+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

10

Met een lofzang tot eer van de Heere heeft Christinne het huis van Welbehagen verlaten. En dat met al haar volgelingen. Gelijk als de weduwe en haar kinderen heeft Barmhartigheid ook het getuigenis van Gods gunst en goedkeuring ontvangen in haar hart. Gesterkt in het geloof en verblijd in de Heere wordt dus de reis voortgezet vanuit de onberouwelijke keus, die steeds levendiger werd. Nu was er aan de andere zijde van de muur, die langs het pad liep dat Christinne en haar reisgenoten moesten volgen, een tuin, die aan de eigenaar van de daar straks genoemde hond behoorde.

Van enkele vruchtbomen in die tuin hingen de takken over de muur, en als de vruchten rijp waren, werden zij door de voorbijgangers soms geplukt en gegeten zeer tot hun nadeel. Ook Christinne’s zonen werden, zoals het met knapen dikwijls gaat, door het gezicht der vruchten bekoord, en zo vingen zij om het hardst aan er van te eten. Wel werden zij door hun moeder hierover berispt, maar de jongens zetten toch hun werk voort.

„Mijn kinderen”, zeide zij, „gij doet hieraan groot kwaad, want die vruchten zijn niet van ons”. Zij had er geen flauw vermoeden van, dat die vruchtbomen de vijand toebehoorden, anders, dat verzeker ik u, zou zij bijna van angst zijn omgekomen.

Door niet te leven bij de waakzaamheid van de bedachtzaamheid des geloofs doet men dingen, waarin men de ernst der verantwoordelijkheid niet goed beseft. Het gehele gezelschap, dat hier langs de muur optrekt naarde stad, die hen dierbaar werd, leeft bij het genot dat bij het komen door de poort gesmaakt mocht worden.

Heeft men enkele dagen mogen delen in het genot der zaligheid, dan denkt men onwillekeurig alle gevaren en bezwaren te boven te zijn. Maar de verdrukking blijft en de verzoekingen komen steeds meer op ons af. De vijand verliest ons echt niet uit het oog en daarom hebben wij ons oog des te meer te vestigen op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs.

Thans echter gingen zij verder, doch zij hadden nog geen paar honderd schreden afgelegd, of twee mannen met een zeer ongunstig voorkomen kwamen hen naar het scheen opzettelijk tegemoet.

Het gevaar kruipt hen na langs de muur, treedt hen tegemoet op de weg en draagt men bij zich in zijn verdorven bestaan, in de onzalige fontein, die daaruit opwelt.

Terstond bedekten Christinne en Barmhartigheid zich het gelaat met de sluier en zetten zo de tocht voort, terwijl de knapen voor hen uitliepen. Eindelijk konden zij hen niet langer uit de weg gaan en nu drongen die mannen vooruit op de vrouwen af, juist alsof zij hen wilden omarmen. Maar Christinne zeide: „Terug, of laat ons met vrede! „

Maar zij deden alsof er niets gezegd werd, en trachtten de vrouwen te grijpen, waarop Christinne, in woede ontstoken, hen met de voet afweerde. Ook Barmhartigheid deed wat zij kon om hen af te weren, en Christinne riep de booswichten nog eens toe haar met vrede te laten, want zeide zij: „Wij hebben geen geld te verliezen, daar wij, zoals gij ziet, slechts pelgrims zijn die afhankelijk zijn van de liefdadigheid van onze vrienden”.

„Wel”, zei toen één der beide aanvallers, „hot is ons niet te doen om uw geld, maar wij komen alleen om een geringe gunst van u te verzoeken, en dan zullen wij u rijk maken en aanzienlijk”.

Een ware beproeving waaraan zij niet gedacht en waarop zij niet gerekend hadden tot beveiliging. En toch is het ons vanuit de Schrift bekend, dat op de heerlijkste tijden gewoonlijk de zwaarste beproevingen volgen.

