+ Meer informatie

MAG DE KERK DE POLITIEKE KEUZE VAN HAAR LEDEN BEÏNVLOEDEN?

12 minuten leestijd

Het aantal leden van de politieke partijen daalt drastisch. Tussen 1950 en 1960 schommelde het aantal leden van de KVP nog tussen de 300.000 en 400.000. Dat zijn aantallen waar politieke partijen nu niet meer van durven dromen. De christenen vormden in vroeger tijden een massaal draagvlaken een vruchtbare voedingsbodem voor de christelijke politiek. Maar tijden veranderen. Christelijke politiek is voor veel mensen een onbespreekbaar onderwerp geworden, vanwege de pluriformiteit en soms zelfs pluraliteit in de christelijke gemeente. Een taboe, omdat het leidt tot polarisatie en soms zelfs stigmatisering onder broeders en zusters van hetzelfde huis die tot verschillende partijpolitieke keuzes komen. En dan de vraag: Mag de kerk de politieke keuze van haar leden beïnvloeden?

Het is veel makkelijker om de vraag te stellen dan om het antwoord te geven. Bij het zoeken naar een antwoord wil ik proberen de vraag te benaderen vanuit de historische, de culturele, de theologische en de praktische context. Schoenmaker blijf bij je leest is mijn regel, maar op verzoek van de redactie maak ik graag een uitzondering…

De kleine luyden

De betrokkenheid van christenen bij de politiek is niet groot. Dat was in de 19e eeuw en in de eerste helft van de 20e eeuw wel anders. De ARP bijvoorbeeld was de eerste politieke partij van Nederland. Dat was niet te danken aan de wens van de orthodoxe christenen om zich te organiseren, maar dat was een gevolg van de schoolstrijd. De naam van Groen van Prinsterer is onlosmakelijk aan deze schoolstrijd verbonden. Hoewel er nog geen landelijke politieke partijen bestonden, droomde Groen bij zijn aantreden in de landelijke politiek in 1849 al van een partij, een nationale beweging. Hij dacht daarbij niet aan de beperkte kring van kiesgerechtigden, maar ook aan het gewone volk achter de kiezers.

Groen slaagde er niet in het volk te mobiliseren. Abraham Kuyper slaagde daar later wel in. Hij manifesteerde zich rond 1875 als de leider van de ongeorganiseerde antirevolutionairen. Hij betitelde het volk achter de kiezers als de kleine luyden en vocht voor hun kiesrecht. De schoolwet van Kappeyne van de Coppello, die het bijzonder onderwijs opzadelde met enorme lastenverzwaringen, leidde uiteindelijk tot de oprichting van de ARP. De orthodoxe christenen begrepen dat er écht iets moest gebeuren. Kuyper organiseerde het volkspetitionement dat in een mum van tijd 300.000 handtekeningen opleverde, terwijl er niet meer dan 100.000 kiesgerechtigden waren. De ARP als een massale beweging van christenen was geboren. In de eerste helft van de 20e eeuw werden de congressen van de ARP nog massaal bezocht. Zodra Hendrik Colijn de zaal binnentrad, rezen de kleine luyden als één man op en hieven zij spontaan Psalm 134: 3 aan: “Dat ‘s Heren zegen op u daal…”

Vrijmaking?

De betrokkenheid van kerken en predikanten bij de christelijke politiek was in de 19e eeuw en in de eerste helft van de 20e eeuw ook anders. De Nederlandse Hervormde Kerk bijvoorbeeld is de kerk die vanouds gestempeld wordt door pluriformiteit en pluraliteit, maar de betrokkenheid van predikanten uit bijvoorbeeld de Gereformeerde Bond bij de christelijke politiek was groot. De oprichters van de bond droomden zelfs van de vrijmaking van de Hervormde Kerk door de christelijke politiek. De ARP moest de Hervormde Kerk bevrijden van de Reglementenbundel van Koning Willem I. Vooraanstaande predikanten uit de kring van de bond waren nauw betrokken bij het reilen en zeilen in de ARP. Professor Visscher was een goede vriend van Kuyper en professor Severijn, één van de voorzitters van de bond, was jarenlang lid van het Centraal Comité van de ARP. En in de Waarheidsvriend, het officieel orgaan van de bond, werden de lezers zonder blikken of blozen opgeroepen op de ARP te stemmen. Luitenant-Generaal Duymaer van Twist, bestuurslid van de bond, was immers lid van de Tweede Kamer voor de ARP.

