+ Meer informatie

UIT DE KERKELIJKE PERS

8 minuten leestijd

In „De Wekker" (Orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland) gaat ds. J. H. Velema te Nunspeet in op een snerpende vraag.

„En als de Here Jezus nu eens niet was opgestaan... Als nu alles wat in de Bijbel staat over de opstanding niet waar is in de zin zoals ons dat altijd is bijgebracht: een dode is levend geworden... Als we dat nu alles heel anders moeten opvatten dan de kerk der eeuwen dat altijd heeft gedaan nl. zo dat opstanding betekent dat Jezus nog voortleeft in de gedachten van Zijn volgelingen of dat de eigenlijke opstanding niet 's morgens maar 's avonds heeft plaats gehad toen nl. de discipelen weer nieuwe levensmoed en levenskracht kregen...

Als nu alle theologen, gepromoveerd aan welke universiteit ook, ons duidelijk maken dat die hele opstanding maar een stuk volkstheologie is, een hardnekkig idee dat de mensen niet uit het hoofd is te praten, maar dat zij als theologen heus wel beter weten en heel geruisloos hun gedachten laten doorsijpelen zodat na zeg twintig à vijfentwintig jaar ook de gewone kerkmensen het weten, en dat hele geloof in lichamelijke verrijzenis van Christus een beslist achterhaalde zaak is... Als het nu eens niet waar zou zijn wat in de hof van Arimathea gebeurd is: die neerdalende engel, die aardbeving, die weggewentelde steen, die engelenboodschap, dat lege graf, die ontmoeting van de vrouwen, van Petrus, van de Emmaüsgangers, van de discipelen met die levende Heiland...

Snerpende vraag, vindt u niet? Of bent u al zo afgestompt dat u die vraag niet als een dolksteek voelt en bent u al zo gewoon aan het omverstoten van fundamentele leerstukken — de maagdelijke geboorte van Christus staat immers ook al op de tocht? — dat u het niet vreemd meer vindt dat nu de opstanding aan de beurt is? Maar dan is het toch wel zaak om op dit Paasfeest op te schrikken en er geen twijfel over te laten bestaan dat hier meer aan de orde is dan een verkalkt leerstuk opruimen als verouderd en der verdwijning nabij.

(...)

Christus' opstanding is geen randopmerking, geen toevallige gebeurtenis, die niet wezenlijk zou functioneren in de prediking. Neen, de prediking staat en valt met de opstanding van Christus. De prediking is de "gekruiste en opgestane Christus spreken of het is helemaal geen prediking. En ieder, die niet gelooft in deze verrezen Christus en toch de brutaliteit heeft om een kansel te beklimmen en iets durft te zeggen wat preek moet heten, zou zo eerlijk moeten zijn om te zeggen: ik heb geen boodschap en ik heb de gemeente niets te vertellen".

Uit een artikel in „De Waarheidsvriend"' (wekelijks orgaan van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk) van ds. W. van Gorsel over het Paasfeest in de Oude kerk het volgende:

„De Paasdagen komen weer in zicht en voor ons is het allemaal heel gewoon: na zes of zeven lijdenszondagen wordt het Goede Vrijdag en vervolgens zijn er twee kerkdiensten op de Eerste, en in verreweg de meeste gemeenten ook nog een dienst op de Tweede Paasdag, en dan is alles weer voorbij. Maar voor de Oude Kerk was dat allemaal niet zo vanzelfsprekend, integendeel, over de Paasdatum en trouwens over de hele Paastijd en de viering van Pasen is strijd gevoerd in de eerste eeuwen van de Christelijke Kerk.

Pas in de tweede eeuw na Christus ontstond de gewoonte Pasen en Pinksteren te vieren. Dat waren geen feestdagen, zoals bij ons, maar hele feestperioden. Aanvankelijk duurde de Paastijd ruim een week, van de zondag vóór Pasen (Palmzondag) tot de maandag erna. Deze zogenaamde lijdensweek was het hoogtepunt van het kerkelijk jaar. Die ene week werd later uitgebreid tot zes of zeven weken, die ook wel de 40-dagentijd werd genoemd.

(...)

Daar het Paasfeest langzamerhand werd beschouwd als het grootste en hoogste van alle christelijke feesten ging men zich hoe langer hoe meer op de viering ervan voorbereiden. Dat geschiedde vooral door vasten, eerste vrijwillig, later verplicht. Het begon met een vasten dat slechts veertig uur duurde, ongeveer de tijd waarin het lichaam van de Heere Jezus in het graf zou hebben gelegen. Dat vasten werd later uitgebreid tot de hele week voorafgaande aan het Paasfeest, nog later tot de hele 40-dagentijd.

(...)

