+ Meer informatie

TER OVERWEGING

19 minuten leestijd

C. J. de Ruijter, De horizon van het heil. Theorie en praxis bij Johann Baptist Metz en Clodovis Boff, mede in verband met de verkondiging en het diaconaat van de kerk. Uitg. Kok, Kampen 1992. 193 blz. f 42,50.

Deze studie is als proefschrift verdedigd in Kampen (Vrijgemaakt). De auteur stelt een onderzoek in naar de bevrijdingstheologie, zoals die wordt verwoord door twee van haar prominente vertegenwoordigers, de een uit West-Europa en de ander uit Zuid-Amerika, en hij stelt zichzelf de vraag wat deze theologie ons te zeggen heeft voor de praktische taak van de kerk. Deze vraagstelling is niet verwonderlijk, aangezien beide theologen sterk de nadruk leggen op de daad van bevrijding, die voorrang krijgt op het woord (primaat van de praxis). Huns inziens is het primaat van de theorie in de gevestigde kerken gericht op de handhaving van de onrechtvaardige maatschappelijke structuren waarin wij leven. De auteur stelt vast dat bij deze bevrijdingstheologen het zicht op het Gods heil wordt verengd door twee factoren: hun uitgangspunt in de menselijke ervaring en hun afhankelijkheid van de marxistische maatschappij-analyse. De wijde horizon van Gods heil kan volgens hem alleen in het zicht komen wanneer wij in de plaats van de menselijke ervaringspraxis het primaat van Gods openbaring stellen. Verder benadrukt hij tegenover de vereenzelviging bij Metz van de lijdensgeschiedenis van Christus met de algemene lijdensgeschiedenis van de mensheid de boodschap van Christus’ opstanding als de bron van het door God geschonken heil.

Niettegenstaande zijn forse kritiek op beide bevrijdingstheologen probeert de auteur toch van hen te leren. Hij stelt de vraag, of de Gereformeerde Kerken (Vrijg.) niet te veel het adres van het diaconaat beperkt hebben tot de kerken en hun leden, en of de kerken niet een eigen diaconale verantwoordelijkheid voor de wereld hebben, waarin het diaconaat zelfs als genademiddel fungeert, zij het niet zonder het Woord (p. 157v., 161v.). Verder is zijn zienswijze opmerkelijk, dat in de kerken waartoe hij behoort, de nadruk op de Schrift als norm van het heil in de verkondiging vaak ten koste gaat van de ruimte voor de beleving van het heil (p. 159). Naast waardering voor zijn bereidheid als gereformeerd theoloog in de spiegel van de bevrijdingstheologie te kijken, heb ik ook enkele bezwaren. Tegenover het primaat van de praxis stelt hij het primaat van de openbaring. Hij geeft echter geen antwoord op de voor de hand liggende vraag uit de hoek van de bevrijdingstheologie, hoe wij ons openbaring kunnen voorstellen los van de maatschappelijke context waarin mensen haar ontvangen. ledereen is het erover eens dat Gods heil inwerkt cp de praktische menselijke verhoudingen. Maar hoe is het mogelijk de praktische gerichtheid van de openbaring los te koppelen van een voor alle tijden geldende inhoud? Aan dit fundamentele vragencomplex had de auteur niet voorbij mogen gaan. Verder waag ik het te betwijfelen dat de theologie van Thomas van Aquino speculatiever was dan de franciscaanse theologie waarop Luther historisch aansluit. Het is niet waar dat de franciscaan Duns Scotus zou hebben geleerd dat de mens geen redelijke samenhang in Gods daden kan ontdekken (p. 21 v.). Wie die mening is toegedaan en op dat spoor verder zou willen, komt in het vaarwater terecht van de moderne theologie die uitgaat van de mens. Van Gods wezen valt dan immers niet veel te zeggen. Het is geen vraag of de auteur deze kant op wil, maar wel hoe hij de verhouding tussen theorie en praxis dan ziet.