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde er veel binnen de ARP, waardoor de betrokkenheid vanuit de Gereformeerde Bond minder werd. De samensmelting van ARP, CHU en KVP betekende het definitieve einde. Sindsdien zwabberen veel keizers uit de kring van de bond stuurloos rond. En zo vergaat het ook veel kiezers in de afgescheiden kerken.

Geen woorden, maar daden

Intussen is er wèl werk aan de winkel voor de christelijke politiek. Kort gezegd: er gaat nogal was mis in de samenleving. Daar ligt een taak voor de christenen en de christelijke politiek. Ik moet in dit verband denken aan een interview met Wim de Knijff, de trendwatcher van de EO, dat het politiek magazine van de RPF in december 1999 publiceerde. Het was een interview naar aanleiding van een onderzoek naar de toekomstverwachting van de Nederlanders. Hoewel slechts 15% van de ondervraagden politieke actie van christenen verwacht, rekent niet minder dan 71% op een bijdrage aan het herstel van normen en waarden en 51% op impulsen voor een gezond milieu. “Als ik de resultaten van het onderzoek bestudeer, kom ik tot één conclusie: de samenleving verwacht dat christenen hun liefde voor de naaste tonen: geen woorden, maar daden”, aldus Wim de Knijff. “Veel christenen aarzelen om zich buiten de kaders van de directe evangelieverkondiging te begeven. De macht van de boze manifesteert zich echter niet alleen in mensen, maar ook in allerlei samenlevingsverbanden. Daarom zouden christenen zich niet alléén moeten richten op de bekering van het individu, maar ook op de bekering via de politieke besluitvorming”. Wim de Knijff signaleerde in 1999 een toenemende politieke bewustwording van christenen: “De oecumene van het hart vertaalt zich gaandeweg in een oecumene van de handen. Dat is een groeiproces. Dat heeft tijd nodig. Maar het geloof in Jezus Christus motiveert gelukkig steeds meer christenen om sleutelposities in te nemen in de samenleving”. Het is onmogelijk het Evangelie te verkondigen en de maatschappelijke nood te negeren. “Hét voorbeeld is de palliatieve zorg, waarin christenen een voortrekkersrol vervullen. Dat is enorm belangrijk in de strijd voor de beschermwaardigheid van het leven. De verworvenheden van Paars dringen nu pas tot ons door. We hebben een Woord voor de wereld en de christelijke politiek is een instrument om dat Woord metterdaad binnen te dragen in de samenleving”.

Politiek op de kansel?

Hier komen de christelijke politiek en de missionaire roeping van de christelijke gemeente bij elkaar. Dat was ook de ontdekking van de apostolaatstheologie, waarvan A.A. van Ruler één van de voornaamste vertegenwoordigers was. In de Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk van 1951 kreeg onder de noemer apostolaat ook de kerstening van de samenleving een plaats. De Nederlandse Hervormde Kerk sprak in kanselboodschappen en herderlijke schrijvens tot overheid en volk. Dit politieke spreken ging over een heleboel onderwerpen, zoals de doodstraf, de koloniale kwestie, de omroep, het huwelijk en de kernwapens. De bedoeling was goed. Het ging de kerk om de doorwerking van Gods beloften en geboden in de sociale en politieke verhoudingen. De inhoud werd echter door maar weinig kerkleden herkend. Sinds 1951 is er veel veranderd. De kerk is inmiddels een minderheidskerk en een verdeeld huis — meer dan ooit. A. Noordegraaf schrijft daar behartenswaardige dingen over in Vijf broden en twee vissen. Als de christelijke gemeente in onze moderne samenleving een missionaire gemeente wil zijn, moet zij terug naar de kern van het gemeente-zijn. Een gemeente die zich overgeeft aan activistisch apostolaat krijgt op den duur last van bloedarmoede en verliest haar werfkracht. De kern is de omgang met God, de gemeenschap met elkaar en de dienst aan de samenleving. Vanuit de relatie met Jezus Christus en in de navolging van Hem is de christelijke gemeente present in de wereld. Missionaire activiteiten moeten geworteld zijn in een belijdende en lofprijzende gemeenschap, waar mensen worden voorbereid voor de priesterlijke dienst in de wereld, een gemeenschap van wederzijdse verantwoordelijkheid en een gemeenschap van hoop (L. Newbigin). Het preken van de kerk mag niet wijken voor het spreken van de kerk (W.H. Velema). Daarmee gaat de kerk buiten haar Boekje. Dat is beneden haar stand. Het gaat om de verkondiging van het heil en de doorwerking daarvan in het dagelijks leven. Het gaat om prediking in rapport met de tijd, prediking die de tijdgeest ontmaskert en de gemeente leert waarop het aankomt.

