+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

16.

Nu worden wij als aan de hand van Uitlegger met de Pelgrim gebracht naar een heerlijke plaats, waar een statig paleis was gebouwd, schoon om te aanschouwen. De aanblik daarvan verrukte de Pelgrim in hoge mate. Het had voor hem een diep geestelijke betekenis. Hij was dan ook door Gods genade een man met een geestelijke schoonheidszin. Hij wist het hemelse van het aardse, het kostelijke van het snode, te onderscheiden.

Maar het schone paleis was voor de Pelgrim niet alleen aantrekkelijk als bouwwerk, maar ook als een woonplaats voor arme Pelgrims. De wandelaars daar boven op het platte dak, gekleed in blinkende klederen, die schitterden in het goud der zonnestralen, waren geen wereldburgers. Nog niet lang geleden liepen ook zij nog gebogen onder de last der zonde.

Maar wat zijn die mensen nu toch gelukkig. Zou dat ook mijn deel kunnen worden? Wat is het heerlijk met die blinkende klederen gekleed te zijn, een thuis te hebben. Een stad ter woning te hebben en dan nog wel in een stad die fundamenten heeft.

Zeker, zo hier en daar word ik weleens vriendelijk onthaald, wat mijn hart verkwikt, maar dan moet ik weer verder reizen. En dan gevoel ik het weer des te meer wat het in heeft geen thuis te hebben, nog onder de blote hemel te staan.

De klacht: „O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon”, is daarom ook menigmaal mijn klacht. Hierom ben ik Uitlegger dan ook dankbaar dat hij mij het schone paleis van Gods genade heeft laten aanschouwen. De bewoners van dat paleis zijn ook afkomstig uit de stad waarin ik geboren ben. Eens waren zij gelijk als ik, ook in lompen gekleed en dakloos. Maar nu zijn zij mij ver en zelfs heel ver voor.

En toch, wat de Pelgrim hier in een allerduidelijkste uitbeelding mag aanschouwen, geeft hem moed. Door die gelukkige mensen op het dak van het paleis wordt het hem als het ware toegeroepen, moed te scheppen uit hun behoudenis. Weleer waren ook wij gelijk als gij dakloos. Maar door Gods ontfermenden liefde zijn wij in deze vreugde gesteld, wat voor u een bron van moed mag zijn.

Als vanzelf wenst en bidt de arme man van harte spoedig binnen te mogen gaan. Al zijn genegenheden strekken er zich naar uit een medeburger der heiligen, een huisgenoot Gods te mogen worden.

Maar hoe is het mogelijk, dat de Pelgrim het zo maar ineens verstaat wat Uitlegger ermee bedoelt, als hij hem al dat schone laat zien? Wel, heel eenvoudig, het verlangen een huisgenoot Gods te mogen worden, is niet iets bijkomstigs, dat behoort tot de natuur van het geestelijke leven. De man betreurt het van dag tot dag zich gezondigd te hebben uit Gods zoete gunst en zalige gemeenschap.

Als antwoord op het verlangend vragen: „Mogen wij hier binnengaan?” nam Uitlegger hem bij de hand en bracht hem tot bij de ingang van het paleis.

Met welke gedachte zou het hart van de Pelgrim nu wel vervuld geweest zijn? Ja, dat is natuurlijk zo maar niet te zeggen. Maar dit staat wel vast, dat zijn gemoed vanwege de begeerlijkheid der zaak in te mogen gaan, hierin kennelijk werkzaam was.

En dat is wel goed, als het hart zich dan maar uitstrekt naar de dadelijkheid der beleving. Met een innige gemoedsgestalte vanwege de begeerlijkheid der zaak, is het niet mogelijk in te gaan, want dat geeft geen kracht om door alle tegenstand heen te breken.

In de grond van de zaak behoort de Pelgrim met de hebbelijkheid van zijn gemoed nog tot de brede schare, die hier staat voor het paleis en niet durft in te gaan. Zij zien wel op het geluk van de paleisbewoners, maar hebben geen moed en geen kracht om binnen te gaan. En daar zijn er bij, die hier jaar en dag blijven staan tot grote schade van hun geestelijk leven.

Soms is het verlangen in te mogen gaan heel sterk, want die zaak is het hart dierbaar. Zien zij een medepelgrim ingaan, dan zouden zij hem wel na willen lopen, om met hem in te gaan, wat natuurlijk niet mogelijk is. Zodat zij weer terugvallen in het niet durven.

Zij durven het niet te wagen en dat is in deze mensen toch nog te prijzen. Van wagen mag hier in geen geval gesproken worden. Het ingaan is een zaak des geloofs en dus niet een godsdienstige waaghalzerij.