J.A. van Delden, De wet van de liefde. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1992. 236 blz. f 25,–.

Deze behandeling van de tien geboden is ontstaan uit bijbelstudies die de auteur voor jongeren heeft gehouden. Enkele kanttekeningen. Het lijkt mij niet juist de wet in het O.T. te typeren als een arbeidscontract (p. 24). Het verbond bij de Sinaï was naar zijn wezen geen werkverbond, maar een historische fase in het genadeverbond. Dat in het vierde gebod (over de sabbat) de verwijzing naar de zes scheppingsdagen alle argumenten van de evolutieleer zonder meer ongeldig maakt, lijkt mij een versimpeling van het vraagstuk. Bij de behandeling van het vijfde gebod over het (ouderlijk) gezag zou een analyse van de huidige gezagscrisis welkom zijn geweest. In het hoofdstuk over het zevende gebod (tegen echtbreuk) miste ik een beetje het pastorale mededogen dat oog heeft voor de behoefte aan geborgenheid, de psychische scheefgroei en schade die tot echtelijke problemen kunnen leiden of eruit kunnen voorkomen. Ten aanzien van abortus, euthanasie en zelfmoord trof ik deze begrijpende benadering wel aan. Wat daarover gezegd wordt, is genuanceerd en tegelijk beslist. Bij de bespreking van het achtste gebod (niet stelen) had een beschrijving van het structurele onrecht in de verhouding tussen rijk en arm in de wereld toch eigenlijk niet mogen ontbreken. Overigens bevat het boek vele rake opmerkingen die tot nadenken stemmen. Het munt uit in het geven van praktische voorbeelden. De gespreksvragen achter ieder hoofdstuk maken het geschikt voor groepsbespreking.

Ds. Hein van Mulligen, Vijf moeders des Heren. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. 112 blz. f 15,90.

In dit boekje bespreekt ds. Van Mulligen mediterend en exegetiserend wat de Schrift ons meedeelt over de ‘vijf moeders des Heren’ die in het geslachtsregister van Matt.1 worden genoemd. Hij doet dat op een grondige manier die aanspreekt door duidelijkheid en persoonlijke betrokkenheid. Niet duidelijk lijkt me evenwel of aan Jozua reeds uit het naar hem genoemde bijbelboek een bepaalde zaak bekend is geweest (blz. 43).

Opmerkelijk is ook te noemen dat de oudste uitgave van de Ned. Geloofsbelijdenis wordt gebruikt, die van 1562 (61-’Doopsel’). Geldt wat op blz. 94v. van het kind van David en Batseba wordt gezegd, ook niet voor dat van Juda en Tamar (26-’schakel in de lijn der geslachten’)? Graag aanbevolen.

Dr. D.Th. Kuiper e.a. (red.), Jaarboek voor de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Jaargang 6. Uitg. Kok, Kampen. 206 blz. f 39,–.

Volgens het ‘Woord vooraf’ is dit zesde Jaarboek tevens het laatste dat onder de genoemde titel verschijnt (vandaar het overzicht over alle zes delen op blz. 199v.). In 1993 zal het eerste deel van de vervolgreeks verschijnen: ‘Jaarboek voor de Geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800’. Evenals de voorgaande Jaarboeken biedt dit zesde deel een aantal interessante bijdragen. Behalve de eerste bijdrage die handelt over de houding van de koloniale overheid ten opzichte van de gereformeerde zending in Nederlands-lndië (1859-1916), hebben alle bijdragen betrekking op personen en zaken die knelpunten in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken markeren: ‘Dominee Houtzagers van Kootwijk’, ‘De erfenis niet geweigerd ds. Jan Bernard Netelenbosch’, ‘Kerkstrijd in het Sticht. Het ontstaan en de geschiedenis van het Hersteld Verband in Utrecht en Tienhoven’ en ‘Achtergrond van een kerkscheuring’ (waarin het gaat om de scheuring die tot de Vrijmaking leidde). De vraag die op één van de laatste bladzijden (189) wordt gesteld ‘hoe zijn de generale synoden met spanningen omgegaan?’ geldt rechtstreeks of zijdelings bijna elke bijdrage. Het antwoord dat dan onwillekeurig naar voren komt, wijst er zeker niet op dat het bedoelde synodale omgaan zonder meer de hoogst mogelijke pastorale wijsheid insluit, eerder het tegendeel: hoe breder de vergadering, te smaller het pastorale omgaan. Er zijn natuurlijk ook andere facetten. En vragen! Bijv. wanneer gesteld wordt dat de VU de ‘rol van confronterend instrument’ koos (53), maar ook dat de VU ‘buiten het doleantie-conflict’ moest blijven. Maar hoe dan ook, boeiend is ook deze zesde jaargang zonder twijfel! De verschijnende nieuwe reeks moge de verdwijnende oude reeks daarin evenaren, zo niet overtreffen!

