+ Meer informatie

Uitzien en wachten

6 minuten leestijd

Een grote breuk ligt er tussen God en onze ziel. Vandaar is er ook een sterke overeenkomst tussen de omstandigheden, waarvan Micha 7 spreekt en waarin wij verkeren. Voor het laatste horen wij de profeet hier over de diepe verdorvenheid spreken. De oogst is ingehaald — doch geen enkele vrucht. Hij zoekt naar een vroegrijpe vrucht, maar die is erniet. Zo gaat hij voort de ongerechtigheid te vermelden. Alles stelt hem teleur en ontvalt hem. Doch nu temidden van de donkerheid heft hij het hoofd op tot God, en spreekt hij hier zijn gans enige verwachting uit.

Maar ik — hiermede wordt dit gedeelte aan het voorgaande verbonden. De profeet heeft gesproken van afval engoddeloosheidenvan het oordeel, dat daarop volgen zal. En nu getuigt het godvrezende volksdeel bij monde van de profeet, ook temidden van druk en gericht, dat zijn verwachting van de Heere is. Het wil naar hem uitzien zoals de wachters naar de morgen. Ps. 130.

Dus in geduld en vertrouwenhetogenblikverbeiden, waarop Hij zal komen tot verlossing van de Zijnen.

Maar ik zal uitzien — als alles beneden donker is, kan het toch naar boven lichtzijn. Het moge Gods volk troosten, dat ze eenGodhebben om naar uit te zien.

De profeet had geklaagd, dat er geen troostte vinden was bij de mensen, maar ditdrijfthem te meer uit naar de Heere. Hoe minder reden om enig schepsel te steunen, des te meer om ons op God te verlaten. Indien bij geen sterveling steun te vinden is, dan: Welgelukzaligdie de God Jakobs tot zijn sterkte heeft.

Als mensen trouweloos zijn, God is getrouw. Dat zal zeggen: een erkennen van eigen schuld. Een buigen onder de straf—ik zal des Heeren gramschap dragen; een toevallen van Gods recht en soevereiniteit.

Ik zal wachten. Het grondwoord is gebruikt voor wachters, die op muren en torens zijn geplaatst om uit te zien.

Zo b.v. zag een wachter Jehu en zegt: Het is het drijven als van Jehu. Zo werd ook David van een der wachters geboodschapt: De loop is als van Ahimaaz.

Het was als het werk van een wachter om uit te zien of er soms een vijandelijke onderneming was. Zo nu zijn de profeten wachters: Mensenkind, ik heb u tot een wachter gesteld! Hier echter is het het uitzien van iemand, die iets goeds verwacht. Het is een verlangend uitzien. Mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord. Zo beklimt dan hier de profeet de wachttoren des geloofs. En hoe? Als een wijze professor? Als 6en, die het weet, die het heeft? Neen, ik dank U Vader, dat Gij het de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt het de kinderkens geopenbaard. Wie veel wil zien klimt op een hoogte. Zo plaatst God Zijn knechten op de hoogte, b.v. Mozes: Ik zal u op de steenrots stellen!

En bij Elia: Ga uit, sta op deze berg! Doch ook zonder uitwendig stijgen kunnen we onze ziel verheffen. De hoogte, eenzaam.met God gemeenzaam. Het is de weg tot de gemeenschap met God. Het is het wachten en het uitzien des geloofs. En dit zal zeggen: dat wij het voorwerp onzer verwachting kennen. Dat het voorwerp onzer verwachting alleen onze noden kan vervullen, dat we het voorwerp onzer verwachting boven alles lief hebben. En dit voorwerp des geloofs is een onveranderlijke toevlucht.

Heere Jehova: de God van vrije genade, de God des verbonds. Die in een eeuwigverbond Zich voor eeuwig verbindt om eeuwig deGod te zijn van dat volk. Hij is de Onveranderlijke,

Zijn Woord is ja en amen. Wat vergaat, het Woord bestaat.

Daarom pleit Jeremia: Heere, werp de troon Uwer heerlijkheid niet neder, vernietigniethet verbond met ons.

