+ Meer informatie

Geloof en natuurwetenschap -III-

15 minuten leestijd

door Drs. C. de Pater,

DE MECHANISERING VAN HET WERELDBEELD

Verschillende onderzoekers (72) hebben aangetoond dat de bijbelse notie van de kontingentie in Gods werken de weg heeft gebaand voor de ontplooiing van de moderne natuurwetenschap. (73) De erkenning dat we Gods werken hebben te aanvaarden zoals Hij ze ons doet toe-vallen, brengt met zich mee dat het rationalisme van de oude natuurwetenschap plaats maakt (74) voor het rationeel-empirisme van de nieuwe natuurwetenschap, waarin de menselijke rede uitsluitend de taak heeft om uit de in waarneming en experiment verzamelde gegevens bepaalde konklusies te trekken. (75)

De voorkeur voor de experimentele wetenschap gaat gepaard met een herwaardering voor het werken met de handen (76), met als gevolg een groeiende invloed van handwerkers op de natuurwetenschap. Door het invoeren van mechanische methoden (77) van natuuronderzoek wordt de opvatting over de natuur beïnvloed: terwijl de oude natuurwetenschap haar ziet als een groot levend organisme, en de mening is toegedaan dat de menselijke kunst geen natuurlijke produkten kan maken, beschouwt de moderne natuurwetenschap haar eerder als een mechanisme. De delen van de natuur worden niet met levende wezens maar met machines vergeleken, zodat het principiële onderscheid tussen het natuurlijke en het kunstmatige (mechanische) verdwijnt of tenminste vervaagt. (78)

Deze ontwikkeling, die men aanduidt met de term "de mechanisering van het wereldbeeld" (79) begint bij Copernicus (1473-1543) en vindt zijn voltooiing bij Newton (1642-1727).

Ook al is het machine-model niet geheel adekwaat omdat de maker van een machine gebonden is aan de aard van zijn materialen, terwijl God ze zelf schept, en omdat een machine in zekere zin onafhankelijk van de ontwerper zijn werk doet, terwijl God zelf Zijn schepping onderhoudt en bestuurt, toch hebben de reformatorisch gezinde natuuronderzoekers (en niet alleen zij) het mechanisch model (80) verkozen boven het organistisch wereldbeeld.(81), waarin duidelijk elementen van natuuraanbidding aanwezig zijn. (82)

De notie van een bijna goddelijke natuur is

voor Robert Boyle een belediging aan het adres van God, die als een bekwaam Ontwerper de wetten der beweging in de materie heeft gelegd, en ze Zelf onderhoudt, zonder medebestuur van een gepersonifieerde goddelijke natuur.(83) De mechanistische bewegingswetten eren de Schepper meer dan het organistische natuurbegrip. (84)

Ook Newton ziet de wereld als een machine die door Gods voortdurende bemoeiing in stand wordt gehouden. (85) De eerste newtonianen geloofden in Gods onderhoudende werkzaamheid, tegen het deïsme van Descartes en Leibniz (86), die van mening waren dat God de wereldklok slechts had opgewonden en deze verder aan zijn lot overliet. (87)

ISAAC NEWTON (1642-1727) EN HET RATIONEEL-EMPIRISME VAN DE ACHTTIENDE EEUW

In 1687 verscheen Newtons hoofdwerk "Philosophiae naturalis principia mathematica" (88), waarin hij de ontdekking van de algemene gravitatie bekend maakte (89). Terwijl voor Descartes de grondwaarheden der natuurkunde ons zijn aangeboren, zodat we deze wetenschap buiten de ervaring om met onze rede deduktief kunnen ontwikkelen door uit te gaan van "klare en duidelijke" (90) beginselen (91), hebben voor Newton alleen dfe uitspraken geldigheid die uit natuurverschijnselen (phaenomena) zijn afgeleid. (92) Hij geeft dan ook geen verklaring van de aantrekkingskracht, omdat geen enkel experiment hem daarover informatie geeft. De proeven leren alleen dat er zo'n kracht bestaat. (93) "Gravitatie" is een woord voor een waargenomen verschijnsel, dat beschreven kan worden in mathematische taal, maar waarvan we het wezen niet kennen.