Dr. W.H. Velema, Een levende gemeente met het oog op gemeenteopbouw. Uitg. Kok-Voorhoeve, Kampen. 144 blz. f 19,90.

Een boek dat zonder meer diepgaande bespreking op onze verenigingen, studieclubs, wijkavonden enz. verdient. De grondstelling is dat de gelovigen leden zijn van het lichaam van Christus en dat zij hun gaven ten dienste van dat lichaam hebben aan te wenden, waar het ongebruikt laten van die gaven tot schade is van het hele lichaam (15). In negen hoofdstukken wordt dit nader uitgewerkt, elk hoofdstuk met een of meer onderdelen die samen 211 aspecten omvatten. De vragen die aan het eind van elk hoofdstuk staan, dienen de bespreking en dus het doordenken van het gebodene. Wanneer bijv. wordt voorgesteld de ‘opzet van het zendingswerk’ te wijzigen in die zin dat de ‘voorkeur’ wordt gegeven ‘aan beperkte financiële verantwoordelijkheid’ wordt dan de wel eens ‘kerkrechtelijk merkwaardig’ genoemde ‘constructie’ (zoals deze elders in praktijk wordt gebracht met diskwalificatie van de zgn. ‘deputatenzending’) bedoeld als ‘alternatief’ van de huidige opzet of iets anders? De opzet van de schrijver wordt zeker gediend als dergelijke vragen opkomen èn besproken worden!

Ds. T.H. Attema-Roosjen, De brief van Judas, pastor bij uitstek. Uitg. Kok, Kampen. 68 blz. f 15,50.

Dit geschrift levert kort en bondig commentaar op een van de kleinste bijbelboeken waarbij Judas vooral als pastor wordt geschetst, hoogst actueel nu er weer sprake is ‘van een nieuwe gnostische vloedgolf die de Kerk dreigt te overspoelen’. De schrijfster denkt dan aan ‘New Age denken’ dat niet ‘verrijkt, maar verarmt en ongelukkig maakt’, in het ‘zwarte gat’ laat vallen (10). Voor bijbelkringen en persoonlijk Schrift-onderzoek graag aanbevolen.

B. Florijn, Ontsloten verleden. Herinneringen aan ds. E. du Marchie van Voorthuysen. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen. 96 blz. f 18,50.

Hoewel het ‘accent in dit boekje op ds. Du Marchie van Voorthuysen ligt’ (37), worden ook herinneringen aan ds. Van der Poel en anderen opgehaald, doorgaans meer adoratief dan kritisch. De schrijver laat enige voorliefde merken voor verkleinwoorden: speldeknopje (34), gebedje (38), zieltje (78) en mijdt een eigengemaakt woord niet (‘gezichtelijk werk’, ‘gezichtelijke Christus’ - 68, 73). Ook al zal hij het anders bedoelen wanneer hij stelt dat men ‘de dominee’ vaak niet ‘begrepen’ heeft, niet wilde en niet kon begrijpen (‘men miste daartoe de geestelijke kennis’ - 78), dat dergelijk taalgebruik dient tot meer begrip, zal ook hij niet kunnen volhouden. De biografische waarde van dit boekje moge niet zo groot zijn, de herinneringswaarde - vooral voor wie de betrokkenen kende - is onmiskenbaar.

