+ Meer informatie

Schriftuurlijk-bevindelijk

6 minuten leestijd

6

Hier volgt dan het artikel uit het kontaktblad van een der kerken van 10 juni 1973 :

PERSPEKTIEF.

Volgens belofte nu iets over het blad „Bewaar het Pand” en over de zin of onzin van een dergelijke toogdag van vrienden van dat blad.

Ik zal geen beoordeling geven over het blad zelf — zoals gezegd: ik ben geen abonnee en krijg het slechts zo nu en dan eens in handen. Het gaat mij nu alleen om (een beoordeling) van de achtergronden.

Zoals de naam van het blad al zegt: de redaktie en de vrienden willen bewaren, conserveren, conservatief zijn. Nu is dat op zichzelf een bijbels begrip. Alleen is wel bepalend, wàt er geconserveerd, bewaard wordt. In 1 Tim. 6 (de naam van het blad komt uit vs. 20 van dit hoofdstuk, uit de Statenvertaling) gaat het over de gevaren van de rijkdom en een dwaalleer, die apert inging tegen de Schrift. Daartegenover moet Timotheüs het ware geloof en de bijbelse leer bewaren. Het gaat dus maar niet over terminologie, maar over wezenlijke dwaalleer. Stond dit nu ook op de achtergrond bij de oprichting van „Bewaar het Pand”? Men was ontevreden met „De Wekker”: de inhoud daarvan zou niet „praktisch” genoeg zijn, te weinig de „praktijk der Godzaligheid”, de wedergeboorte, de weg des geloofs met zijn staten en standen, zijn gevoelens en bevindingen behandelen, geen geestelijke leiding geven, te weinig waarschuwen, de „tale Kanaäns” zou er te weinig in doorklinken enz. Nu is er geen enkel blad ideaal: natuurlijk is er ook kritiek te leveren op „De Wekker” en de inhoud daarvan. En toch werd en wordt in „De Wekker” geestelijke leiding en voorlichting gegeven, maar dan op breder terrein dan de „vrienden” wensten en in taal van vandaag. In een dergelijk blad moeten niet alleen maar „preken” staan, maar moet besproken worden, wat zich in ons kerkelijk leven en in de kerken in het algemeen voordoet, en dat in de ruimste zin van het woord. In elk geval: de „verontrusten” gingen door en kwamen met een eigen blad, „Bewaar het Pand”.

En elke keer, dat ik een nummer van dit blad in handen kreeg en las, kreeg ik de indruk, dat het pand, dat bewaard moest worden, was en is: de theologie van de Nadere Reformatie alleen en niet de Reformatorische leer allereerst; bepaalde aksenten van het geloofsleven, zoals zonde- en ellendekennis en niet de volle klanken van het Evangelie; het eng-geestelijke terrein van het leven met de Heere alleen, en niet het volle terrein van het leven, zoals dat zich ook kerkelijk aan ons voordoet; de termen en uitdrukkingen van een paar eeuwen terug. Dat lijkt het pand, dat bewaard moet worden. Maar zou dat de bedoeling zijn van 1 Tim. 6?

En het gevolg „De Wekker” van lezers beroofd en daarmee de Opleiding van predikanten — immers: de baten van „De Wekker” zijn voor de Theologische Hogeschool! Als je zoiets bevordert, dan moet je er toch wel heilig van overtuigd zijn, dat „De Wekker” een anti-christelijke koers vaart, dat de redaktie daarvan de christelijke (gereformeerde) leer verlaten heeft! Dan mag de reden niet zijn een bepaalde terminologie, bepaalde aksenten, die gemist worden.

Vandaar mijn afkeer van dit blad „Bewaar het Pand” is eigenlijk een „anti-Wekker”, wil de afmis? Dit 13 hem onmogelijk. De orde van Gods koninkrijk duldt geen compromis. Michal heeft zich van binnen uit van David afgescheiden en nu laat David duidelijk horen, dat hij niet meer naast, maar tegenover Michal staat. Er valt een scheiding om ’s Heeren wil.