De cartesianen beschuldigden Newton van het invoeren van okkulte eigenschappen omdat het niet-mechanistische aantrekkingsprincipe niet "klaar en duidelijk" (94) was voor de menselijke rede. Roger Cotes, die voor Newton de tweede uitgave van de "Principia" verzorgde, weerlegde hun kritiek in een uitvoerig voorwoord, waarin hij betoogde dat we de natuurwetten niet moeten afleiden uit onzekere vermoedens, maar uit waarnemingen en experimenten, ook al voeren die ons naar beginselen die door de cartesianen okkult genoemd worden. (95)

De gravitatiewet van Newton maakte een diepe indruk op zijn tijdgenoten. Men meende nu dé grondwet van de kosmos ontdekt te hebben, zodat Newton tot stand gebracht heeft, wat aan Boyle, Pascal (96) en Huygens niet gelukt is: de omverwerping van het cartesianlsme. Met hem begint de triomf van de ervaring over de rede. De achttiende eeuw wordt de eeuw van het rationeelempirisme. (97)

De natuurwetenschappen hebben een buitengewoon grote invloed uitgeoefend op het achttiende eeuwse geestesleven. Wat in de zeventiende een aangelegenheid was geweest van kleine groepen onderzoekers, wordt thans een element van de algemene denkhouding in de kringen der ontwikkelden. Men legde verzamelingen aan op biologisch en mineralogisch gebied, en er werden genootschappen opgericht die zich experimenteel natuuronder zoek of theoretische natuurbeschouwing ten doel stelden. (98)

In 1739 schreef Van Musschenbroek (99) hierover: "Nooit heeft men in het vereenigd Nederland meer Liefhebbers der Natuurkunde ontmoet, dan in onzen tegenwoordigen tyd: want niet alleen bloeit deeze wetenschap onder de

meeste Geleerden, maar ook by veele voornaams kooplieden, en menschen van allerlei rang en waardigheid. Men ziet in sommige voornaame Steden Genoodschappen opgeregt, waarin men beezig is met een grooten toestel van allerlei kostbaare Instrumenten proeven te neemen, en zich in de bespiegelingen der eigenschappen en werkingen van veelerlei lighaamen te verlustigen (..). zodat de proefelyke Natuurkunde tegenwoordig door veele menschen met ongemeene drift geleerd en voortgezet wordt; welke eerst door het leezen der voortreffelyke Waereldbeschouwingen van den godvruchtigen en wyzen Heer Nieuwentyt (100) opgewekt zyn geworden om de groote verborgentheden, in de geschaape lighaamen van den Almagtigen Maaker gelegd, te zien en te leeren kennen. " (101)

ACHTTIENDE EN NEGENTIENDE EEUWSE "HUBRIS" (102)

Door de suksessen die de natuuronderzoekers in de achttiende eeuw boekten met het gravitatieprincipe gaat meer en meer de mening post vatten dat Newton de mensheid de sleutels verschaft heeft tot verklaring van alle natuurverschijnselen (103). Vooral in Frankrijk, waar men van cartesiaan aanhanger van Newton was geworden, wordt hij als een halfgod vereerd.

Voltaire, de popularisator van Newton, vertolkt de gevoelens van velen als hij aan de cherubijnen om Gods troon vraagt:

Vertrouwden Gods, wezens der eeuwigheid, Die, door zijn vuur ontbrand, de grote majesteit Uws Meesters troon met vleugelen bedekt, - Heeft Newtons grootheid nooit uw afgunst opgewekt? (104)

Newton zelf is heel wat bescheidener. Voor hem is God Degene die alles "schoon, ordelijk, doelmatig en vernuftig" (105) geschapen heeft. Hij ziet zichzelf als iemand die slechts iets van deze schoonheid in de natuur heeft mogen ontdekken: "Ik weet niet wat ik voor de wereld schijnen moge, maar voor mij zelf lijk ik slechts een kind geweest te zijn, dat aan het zeestrand speelt en zich vermaakt met nu en dan een gladdere steen of een mooiere schelp te vinden dan gewoon, terwijl de grote Oceaan der wereld onontdekt voor mij lag". (106)

Terwijl Newton zelf onderscheid maakt tussen de mathematische beschrijving en de fysische werkelijkheid van een natuurverschijnsel, zien vele newtonianen dit principiële verschil over het hoofd. (107) Het gravitatiebeginsel wordt voor hen een dogma, waarmee alle verschijnselen verklaard moeten worden.