Dr. G. van den End, Guiljelmus Saldenus (1627 - 1694). Een praktisch en irenisch theoloog uit de Nadere Reformatie. Uitg. J.J. Groen & Zoon, Leiden. 317 blz. f 39,50. Voor wie met prediking en pastoraat te maken heeft, is dit boek, dat de auteur als proefschrift diende, van betekenis, dus voor de lezers van dit blad die immers in meer of mindere mate bij prediking en pastoraat betrokken zijn. Saldenus was geen hoofdfiguur van de Nadere Reformatie. Dr. Van den End wijst op de scharnierfunctie die hij in de ontwikkeling ervan gehad heeft (283). Er voltrok zich een ‘verschuiving’ van de ‘gerichtheid op Gods beloften naar de innerlijke gesteldheid van de mens’, zodat het ‘bij Saldenus reeds aanwezige subjectivisme’ in de periode na hem steeds sterker werd (282). Dat beeld komt inderdaad naar voren vooral in de hoofdstukken die gaan over Saldenus als theoloog, als homileet en als pastoraal psycholoog. Er is een ‘duidelijk mystieke lijn’ bij Saldenus, maar ook een ‘klassiek reformatorische’ (112). Prachtige, behartigenswaardige dingen worden er gezegd als het gaat over het geestelijke leven, Maar het descriptieve dat zeer waardevol is, kan prescriptief gaan fungeren, vooral als aan de uitverkiezing een dominerende plaats - bij Saldenus ‘los van Christus’ (46) -wordt toegekend, waardoor het remonstrantisme vermomd door de achterdeur weer binnenkomt. Dr. Van den End constateert bij Saldenus ‘een grote pastorale bewogenheid en een authentiek verlangen om geestelijke leiding te geven’. Hij wijst ‘uiteindelijk de bekommerde christenen heen naar Christus’, maar naast het ‘christocentrische van zijn aanpak’ is er het spoor waarop de mens ’toch weer op zichzelf’ teruggeworpen, naar zichzelf verwezen wordt (122, 142, 148). De schier eindeloze onderscheidingen en uiterste analyses openen, natuurlijk niet bedoeld en gewild, de weg naar een schematisering, radicalisering en rationalisering van het geloofsleven. Volgens dr. Van den End heeft Saldenus’ pastorale instelling ‘hem ervan weerhouden de uiterste konsekwenties van zijn dogmatisch uitgangspunt door te trekken’ en ‘de betrouwbaarheid en het welmenende van de roeping van Godswege’ doen onderstrepen: ‘Het predestinatiaanse aspekt blijft hier op de achtergrond, terwijl Christus en zijn beloften worden benadrukt’ (280). Dit laatste kan niet van allen gezegd worden die hem in hun theologische reflectie volgden door aan de verkiezing een zeer centrale plaats als alles beheersend principe toe te kennen. Dit boek is zeker de moeite van bestudering waard.

Dr. T. Brienen, Christiaan Meyer (1661 -1738). Een vroege bijdrage van een Messiasbelijdende jood aan de ontmoeting van Christendom en Jodendom in het Nederlandse Gereformeerde Protestantisme. Uitg. J.J. Groen & Zoon, Leiden. 71 blz. f 22,50.