Kerk met een grote K

Heeft de kerk nog iets te zeggen in de multiculturele en multireligieuze samenleving? Is de kersteningsgedachte een illusie? Nee, want Jezus is Heer/Het woord kerstening is misschien beladen, maar de zaak is onopgeefbaar. De kerk wil iets met deze wereld. De kerk wil de waarheid als public truth uitspreken, opdat het evangelie als een zuurdesem alle verhoudingen doortrekt. De democratische samenleving is geen neutraal speelveld, maar het terrein waarop zich de strijd der geesten voltrekt. Welke rol kan de kerk hierin vandaag spelen? Tijdens het euthanasiedebat concludeerden mijn collega’s van D66 en GroenLinks dat wij niet namens de kerken spraken, omdat er vanuit de kerken ook andere geluiden klonken. En dat was niet de eerste keer…

De arm van de kerk als instituut is te kort om de dienst aan de samenleving als onderdeel van haar missionaire roeping ten volle gestalte te geven. Theologisch en praktisch. Theologisch, omdat de kerk zich in onze multiculturele en multireligieuze samenleving meer dan ooit moet concentreren op de kern van het gemeente-zijn: de gemeenschap met God en met elkaar. Praktisch, omdat de minderheidskerk weinig invloed heeft en verdeeld is. De kerk als organisme — anders gezegd: de Kerk met de grote K — kan wel gestalte geven aan de dienst aan de samenleving. Vanuit de oecumene van het hart kan en moet het komen tot een oecumene van de handen.

De kerk spreekt als instituut door de ambtelijke vergadering en door de ambtelijke dienst van de prediker. De kerk spreekt als organisme door de leden van de gemeente, die zich in oecumenische en semi-kerkelijke of christelijke (en soms ook nietchristelijke) verbanden inzetten voor vernieuwing van de samenleving. De kerk als instituut en als organisme zijn de twee gezichten van hetzelfde wezen. De politieke partij is in mijn optiek een manifestatie van de kerk als organisme om de dienst aan de samenleving gestalte te geven. Het politieke spreken van de kerk moet vandaag worden ingevuld door de gemeenteleden. In de verbanden waarin zij actief zijn, zoals politieke partijen. Daarom moet de kerk zich concentreren op de toerusting van de gemeente in prediking en pastoraat tot dienst aan de samenleving.