Boerhaave (108) die Newtons bedoelingen beter begreep dan velen die zich newtoniaan noemden, heeft zich verzet tegen dit nieuwe dogmatisme. Hij hoopt dat men, gedachtig aan de wijsheid van Newton, wat minder hoog zal opgeven van de algemene waarde van het aantrekkingsprincipe. Want de zwaartekracht verklürt niets: Newton, "de scherpzinnigste der wijsgeren"

begrijpt het wezen ervan niet beter dan iemand die haar slechts met de zintuigen waarneemt. (109)

De vele ontdekkingen die men doet bij het natuuronderzoek hebben een grote invloed op de religie van de achttiende eeuwer. Vele predikanten, beijveren zich om de door ervaring en rede verworven natuurkennis te gebruiken om het christelijk geloof te verdedigen (110), en verschillende natuuronderzoekers zien het als hun plicht om God te eren door hun wetenschapsbeoefening (111). Anderzijds zijn er echter ook velen die naar het deisme overhellen, omdat zij door de gevonden wetmatigheden in de natuur voor zichzelf de konklusie trekken dat de wereldmachtne feilloos werkt, zodat God meer en meer buiten Zijn Schepping geplaatst wordt. (112)

Het sukses van de newtoniaanse fysüca is er de oorzaak van dat men ook in de opkomende menswetenschappen de empirische deduktieve methode toepaste. De orde en de harmonie die men in het heelal opmerkte meende men ook te kunnen realiseren in de mensenwereld door observatie en experiment, en deduktie van wetten omtrent het menselijk gedrag. Men twijfelde er niet aan of de newtoniaanse methode zou de mens in staat stellen om een sociaal wetenschappelijk systeem te ontwerpen dat hij maar had te volgen om in een gouden eeuw te belanden. (113)

Voor deze grensoverschrijding is Newton niet verantwoordelijk, evenmin als voor de langzamerhand gegroeide opvatting dat een globale gebeurtenis te verklaren is uit zijn elementaire faktoren. (114)

Het geloof in een logisch opgebouwde en streng gedetermineerde wereld, waarin strikte kausaliteit geldt, neemt in de 18e eeuw buitengewone proporties aan. Terwijl Newton op grond van enkele waargenomen onregelmatigheden van mening was dat God van tijd tot tijd persoonlijk moest ingrijpen om het zonnestelsel weer in evenwicht te brengen en te redden van de ondergang door het tegen elkaar botsen van planeten (115), wijst de wiskundige Pierre Simon de Laplace (1749-1827) aan het einde van de achttiende eeuw een ingrijpen van God af. (116) Laplace wist de door Newton waargenomen afwijkingen te verklaren, en betoogde dat het zonnestelsel "werkte" volgens de precisie van een uurwerk.

Het geloof in God wordt vervangen door het geloof in een strikte kausaliteit, dat hij als volgt, in een beroemd geworden citaat onder woorden brengt: "We kunnen de tegenwoordige toestand van het heelal beschouwen als het gevolg van zijn verleden en de oorzaak van zijn toekomst. Een intelligentie die op een bepaald moment alle krachten die in de natuur werkzaam zijn, en de plaats van alle samenstellende delen zou kennen, en die voorts in staat zou zijn al deze gegevens te analyseren, zou de bewegingen van de grootste stelsels van het heelal, en die van het kleinste atoom in één formule kunnen samenvatten; voor zulk een intelligentie zou niets onzeker zijn, zij zou het verleden en de toekomst in hun geheelkunnen overzien. " (117)

Dit is de geloofsbelijdenis van de promethéische mens die meent met zijn wetenschappelijke kennis de kosmos te kunnen beheersen, en die alle verantwoordelijkheidsgevoel verliest tegenover God. Deze hubris beheerst een groot deel van de achttiende en de gehele negentiende eeuw, en ondanks het feit dat de opvatting van Laplace over kausaliteit juist binnen de natuurwetenschappen onhoudbaar is gebleken, is zij één van de aspekten van de westerse kuituur in de twintigste eeuw.