Dit deeltje in de serie Vergeten eerstelingen zal vele lezers van ons blad niet onbekend voorkomen, omdat de schrijver reeds eerder over Christiaan Meyer publiceerde in het jubileumnummer-1981 van Vrede over Israël. Na een korte schets over de tijd waarin deze Messiasbelijdende rabbijn leefde en werkte, wordt zijn leven beschreven en worden vervolgens zijn ’theologisch verantwoord getuigenis’, zijn publikaties en zijn betekenis ‘voor de huidige ontmoeting van Christendom en Jodendom’ behandeld. Meyers oproep tot zijn ‘joodse broeders’ en tot zijn ‘christelijke broeders’ om zich te bekeren (68) is inderdaad essentieel voor de ‘ontmoeting: ‘Dan komen joden en christenen in Hem samen’. Het feit dat twee doopdata zijn overgeleverd (1693 en 1701) leidt tot de vraag of er misschien een doop ‘in het verborgen’ èn ‘in het openbaar’ heeft plaatsgevonden (20v.). Is het ook mogelijk dat de cijfers niet allemaal kloppen? Met de overgeleverde cijfers zou Meyer al op 15-jarige leeftijd rabbijn zijn geweest!?

Prof.dr. O.J. de Jong, prof.dr. W. van ’t Spijker, dr. H. Florijn, Het eigene van de Nederlandse Nadere Reformatie. Uitg. Den Hertog, Houten 1992. 153 blz. f 49,50.

In kloek formaat heeft Den Hertog een jubileumboek uitgegeven. Ter ere van het 80-jarig bestaan van de uitgeverij is dit boek gepubliceerd. Het mag er zijn. Ik feliciteer de uitgeverij met haar jubileum èn met dit boek.

Prof. De Jong tekent de Nadere Reformatie in haar historisch verloop binnen de Nederlandse kerkgeschiedenis. Vier thema’s worden behandeld: 1. Een aanduiding. 2. De aanzet (Udemans, Puriteinen, de Teellincks en Amesius). 3. De verdieping (Van Lodenstein, Voetius, Koelman, Bunyan en á Brakel). 4. De versmalling (Lampe, de Scholtens, Van der Groe, onmacht van de kerk en schraalheid van de prediking).

Prof. Van ’t Spijker behandelt enkele aspecten van de theologie van de Nadere Reformatie. Allereerst de verhouding van Reformatie en Nadere Reformatie, onder de gezichtspunten van het Woord, de genade en het geloof. Vervolgens Reformatie en de orthodoxie, gevolgd door Nadere Reformatie en orthodoxie. Op een evenwichtige wijze worden samenhang en onderscheid getekend. Geen wezenlijke verschillen en toch accentverleggingen. Tenslotte drie paragrafen: De plaats van de Heilige Geest, de weg van het heil, de kerk, plaats van heil en heiliging, gevolgd door een samenvattende terugblik. In deze bijdrage treffen we een prachtig overzicht aan van figuren en hun theologie, hun eigen accenten en tegelijk hun verbondenheid aan de Reformatie.

Dr. Florijn bespreekt niet minder dan twintig gezichtpsunten in verband met de eredienst. Ik noem een aantal: Het kerkgebouw, het orgel, de zondagen, de bid- en dankdagen, de weekdienst, de prediking, de openbare gebeden, het zingen, belijdenis en aanneming van lidmaten, de begrafenis. Een helder overzicht van deze en nog meer onderwerpen. Er worden namen genoemd, titels vermeld. Men treft geen noten, noch een literatuurlijst aan. Het boek laat zich ook daarom gemakkelijk lezen. Het is populair geschreven. Het berust op een bewonderenswaardige kennis van de onderwerpen.

Er staan veel foto’s in van mannen van de Nadere Reformatie, van kerkgebouwen, interieurs en orgels. Werkelijk een bewonderenswaardig boek. Wie een boekenbon krijgt of een boek mag vragen, moet aan dit boek denken.

Dr. G.W. Neven, Bonhoeffer, theoloog van het kruis. Uitg. Kok, Kampen 1992. Kamper Cahiers nr. 75. 32 blz. f 12,50.

Een rectorale rede over Bonhoeffers theologie. Verschillende Bonhoeffer-interpretaties worden weergegeven. De schrijver beziet Bonhoeffer vanuit de Lutherse kruis-theologie. Een verrassend eigen geluid. Tegelijk rijst de vraag, wat het kruis voor het heil (soteriologisch) betekent! Fungeert het hier niet meer als een verklaringsmethode?