Bijbel en belijdenis

Maar: bij welke politieke partij komen de leden van onze kerken en gemeenten dan uit? Onze broeder en vriend Bert Loonstra denkt in Zo goed en zo kwaad na over een ethiek van de christelijke gemeente. Hij stelt zichzelf de vraag of een christen actief kan zijn in een niet-christelijke politieke partij. Loonstra sluit dat uit. Principieel en praktisch. Het fundament van een niet-christelijke politieke partij is de volkssoevereiniteit. Daar kan een christen principieel niet mee uit de voeten. De inbreng van een christen binnen een niet-christelijke politieke partij loopt vast in de interne bezinning en klinkt in de externe presentatie nauwelijks door. Dat werkt praktisch weinig uit. Loonstra onderstreept het belang van christelijke partijvorming, omdat een christelijke politieke partij erkent dat Jezus regeert (1), nadenkt en spreekt over de vertaling van het christelijk geloof in politiek handelen (2) en politieke invloed uitoefent (3). Een partij is christelijk als zij in de grondslag verwijst naar de bijbel en bovendien iets zegt over de manier waarop de bijbel verstaan moet worden. Loonstra: “Het ligt voor de hand ervan uit te gaan dat de grondslag van de partij bindend is voor alle leden”. En: “Een persoonlijke binding aan de grondslag van een christelijke partij is daarom een onmisbare voorwaarde voor herkenbare christelijke politiek”. Hij somt de vier christelijke partijen op: CDA, GPV, RPF en SGP. Inmiddels zijn dat er drie: CDA, ChristenUnie en SGP. Welke partij is de partij van zijn keuze? Loonstra ziet het niet zitten met de SGR omdat deze partij geen afstand neemt van de opvatting dat de overheid valse godsdienst eventueel zelfs met het zwaard zou moeten bestrijden. De pastor uit Hoogeveen kan geen keuze maken tussen CDA en Christenunie en daar begrijp ik helemaal niks van. Dat is niet consequent, want het CDA beantwoordt niet aan zijn criteria voor een christelijke politieke partij. Is er bij de christen-democraten sprake van een persoonlijke binding aan de grondslag bij alle leden en de vertegenwoordigers? Voor mij is de keuze niet zo moeilijk…

Dringend appèl

De kerk heeft een Woord voor de wereld. De christelijke politiekis een van de instrumenten om dat Woord metterdaad binnen te dragen in de samenleving. Het is de taak van het instituut om door de ambtelijke dienst het organisme hierin te ondersteunen en toe te rusten in prediking en voorbede, zodat de gemeenteleden gaan ontdekken dat het een vanzelfsprekende zaak is dat zij hun stem uitbrengen èn dat zij hun stem uitbrengen op een christelijke politieke partij. De kerk als instituut is — zeker in de huidige context — niet de plaats voor een partijpolitiek stemadvies. De christelijke gemeente is principieel een pluriforme gemeente. Daarin moet ook ruimte zijn voor uiteenlopende politieke keuzes. Een gemeentepredikant die publiekelijk een concreet stemadvies geeft of zich kandidaat stelt voor een politieke partij moet ervoor oppassen geen misbruik te maken van de ambtelijke dienst. Dan kan leiden tot polarisatie en soms zelfs tot stigmatisering binnen ‘zijn’ gemeente. Het zou de christelijke politiek dienen als het gesprek over het hart van de christelijke politiek en over de uiteenlopende politieke keuzes binnen de gemeente in alle openheiden verdraagzaamheid gevoerd zou kunnen worden. Het is de taak en verantwoordelijkheid van predikanten en voorgangers daar een aanzet toe te geven.

De christelijke politiek en de kerken hebben elkaar nodig. De christelijke politiek kan niet zonder de kerk als de werkplaats waar de Heilige Geest ook politici vermaant en vertroost, voedt en vormt. De kerk kan niet zonder de christelijke politiek in een tijd dat allerlei levensterreinen zich aan de invloed van het christelijk geloof en de christelijke kerk onttrekken. Het is meer dan ooit nodig dat kerk en politiek onder de zegenende handen van onze God eendrachtig werken aan de politieke bewustwording van christenen. Het is nodig dat zij gaandeweg weer een politiek-maatschappelijke beweging — een manifestatie van de kerk als organisme in een oecumene van de handen — bewerken, waarin het perspectief van het komende Koninkrijk zichtbaar wordt. Daarom doe ik een dringend appèl op kerken en gemeenten, predikanten en voorgangers: “Werk er alstublieft aan mee dat de kerk weer een massaal draagvlak en een vruchtbare voedingsbodem wordt voor de christelijke politiek”.

De heer Van Dijke is lid van de gemeente van Middelburg; in het dagelijks leven is hij tweede-kamerlid voor de Christen Unie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.