72. Het boek "Religion and the rise of modern science" (Edinburg and London, 1972) van R. Hooykaas is gedeeltelijk aan dit thema gewijd.

Vgl. M. B. Forster, The christian doctrine of creation and the rise of modern natural science, Mind 43 (1934), p. 446-468. C.J.Dippel en J.M.de Jong, a.w. p. 90-102.

73. R. Hooykaas spreekt van de emancipatie van de natuurwetenschap die een bevrijding is van de overblijfselen van natuuraanbidding en de heerschappij van de filosofie. (The christian approach in teaching science, p. 17)

74. Dit proces is versneld door de "harde feiten" van de ontdekkingsreizen. R. Hooykaas, Geschiedenis der natuurwetenschappen, p. 91-93, p. 90.

75. Vergelijk R. Hooykaas, Robert Boyle, Loosduinen, z. j. p. 22. "De ware experimenteele philosooph zoekt waax'heden uit de waarnemingen te halen" (uitspraak van Boyle, 1626-1691).

76. Dit werd door de Grieken veracht, vgl. noot 21. Vergelijk ook ons huwelijksformulier, dat spreekt van het "goddelijk beroep" van de man.

77. Mèchanè" (Grieks) betekent letterlijk "list", "kunstgreep". Met behulp van een mechanische methode ben je de natuur te slim af. De afgeleide betekenis van "mèchanè" is "werktuig".

78. R. Hooykaas, Geschiedenis der natuurwetenschappen, p. 90.

79. Naar de gelijknamige titel van een boek van E. J. Dijksterhuis. Vergelijk ook R.Hooykaas, Religion and the rise of modern science, p. 13-17, "The mechanistic world picture".

80. "model" is een anachronisme. De 17e en 18e eeuwse natuuronderzoekers meenden met het woord "machine" de werkelijkheid te beschrijven. In de 19e en 20e eeuw gaat men echter het essentiële verschil zien tussen de werkelijkheid en een model dat deze werkelijkheid beschrijft.

Vergelijk ook R. Hooykaas, Religion and the rise of modern science, p. 25, 26.

81. R. Hooykaas, Religion and the rise of modern science, p. 15.

82. Zie noot 25.

83. R. Hooykaas, Religion and the rise of modern science, p. 17, 18.

84. R. Hooykaas, Religion and the rise of modern science, p. 14. 85. R. Hooykaas, Religion and the rise of modern science, p. 19 . Zie ook A.Koyré. Newtonian studies, London 1965, p. 20, 21.

86. René Descartes, 1596-1650, vader van het (rationalistische) cartesianisme. Gottfried Wilhelm Leibniz, 1646-1716, verlichtingsfilosoof en mathematicus.

87. A.Koyré, a.w. p. 21. God gaf alleen maar een "chiquenaude", een vingerknip.

88. "Mathematische beginselen der natuurwetenschap".

89. "All bodies whatsoever are endowed with a principle ot mutual gravitation." Newton, Principia, Dover-editie p. 399.

Twee lichamen trekken elkaar aan met een kracht die evenredig is met hun massa en omgekeerd evenredig is met het kwadraat van hun afstand. Het geniale van Newton is dat hij in deze ene wet verschillende uiteenlopende verschijnselen samenbrengt zoals de bewegingen van de hemellichamen en het vallen van een voorwerp naar de aarde. Eb en vloed worden verklaard door aantrekking van de aarde door de zon en de maan. R.Hooykaas, Geschiedenis der natuurwetenschappen, p. 167, 168.