Dr. K. Zwanepol, De verborgen mens. Tussen antropologie en theologie. Uitg. Kok, Kampen 1992. 52 blz. f 13,90.

Een studie over de moderne antropologie en Luthers visie op de mens. De schrijver constateert verschillen, maar ziet toch ook ergens de mogelijkheid van een overeenkomst, in elk geval een brug. Het komt ons voor dat het verschil groter is dan de overeenkomst. Er is veel materiaal in deze studie verwerkt.

V.G.A.J. Kirkels (red.), Transplantatie en mensbeeld. Uitg. Ambo, Baarn. Annalen van het Thijmgenootschap, jaargang 80, aflevering 4. 109 blz. f 25,–.

Het boek bevat een aantal opstellen over transplantatie. De behandeling geschiedt vanuit de filosofie, de medische en de juridische wetenschap en vanuit de antropologie. Een waardevolle informatieve studie, die van de stand van zaken, inclusief de nieuwe wet, zeer veel afweet.

Gerard Verbeek, Omdat Hij komt. Jezus’ gelijkenissen bekeken vanuit de cultuur van het Midden-Oosten. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 64 blz. f 13,90.

Dit is een heel aparte bundel over de gelijkenissen. Vanuit de cultuur van het Midden-Oosten waarmee de schrijver door zijn werk vertrouwd is, weet hij nieuwe gezichtspunten te openen. Een directe praktische toepassing wordt eraan verbonden. Na vijf gelijkenissen een kindervertelling over de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter.

A.F. Troost, Blij te allen tijde. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 72 blz. f 14,50. Een boekje met twaalf korte bijbelstudies over de brief aan Filippenzen met achterin gespreksvragen per hoofdstukje. Een praktisch boekje.

W. Plomp, Daar waar de zon nooit ondergaat. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 48 blz. f 14,50.

Een bundel aansprekende gedichten over verschillende onderwerpen - na de zondag, na de preek, blij vooruitzicht, zo ik niet had geloofd. Het is de derde bundel van deze dichter, die tot onze kerken behoort. Vooral ‘Kom mee’ heeft mij toegesproken.

Ineke van Herk-van Rijssel, Pap, we krijgen een baby. Tekeningen van Marianne Witvliet. Uitg. Groen, Leiden 1993. 45 blz. f 19,95.

Dit is een mooi uitgegeven boekje, waarin in verhaalvorm de komst van een kindje aan de kinderen van het gezin wordt verteld. Het is bestemd voor een gesprek met kinderen van 7 - 10 jaar. Een fijnzinnige manier om kinderen seksueel voor te lichten. Een handreiking aan ouders. De prijs is tamelijk hoog. Velen zullen dit bedrag voor dit boekje over hebben.

J.W. Schulte Nordholt, Het Woord brengt de waarheid teweeg. Essays over literatuur en werkelijkheid. Uitg. Kok, Kampen 1992. 199 blz. f 34,50.

De schrijver is historicus. Hij doceerde Amerikaanse geschiedenis in Leiden. Hij is ook dichter. Van beide professies zijn in dit boek voorbeelden te vinden. De opstellen gaan over Psalmen zingen (wat een mooi stuk), over woorden en engagement van de kunstenaars, over Guido Gezelle, negrosongs en -literatuur, over Jan Wit. Het is een rijke en rijpe bundel, die ik belangstellenden graag onder het oog breng.

Elisabeth Elliot, Eenzaamheid - wildernis of weg tot God? Uitg. Groen, Leiden 1992. 142 blz. f 24,95.

Een uit het Engels (Amerikaans) vertaald boek. De schrijfster is getrouwd geweest met een zendeling die door Indianen is vermoord. Hertrouwd, is ze opnieuw weduwe geworden. Ze beschrijft het rouwverwerkingsproces. Veel voorbeelden illustreren het betoog. De toon is positief. Eenzaamheid wordt soms als wildernis ervaren. Zij kan een weg tot God zijn. Op die weg wil deze schrijfster een gids zijn! Het is een boek dat helpen kan bij rouwverwerking. Het is ook voor hen die daarbij als helper betrokken worden, nuttig. De hele sfeer van het boek is opmerkelijk Amerikaans.