God mijns heils: Dat is Hij, Die alleen de breuk heelt. Bij verbondsbrekers komt Hij in Christus de breuk te herstellen. De drieenige God, d.i. de God des verbonds, de God van vrije genade, de Onveranderlijke. Die God is geen vreemd God voor hem.

Hij denkt aan Hem.


’k Denk aan U, o God, in’t klagen.
’k Zal tot God, mijn Steenrots, spreken.


Het verbond toont hemdeonveranderlijkheid Gods. Zijn heil — het ligt in de herstellende genade. Zijn God — Hij heeft zijn aandeel aan die God in Christus. Hij zal niet tevergeefs uitzien en wachten. Die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen.

Ik blijf de Heere verwachten. Mijn ziel wacht ongestoord. Israel hope op de Heere. Want bij de Heere is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.

En Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Dan zegt hij: Mijn God zal mij horen.

Mijn God — door genade geworden. Het is een wachten en uitzien naar de drieenige God.

Die Vader — God des verbonds.

Christus — Heelmeester.

Mijn God — alleen door de toepassende en toeeigenende genade van de Heilige Geest.

Het verbond toont hemdeonveranderlijkheid Gods.

Zijn heil, het ligt in de helende en herstellende genade in Christus.

Mijn God, hij heeft zijn aandeel aan die God in Christus.

Ja, hij zal niet tevergeefs uitzien en wachten. Maar dan ook: tot welk een nederbuigend God in Christus mag de ziel zich opheffen als hij in het geloof zegt: Mijn God zal mij horen. Dit veronderstelt bidden. Want bidden, althans het ware bidden, is een werk des geloofs.

Er is een woord in het oorspronkelijke, dat komt van een wortelwoord, hetwelk betekent: Hij heeft geoordeeld. Dit woord, tot het gebed overgebracht, wil zeggen, dat de ziel, steunende op een goede grond, tot God als een rechtvaardig Rechter gaat om de uitspraak van Zijn vonnis ter veroordeling van haar vijanden en tot vrijspraak van haarzelf, overeenkomstig het strenge van Gods rechtvaardigheid, te ontvangen. Dat wil niet zeggen, dat God enigszins ten opzichte van hem van Zijn recht zou teniet doen. Integendeel. Voer mijn ziel uit haar benauwdheid om Uw gerechtigheid wil. Ja, zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen?

Ja, het is gelijk onze ouden zeiden, het is een appeleren op de troon der gerechtigheid, die voor de kerk Gods besprengd is met het dierbare Middelaarsbloed van de Heere Jezus. Het is een gaan van een God buiten Christus tot een God in Christus in Wie Hij volkomen verzoend is.

Zo mogen zij op de Heere zien, als een genadig God in Christus. Want Zijn oog is op degenen, die de Heere vrezen. Haar verwachting is dus: Mijn God zal mij horen, Gij hoort het gebed. Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem, dies ik Hem in mijn dagen zal aanroepen. En: Zijn oren zijn open voor hun geroep.

Dit is de verwachting van het geloof, ook al wordt de vervulling van hun begeerte uitgesteld, dan nog: Ik zal uitzien. Ik blijf op U wachten, omdat Gij, o God, mij altoos hoort. Mijn ziel kleeft U achteraan, Uw rechterhand ondersteunt mij. Ja, bezwijkt dan mijn vlees en mijn hart, zo is God, de Rotssteen mijns harten, mijn deel tot in eeuwigheid. Teleurstelling staat met een zwarte kool geschreven boven het levenspad vaneeniegelijk onzer. Na de donkere paradijsnachtiser geen enkele hoop waar Bethlehems kribbe de weg ons niet wijst.

Wat verwacht ik? Hij wil zeggen —enhet antwoord ligt in deze vraag opgesloten —: Niets, maar mijn hoop, die is op U. En:


Die hoop doet al ons leed verzachten.
Komt reisgenoten, ’t hoofd omhoog.
Voor hen, die ’t heil des Heeren wachten
Zijn bergen vlak en zeeen droog.


S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.