Maar nu Christinne duidelijk hun bedoeling begon te begrijpen, antwoordde zij: „Wij zijn in het minst niet van plan om naar u te luisteren of te doen wat gij verlangt. Wij hebben haast, de zaak die wij op het oog hebben, is een zaak van het hoogste gewicht en betekent voor ons dood of leven! „ En nu deden zij opnieuw een krachtige poging om voorbij te komen. Maar alle inspanning was tevergeefs. „Wij hebben het niet op uw leven gemunt, maar wensen iets geheel anders”, herhaalden de mannen.

Van redeneren is hier geen sprake. Er zijn maar twee wegen, het is dood of leven, voor of tegen, en dat is de kracht, die ons sterk doet staan in de beproeving. Het toegeven aan de verleiding des vieses betekent eeuwig verderf. Zolang het oog maar gevestigd is en gevestigd blijft op het doel der zaak, heeft de vijand geen kans iets te bereiken. Men komt er in de grond van de zaak steeds sterker tegenover te staan.

„Ja”, riep Christinne uit, „gij zoudt ons willen verderven naar lichaam en ziel, dat is uw toeleg, maar wij willen liever hier op deze plaats omkomen dan onze zaligheid op het spel zetten door zo grote zonde te plegen”. En nu begonnen beide vrouwen luid te roepen: „Moord! moord! „ En zo stelden zij zich onder bescherming van die wetten, die gegeven zijn om de vrouw te beschermen en te beveiligen. Maar de mannen drongen maar steeds op hen aan om hen geweld aan te doen, zodat zij uit alle macht schreeuwden. Het was als het ware een alarmgeschrei om hulp van boven.

Daar zij niet ver van de poort waren, waar zij doorgegaan waren, werd hun hulpgeschrei daar vernomen, en nu kwamen enigen, die daar woonden, en Christinne’s stem herkennende, snelden zij toe om hen te ontzetten. Doch vóór zij dichtbij gekomen waren, verkeerden de vrouwen in groot gevaar en de kinderen stonden te schreien. Op hetzelfde ogenblik riep hij, die was gekomen om hulp te bieden, de booswichten toe: „Wat vermeet gij u te doen? Zoudt gij des Heeren volk willen dwingen om te zondigen?”

Tevens deed hij een poging om hen te grijpen, maar zij ontsnapten over de muur in de tuin des eigenaars van de grote hond, zodat die hond hen nu kon beschermen.

Gelukkig, de vijand is beschaamd. Hij had er vast op gerekend zijn doel te bereiken, want naar hetgeen ons vermeld zal worden, kwam hij alles op alles te zetten.

In deze zware beproeving ging het om de oprechtheid van de keus de Heere te dienen met een rein gemoed. Daar kan in het hart door verachtering in de genade een zekere toegeeflijkheid ontstaan tegenover de zonde. Een zonde, die, wat dan nog verborgen is voor de mensen, door ons gestreeld wordt. En dat heeft menigeen al in een beproeving als deze doen bezwijken. Wat van buitenaf tot ons komt, is niet zo erg, als de zaak van binnenuit maar gezond is tegenover de Heere.

Wat dunkt u, zou het niet noodzakelijk en profijtelijk zijn voor ons innerlijk leven gedurig de vernieuwing van de keus te zoeken in de dierbare werkingen van de Heilige Geest? Maar al te weinig wordt gelet op de gesteldheid van het innerlijke leven des geloofs, en of het wel zuiver werkzaam is door de liefde tot de Heere en Zijn dienst, tot wasdom van het geestelijke leven. Niet, dat wij het enkel met de oprechtheid van de keus staande kunnen houden tegenover het verderf der zonde. Maar vanuit die oprechtheid wordt de hulp des Heeren ingeroepen, want in Hem is onze overwinning.

„De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid; allen die ze doen, hebben goed verstand, Zijn lof bestaat in eeuwigheid”. En vanuit dat beginsel werd de hulp des Heeren ingeroepen.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.