Ds. H. Veldhuizen, In gesprek met Jehovah’s getuigen. Uitg. Groen, Leiden 1992. 95 blz. f 18.50.

De Jehovah’s getuigen zijn nog steeds actief. Ze worden ook kritisch besproken in de samenleving, niet het minst doordat eigen leden zich tegen de beweging keren. Groei enerzijds, verlies anderzijds en ontmaskering van hun financiële praktijken. Dit alles vindt men up-to-date beschreven door ds. Veldhuizen. Hij weet heel wat van sekten en stromingen af. Het is goed dat hij voorlichting over hun dwalingen combineert met informatie over wat er gebeurt in en rondom de organisatie. De schrijver heeft een goed evenwicht weten te bereiken en schrijft afwisselend over het een en het ander, soms binnen één hoofdstuk. Een praktisch, goed bruikbaar boekje.

Idske de Jong-de Haan, Maat en overmaat. Over alcohol, gokken, experiment en verslaving. Uitg. Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1992, in de serie Pastoraal perspectief. 112 blz. f 14.50.

Dit is een praktisch boekje over het onderwerp. De schrijfster is preventie-medewerkster bij de vrijgemaakt Gereformeerde Stichting ‘De Driehoek’. Het boekje bevat cijfers en verhalen uit het leven en praktische adviezen vanuit bijbelse gegevens. Het wil ook de gemeente in haar diaconale taak toerusten. Het advies uit Spreuken 31 : 6 wordt afgewezen (blz. 82). Zou dat ook niet anders kunnen worden verstaan dan de schrijfster denkt? Met het oog op (ex-)alcoholverslaafden pleit zij voor het gebruik van water in plaats van wijn. Een in zijn algemeenheid te vergaand voorstel, lijkt me. Het is een bijzonder praktisch boekje, dat zijn dienst kan bewijzen, in het bijzonder aan die ambtsdragers en gemeenteleden, die met dit probleem te maken hebben.

M.R. van den Berg. Ik ben gedoopt. Uitg. Van de Berg, Kampen 1992. 72 blz. f 34,50. Dit is een fraai uitgegeven, gebonden boekje over de betekenis van de doop. Er staan dertig tekeningen (reprodukties of foto’s) in, zwart-wit of in kleuren, om de verschillende facetten van de doop te illustreren! ‘Kinderdoop of volwassendoop’ heeft mij het meest getroffen. Er wordt gewezen op de noodzaak van geloof. Toch lijkt mij bespreking van de geloofsbeleving, dieper dan hier gebeurt, nodig. De prijs is tamelijk hoog. Het is een kostbare uitgave (in dubbele zin!).

Dr. J. Renkema, Klaagliederen. Serie Commentaar op het Oude Testament. Uitg. Kok, Kampen 1993. 46 blz. f 67,50.

Voor dit deel heb ik veel waardering. Het geeft een intensieve bespreking van het boek Klaagliederen. Van de historisch-kritische methode wordt gebruik gemaakt. Dat blijkt in het resultaat. Desondanks vind ik het een waardevol en verhelderend commentaar. Het is door Kok prachtig uitgegeven.

Dr. P.H.R. van Houwelingen, 2 Petrus - Judas. Testament in tweevoud. Uitg. Kok, Kampen 1993. 176 blz. f 36,–.

Met genoegen kondig ik dit deel van de serie aan, die onder redactie staat van prof. J. van Bruggen. Het boek wordt gekenmerkt door eerbied voor de Schrift als het Woord van God, door aandacht voor details, zonder dat dit afbreuk doet aan visie op de grote lijn. Ik zal dit boek graag gebruiken bij mijn studie en beveel het anderen van harte aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.