De accenten in de prediking lagen in de Oude Kerk wat anders dan bij ons. Tijdens de lijdensweken staat in de prediking bij ons centraal de Man van smarten Die het kruis heeft gedragen en schande veracht. Dat was ook wel zo in de Oude Kerk, maar men zag toch de lijdenstijd als voorbereiding voor het Paasfeest, zodat ook in de lijdensprediking reeds iets naar voren kwam van de triomf van Christus over dood en graf. Met andere woorden: het Priesterlijke en het Koninklijke element gingen in de 40-dagentijd samen.

De zondagen ná Pasen, waarop wij zo graag preken en horen over de verschijningen van de Opgestane Christus en over de betekenis van de opstanding, stonden in de Oude Kerk in het teken van Pinksteren, Die tijd werd ook de Pinkstertijd genoemd. Vandaar dat het in de Oude Kerk vaak gewoonte was op deze zondagen de stof te kiezen uit de Handelingen der Apostelen. Zo kan de methode en het accént verschillend zijn, als de grondtoon maar gelijk blijft: „De Heere is waarlijk opgestaan". Want zonder dat is de prediking ijdel!"

In „De Reformatie" (weekblad tot ontwikkeling van het Gereformeerde leven — vrijgemaakt) schreef L. Doekes een hoofdartikel onder de titel „De Paaskracht van Christus".

„Hij is opgestaan — dat blijft de levende inhoud van de trouwe evangelie-prediking tot de jongste dag. Maar welke kracht heeft dit evangelie in onze stervende wereld, die wanhopig en vergeefs worstelt om te ontkomen aan de knellende greep van de dood? Christus heeft door zijn opstanding de dood overwonnen — wat is het merkbare effect van Pasen? De jaarlijkse viering daarvan in de christelijke traditie mag dan de kalender nog markéren, en een spoor blijven trekken door de historie tot in de twintigste eeuw. Maar welke verlossingskracht kan er uitgaan van de verkondiging van het Paasevangelie in Cambodja en San Salvador, in Ethiopië en Somalië, om maar enkele namen te noemen uit al de ellende die van dag tot dag in deze tijd onze aandacht vraagt? En waar blijft de opstandingskracht van Christus in onze westerse consumptie-maatschappij, in ons Nederlandse volksleven, in de politieke en economische spanning van deze tijd?

Met deze vragen kunnen wij niet volstaan. Want het Paasevangelie wijst ons ook op de leugenmacht van Satan, die zelfs in Jeruzalem en overal in de wereld het Joodse volk instigeert tot vijandig verzet tegen de heilsboodschap van de opstanding. Het lege graf bij Golgotha mag zijn pelgrims trekken, maar het overgrote deel van het moderne Israël weigert hardnekkig te geloven in Gods Zoon, die in Jeruzalem als de Verlosser is opgestaan. En het zijn niet alleen Joden, die het evangelie van Pasen verwerpen, en daarom een synagoge van Satan worden genoemd. De macht van de vijand laat zich ook gelden tot binnen de kerk van Christus.

(...)

Het heeft er veel van dat de Paaskracht van Gods Zoon niet op kan tegen de macht der verzoeking, waardoor zoveel kerkleden, jong en oud, worden geïnfecteerd en meegesleept. Maar het Paasevangelie leert ons Christus' opstanding te geloven als een vaste grond, een zeker pand van onze zalige opstanding".

Uit „Onze vaan" (Mededelingenblad voor kerk en verenigingen in de Ned. Herv. Gemeente te Katwijk aan Zee en omgeving) iets uit de meditatie van ds. H. Visser:

„Over wie zult u het hebben of Pasen? Ook over Hem, net als Maria? Over wie hebt u het toch zeggen ze dan. Waarom ben je niet wat vrolijker waarom kijk je niet wat blijer. Misschien schijnt de zon wel op Pasen. Dan kijken de mensen anders. De natuur begint op te leven, de mensen ook. Ik begrijp je niet zeggen uw vrienden, uw man, uw vrouw, uw kinderen wellicht.

Maar als het Pasen is en alles is in de dood, dan kunt u niet blij zijn. Ze hebben mijn Heere weggenomen. Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste. Ik kan Hem niet missen al ben ik Hen kwijt. Mijn Liefste is blank en rood er Hij draagt de banier boven tienduizend. Ik kan niet meer leven uit wat il meegemaakt heb.

Geef mij Jezus of ik sterf. Buiten Jezus is geen leven. Als ze kon dan zou ze Jezus wegdragen. Die Maria toch, Het kan niet, het hoeft ook niet. Want de hemelse Hovenier draait het om. Ik zal u opnemen en u dragen en u redden. Nu wordt het weer Jezus en Maria Magdalena. Jezus spreekt en onderwijl zwijgt Hij in Zijn liefde, over al haar dwaasheid, over al haar ongeloof, over al haar zonden. Die is Hij immers zojuist wezen begraven. Die heeft Hij toen Hij op stond, in zijn graf achtergelaten. Op Pasen geeft Hij het recht om te zingen:

De schuld uws volks hebt G' uit Uw boek gedaan. Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan.

Dat spreekt Hij uit in slechts, dit ene woord: Maria!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.