Zo kunnen we leven onder één dak. In één gezin. In dezelfde kerk, maar toch is er gescheidenheid. Gescheidenheid om het leven. Om het leven Gods. Positief belijdt David: „ja, ik zal spelen voor het aangezicht des Heeren”. Dit spel berouwt hem niet. Daar schaamt hij zich niet voor. Zijn vermaak ligt in God. In God en zijn dienst. Hij is zelfs bereid zich nog dieper te vernederen. Op de weg van zelfverendering wil hij vorderingen maken. En de dienstmaagden, waar hij één mee was, met hen zal hij verheerlijkt worden. God zal hem genade en eer geven. Met het eenvoudige volk weet hij zich één. Daar staat hij niet ver boven. Daar staat hij naast. Hij is koning en als koning staat hij boven de eenvoudigen, maar als het over het geestelijke gaat, staat hij aan de zijde van de kleine luyden. Het volk, dat zich schaart om de ark des Heeren. Het volk dat het hebben moet van en alleen leven kan door de genadige tegenwoordigheid van God. Het volk, dat zich in ootmoed neerbuigt voor God en kent de hartelijke blijdschap in God.

Zo is het ook bij de ware voorgangers. Een zich één weten met het eenvoudige volk van God. Als het gaat over het leven Gods en de bijbelse levensgezindheid wordt er een band gevoeld. Op de preekstoel en onder de preekstoel. David één met dit volk. Wie de kinderlijke omgang met God mist, mijdt, haat zelfs dit volk. Men staat ver boven dit volk. Men wil dit volk beleren, maar niets van dit volk leren. Verachtelijk wordt over hen gesproken. Het zijn de lieden van de nachtschool. Ze leven in een klein kringetje. Ze hebben maar een kleine bijbel. Hun ogen zijn gesloten voor de problemen van deze tijd. Die problemen komen niet aan de orde. Ze kunnen ze ook niet bespreken, want daartoe ontbreekt de ontwikkeling. Eén zaak wordt echter voorbijgezien, dat de Heere levenswijsheid geeft. Levensinzicht en doorzicht. In het verborgene maakt Hij wijsheid bekend. En die wijsheid is dwaasheid in de ogen van de wijzen van onze tijd. Van allen die leven bij de rede, bij het intellect. Er valt een scheiding in het huis van David. Er valt een scheiding vandaag. Die scheiding zal als God het niet verhoedt een eeuwige scheiding zijn. Wie zichzelf verhoogt, die zal vernederd worden. Wie zichzelf vernedert, zal door God verhoogd worden. De nederigen geeft God genade. Reeds in dit leven. Het leven blijft niet zonder vrucht. Niet zonder geestelijke vrucht.

Michal ontving die vrucht niet. Zij bleef leven als koningin. Zij stierf als vorstin. Zij bleef Davids vrouw, maar werd geen moeder. Zij stierf zonder kinderen. Zij bleef, wie zij was tot haar laatste levensuur toe.

Zo kunnen we ook vandaag in de samenleving, in het gezin, in de kerken staan, belijdende de Naam des Heeren, zelfs verkondigende de dood des Heeren, maar zonder geestelijke vrucht, zonder geestelijk leven. In trotsheid en verhevenheid kan men zijn weg gaan. Laag neer zien, minachtend neerzien op de ootmoedigen. De blik van hen afwendend en opmerken: „zo wil ik niet leven en zo kan ik niet leven”. En God zegt „Zo zult gij niet leven”. Wie de orde van het koninkrijk Gods niet kent, heeft geen toekomst. Geen eeuwige toekomst. Want God ziet van ver met gramschap aan, die ijd’le waan der trotse zielen.

Wie de orde van het koninkrijk kent zal leven. Eeuwig leven. Want in de grondwet van het koninkrijk staat geschreven: „Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, op hen het oog, die need’-rig knielen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.