.

Tenslotte nog een enkele opmerking over wat ik de sfeer in huis noem. Niet dat deze van ondergeschikte betekenis is, integendeel. Zij maakt voor het overgrote deel de al of niet geslaagdheid van een samenleving uit. Daarbij: zij is een tere zaak. Wanneer er een goede sfeer in een tehuis heerst is het een weldaad, ja, een zegen.

Is de sfeer verstoord, zij is niet gemakkelijk te hervinden. Daarom zal men aandacht moeten hebben voor de factoren, die de sfeer verstoren kunnen. Uiteraard is hier van grote betekenis de instelling van de directie en de leiding, die daarvan uitgaat. Toch kan de directie de sfeer niet maken. De wijze waarop de bewoners ingesteld zijn op hun verkeren in het tehuis is van beslissende betekenis.

Er zijn mensen, die geneigd zijn elke dag zich af te vragen waarin het verkeer in en de situatie van het tehuis verschilt van hun vroegere leven. Het verleden wordt steeds meer geïdealiseerd en het heden van daar uit bezien. Natuurlijk is er verschil tussen verleden en heden maar is daar geen leiding Gods in ? Wie altijd bij dit verschil leeft zoekt heel vaak bij anderen steun voor zijn visie of probeert anderen zijn kijk op te dringen. Een dergelijke instelling brengt mee dat men zich isoleert en alles kritisch beziet. Men aanvaardt dan zijn deel in de gemeenschap niet en kan niet goed hebben dat anderen dit wel doen. Uit een dergelijke instelling kan één of andere ziekte voortvloeien. (Voorbeelden zijn daarvan). Begeleidende pastorale zorg kan hier veel betekenen.

Het is een zegen voor de betrokkenen zelf en er gaat iets van uit voor anderen, wanneer men zijn leven en weg in het licht des Heren mag zien en dankbaar kan en mag zijn voor wat men in een tehuis met anderen geniet.

Prettige mensen zijn zij, die ook in hun ouderdom hun humor niet verliezen en daarvan iets op anderen kunnen overdragen. Men behoeft geen grappenmaker te wezen — dat kan vervelen — om toch geestig te zijn en humor te kennen. Humor en geestelijke ernst vormen geen tegenstelling. Het samengaan van deze twee kan voortkomen uit diepe geestelijke vreugde.

Iets anders: in een tehuis is meestal ook kerkelijke verscheidenheid. Kan men elkaar daarin aanvaarden en benaderen of kan men elkander alleen maar met kritische ogen zien ? Elk tehuis heeft ook — door de wettelijke verplichting daartoe — niet-kerkelijke bewoners. Hoe zij, die kerkelijk zijn, dezen zien en omgekeerd is van grote betekenis. Ook hieraan dient de pastorale zorg aandacht te schenken. Christenen kunnen het zout in de gemeenschap brengen.

Van betekenis voor de sfeer is ook hoe de directie zich instelt op de viering van de zondag. Zij kan en mag een feestelijke tint hebben en toch vol rust zijn. Elk tehuis dient op de kerken, die bij de oprichting betrokken zijn, kerktelefonisch aangesloten te zijn. Natuurlijk moet er in overleg met de bewonerscommissie een orde van aansluiting gemaakt worden, die van tijd tot tijd wisselen kan. Over het algemeen wordt de aansluiting op een kerkdienst zeer gewaardeerd.

Een christelijk tehuis zal gelegenheid zoeken om ook gezamenlijk te kunnen luisteren naar Gods Woord, samen te bidden en te zingen. Een goede gelegenheid daartoe kan een z.g.n. „weeksluiting” bieden (in ons tehuis elke vrijdagavond om zeven uur). Verschillende predikanten van de plaatselijke kerken kunnen daarin een overdenking houden.

Mijn ervaring is dat ook de avondmaalsviering, voor hen, die deze niet in eigen kerk kunnen meemaken, van grote betekenis en tot zegen kan zijn. Het is goed dat de kerkelijke bepalingen bij art. 63 K.O. daarvoor ruimte hebben gemaakt. Eén kerk bedient dan in een samenkomst, die het karakter van een kerkdienst draagt, en waarbij ambtsdragers aanwezig zijn, het avondmaal. Leden van andere kerken, die in eigen kerk het recht hebben avondmaal te vieren, kunnen als gasten daaraan deelnemen.

Een financiëel besluit.

Het schijnt wel erg zakelijk een artikel als bovenstaand te besluiten met een financiële (leken)beschouwing. Maar dit” raakt ook een belangrijk stuk van het leven in een bejaardencentrum. Vooral voor hen die dit zelf moeten bekostigen is dit niet gemakkelijk. De enorme investeringen, die voor een tehuis gedaan worden, het onderhoud, het personeelsbestand, met al hoger wordende lonen, (overigens van harte gegund voor hun goede zorgen) de voortgaande inflatie enz. enz., brengen al hoger wordende pensionprijzen mee. Steeds meer bewoners moeten overschakelen op de A.B.W. En aangezien de A.B.W .-verzorging geen eigen bronnen van inkomsten heeft, drukt dit zwaar op de algemene lasten van de staat.

Zij, die zelf hun pensionkosten betalen, konden tot voor kort deze voor geen enkel deel opvoeren als aftrekpost op hun belastingaangifte.

Daar school een onbillijkheid in omreden een deel van het bedrag bestemd was voor hulp bij ouderdomsgebreken enz. Eigenlijk ziektekosten, die anders wel een aftrekpost vormen.

Door een arrest van de Hoge Raad is daarin nu verandering gekomen. Een bepaald percentage van het pensionbedrag kan nu als aftrekpost in aanmerking komen. Blijkbaar — althans zo is mijn ervaring in ons tehuis — treedt de inspectie van de belastingen in overleg met de administratie van het tehuis, welk percentage voor aftrek in aanmerking komt. Het kan goed zijn dat de brs. diakenen dat weten. Trouwens de belastinggids voor 1974 kan u over deze zaak ook inlichten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.