+ Meer informatie

SAMENVATTING VAN HET SLOTWOORD OP DE AMBTSDRAGERSCONFERENTIE

5 minuten leestijd

In zijn slotwoord herinnerde prof. W. van ’t Spijker aan de brede aandacht die van oudsher binnen onze kerken voor het onderwerp van de conferentie heeft bestaan.

Prof. Van der Schuit inaugureerde op 31 oktober 1922 over het onderwerp Mystiek en dogma. Hij bepleitte de samenhang van beide, waarbij hij de gemeenschap met Christus centraal plaatste. Religie en dogma behoren bijeen: „Religie zonder dogma is een schip zonder roer; dogma zonder religie is een roer zonder schip”.

Opmerkelijk was, dat prof. Van der Schuit een fundamentele kritiek oefende op de leer van de drie zielsvermogens. Hij wilde met de vroegere klassieke gereformeerde dogmatiek spreken van het ken- en wilsvermogen, maar bestreed de opvatting van het gevoelsvermogen als een afzonderlijk gegeven in de menselijke ziel. Hij was van mening, dat deze opvatting gemakkelijk zou kunnen leiden tot een valse gevoelsmystiek. Gezonde mystiek wordt gereguleerd door de kennis van het geloof en zij heeft ook een levende relatie met de wil van de mens.

Prof. Van der Schuit bleef belangstelling koesteren voor het thema, dat opnieuw in behandeling kwam in zijn rectorale rede over de Religieuse psychologie en de bekeering. Deze rede, uitgesproken bij de rectoraatsoverdracht op 15 september 1925, stelde de vraag aan de orde van de samenhang tussen theologie en psychologie. Een moderne problematiek, waarmee Van der Schuit leiding trachtte te geven aan het algemene verlangen naar ervaring, naar gevoel in de religie. Het is te betreuren, dat deze thematiek uit de aandacht verdween toen het polemische tijdperk aanbrak tussen A. (van der) S.(chuit) en K. S.(childer), de eerste in de Wekker, de tweede in de Reformatie, waarin deze een felle bestrijding leverde van de gedachte die Van der Schuit lanceerde omtrent de overeenkomst van Kuypers wedergeboortetheologie en de in die dagen moderne religieuze psychologie. Het scheen dat Van der Schuit nu meer ruimte zocht voor het gevoel als functie van het zieleleven, naast die van het verstand en de wil. Van der Schuit wilde ook bij deze gelegenheid aandacht voor de psychologie vragen, waarbij hij tegelijk waarschuwde voor een anthropologische benadering in plaats van een theologische. Zijn opvatting dat geen theoloog zijn naam met ere kan dragen zonder de studie van de psychologie was modern te noemen. Maar allerminst schiep hij een ruimte voor een subjectieve theologie der ervaring.

Zou men dit vandaag ook niet in het oog moeten houden? Prof. Van ’t Spijker herinnerde om dit te illustreren, aan de woorden die Paulus had vernomen, toen hij als man van hoge ervaringen klein werd gehouden door het beleven van zijn eigen zwakheid onder de vuistslagen van de satan. De „mens in Christus” over wie Paulus sprak, en waarmee hij zichzelf bedoelde, kon als hij ’t wilde, roemen in hemelse, mystieke, gevoelsverrukkingen. De extase die hij beleefde, tilde hem boven zichzelf uit. Hij werd erdoor ontheven aan de zorg en het verdriet. Zijn gevoelige ervaring versterkte hem op een buitengewone manier. Maar zij werd geneutraliseerd door een andere ervaring, ni. die van de vuistslagen van de satan. De duivel, wiens apostel (engel) Paulus met vuisten sloeg, deed hem een ervaring meemaken, die in de geschiedenis van de kerk ook door velen is gezocht, evenals de hoge ervaringen van de hemelse verrukkingen door velen hartstochtelijk nagestreefd: de diepe angsten van de hel, die sommigen meenden te moeten zoeken, voordat zij tot het gevoel van de genade zouden kunnen komen. Tegen hen heeft Paulus het, wanneer hij niet alleen de hoge, maar ook de diepe ervaringen van het gevoel als het ware aan de kant schuift en zegt, dat noch de eerste, noch de tweede soort iemand werkelijk kunnen doen zeggen: het is genoeg. Wie in de sfeer van het gevoel zijn zekerheid, zijn rust zoekt te gronden, dient te beseffen dat het nooit zover zal komen, dat het „genoeg” is. Dat leert alleen de genade van Christus. Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg. En dit genoegzame van de genade levert zijn eigen gevoel, dàt het ook inderdaad voldoende is. Het is de genade van Hem, die gezegd heeft: het is volbracht.

Ambtsdragers moeten die genade doorgeven. Dit is de centrale inhoud van al hun ambtelijk werk. Deze genade betreft de boodschap, die in alle ambtelijke werk moet doorklinken. Maar ambtsdragers moeten ook zelf van die genade leren leven. Paulus ontving dit woord niet zozeer als privé-persoon, maar als dienstknecht, als ambtsdrager van Christus. Diens kracht wordt in zwakheid volbracht.

En deze genade is ook genoeg voor degenen, die de boodschap ontvangen. Paulus heeft het woord omtrent de genade mogen doorgeven. Er is genoeg genade, meer dan overvloedig; uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen ook genade voor genade. Maar genade, genade van Christus, is ook toereikend. Meer behoeft een mens niet. Wie dit ervaart, zal ook ervaren tot in zijn gevoelsleven toe, dat het zijn eigen gevoel meebrengt: genoeg om te weten, dat Gods kracht het meest volledig tot haar ontplooiing komt, wanneer wij zwak zijn. Dan eerst zijn wij machtig. Waar in de gemeente deze genade gekend wordt, is er een weg naar de toekomst, naar Gods toekomst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.