Er is geloofsmoed en geloofskracht voor nodig om op een rechte wijze te komen tot de daad van het ingaan. Geloofsmoed heeft het hart nodig om uit te komen voor de naam en zaak des Heeren. En geloofskracht om door die gewapende bende heen te dringen.

Met moed en kracht verschijnt hier een heldhaftig man om in te gaan, daar het buiten staan voor hem ondragelijk is geworden. Dat kan door ons aanschouwd worden tot onderwijzing in het geestelijke leven.

Maar hoe kon dat nu? Gisteren en eergisteren was hij nog net als wij. Bij hem ontbrak het durven zowel als bij ons.

Het zal toch geen overmoed van hem zijn? Daar is Petrus toch bedrogen mee uitgekomen in de zaal van Kajafas. Tot grote schade van zijn innerlijk leven is hij daar in het vertrouwen op zijn gemoed bezweken. Ja waar is het, met ov rmoed kan niemand binnen gaan. Maar overmoed is het bij deze man in geen geval. Hij is echt niet beschaamd uitgekomen. Zie maar, hij overwint met het zwaard des Geestes en treedt binnen met de helm der zaligheid.

En hoe dat gegaan is? Ja, gisteravond was het bij hem nog meer een niet durven dan ooit te voren. De gedachte van nooit binnen te komen had bij hem geheel de overhand.

Dan moet hij toch wel een wonderlijke nacht doorleefd hebben. En dat heeft hij ook! U weet toch wel vanuit de Schrift, dat de Heere het ons in één nacht kan leren wat geleerd moet worden om in te gaan, om burger en huisgenoot te worden in dat schone paleis van die heerlijke stad. En dat gaat deze heldhaftige man ons nu vertellen.

„Mijnheer” — en dan zegt hij tot de man met het geopende boek, waar een inktkoker naast stond — wees zo goed mijn naam op te schrijven!” Nu is hij dus niet meer naamloos. Nu kan hij zeggen hoe hij heet. Hij heeft een nieuwe naam ontvangen en dat wordt hier uitgesproken en opgetekend. Het moet aan de vergetelheid onthouden worden, want dat is dan ook een zaak van grote betekenis.

Hij heet nu: „Ik ben des Heeren”. Het staat in zijn hart geschreven. En zijn toenaam is Israël. Het is de vervulling van hetgeen de Heere beloofd had. Wat vader Jacob bij de Jabbok in die onvergetelijke nacht van de Heere mocht begeren en leren.

Geroepen uit het land van Laban en gekomen tot aan de poorten van het beloofde land, stond Ezau voor hem met vierhonderd gewapende mannen. Vanwaar nu zijn geloofsmoed en geloofskracht, om het beloofde land binnen te trekken?

De Heere ontworstelde Jacob in de eerste plaats zijn kracht en recht door zijn heup te verwringen en de bedriegelijkheid van zijn bestaan aan het licht te brengen. Dat deed hem met moed en kracht worstelen om de zegen des Heeren. En zie, hij werd door de zegen des Heeren het eigendom van de Heere en hij ontving de nieuwe naam van Israël. Dat deed hem met een kinderlijk vertrouwen op de Heere binnen trekken om Zijn lof te vertellen.

De man, die de Pelgrim met verwondering ziet binnen treden, heeft zijn roeping en verkiezing vast mogen maken bij het verlies van zijn kracht en zijn recht, want dat stond hem in de weg. Nu is in zijn naam: „Ik ben des Heeren” zijn moed, en in zijn toenaam „Israël” zijn kracht.

Met het zwaard des Geestes in zijn hand en de helm der zaligheid op zijn hoofd, dringt hij als een geweldenaar door alle tegenstand heen naar binnen. Waar hij naar de regel van het paleis als medeburger der heiligen is gekleed en tot huisgenoot van God wordt aangenomen. Wat hem met al de burgers van deze stad deed uitroepen: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad”.

En dat doende in afhankelijkheid van des Heeren Geest, zal hij nimmermeer struikelen. Ja, alzo zal hem rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig koninkrijk van zijn Heere en Zaligmaker Jezus Christus.

„Ik geloof waarlijk — zo sprak de Pelgrim glimlachend — dat ik de betekenis hiervan versta. Sta mij nu toe verder te gaan”.

Hij lacht met de man, die is ingegaan. „God heeft mij —zo spreekt die man nu — een lachen gemaakt: al die het hoort, zal met mij lachen”.

Vanuit de hebbelijkheid van zijn gemoed begeert de Pelgrim sterker dan ooit te komen tot de dadelijke beleving van hetgeen hij hier heeft mogen aanschouwen. Wij hebben dan ook wel hoop, dat hij niet lang meer dakloos zal zijn. Nog twee lessen en dan mag hij van Uitlegger verder reizen om te mogen komen tot het doorbrekende werk van Gods genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.