90. Uitdrukking van Descartes. F. Sassen, "Descartes", Den Haag, 1963, p. 80: "idees claires et distinctes".

91. R.Hooykaas, Rede en ervaring in de natuurwetenschap der achttiende eeuw, Amsterdam, 1946, p. 9.

92. R.Hooykaas, Geschiedenis der natuurwetenschappen, p. 168.

93. R.Hooykaas, Rede en ervaring in de natuurwetenschap der achttiende eeuw, p. 14.

94. Volgens de cartesianen moest de gravitatie verklaard worden op mechanistische wijze, aangezien elke wisselwerking geschiedt door kontakt van lichamen. Aangezien Newtons gravitatiebeginsel een niet-mechanistische beschrijving is van zo'n wisselwerking, is het niet "klaar en duidelijk" in cartesiaanse zin.

95. "These therefore we must not seek from uncertain conjectures, but learn them from observations and experiments. He who is presumptuous enough to think that he can find the true principles of physics and the laws of natural things by the force alone of his own mind, and the internal light of his reason, must either suppose that the world exists by necessity, and by the same necessity follows the laws proposed; or if the order of nature was established by the will of God, that himself, a miserable reptile, can tell what was fittest to be done. All sound and true philosophy is founded on the appearances of things; and if these phenomena inevitably draw us, against our wills, to such principles as most clearly manifest to us the most excellent counsel and supreme dominion of the All-wise and Almighty Being, they are not therefore to be laid aside because some men may perhaps dislike them. "

Roger Cotes, Preface, p. XXXII van de Dover-editie, deel 1.

96. Blaise Pascal, 1623-1662,

"Al wat onbegrijpelijk is, houdt nog niet op te zijn" Geciteerd naar R.Hooykaas, "Pascal, zijn wetenschap en zijn religie", (Orgaan Chr. Veren. Natuur-en Geneesk. 32 (1939), p. 159)

97. R.Hooykaas, Rede en ervaring etc. p. 15.

98. R.Hooykaas, Rede en ervaring etc. p. 5-8.

99. Petrus van Musschenbroek, 1692-1761, hoogleraar natuurkunde in Duisburg, Leiden en Utrecht.

Met Boerhaave en 'sGravesande behoorde Van Musschenbroek tot de eerste newtonianen op het vasteland van Europa.

100. Bernard Nieuwentyt, 1654-1718, schreef:

"Het regt gebruik der wereltbeschouwingen, ter overtuiginge van ongodisten en ongelovigen aangetoont", vierde druk, 1725, Amsterdam.

101. p. van Musschenbroek, Beginsels der natuurkunde, beschreeven ten dienste der landgenooten. Leiden 1739, tweede druk, voorreden.

(In de eerste druk die in 1736 verscheen staat slechts een gedeelte van het opgenomen citaat).

102. hubris, overmoed, zie noot 37.

103. Newton zelf heeft ten aanzien hiervan slechts enkele voorzichtige opmerkingen gemaakt. R.Hooykaas, Rede en ervaring etc. p. 24.

104. R. Hooykaas, Geschiedenis der natuurwetenschappen, p. 172.

105. R.Hooykaas, Geschiedenis der natuurwetenschappen, p. 171.

106. R.Hooykaas, Geschiedenis der natuurwetenschappen, p. 173.

107. R.Hooykaas, Rede en ervaring etc. p. 25.

108. Herman Boerhaave, 1668-1738, geneeskundige, botanicus en chemicus. In 1709 hoogleraar geneeskunde en botanie te Leiden.

109. R.Hooykaas, Rede en ervaring, etc. p. 24. Geschiedenis der natuurwetenschappen, p. 172.

110. Deze apologetische methode noemt men physico-theologie, "d.w.z. een theologie die de natuur zelf hanteert als eerste en voornaamste vindplaats van Gods Zelfopenbaring' '.

(J. Bots, Tussen Descartes en Darwin, geloof en natuurwetenschap in de 18e eeuw, Assen, 1972, p. 5)

111. Zo schrijft Van Musschenbroek aan het eüid van de "voorreden" in de "Beginsels der natuurkunde etc. ", 2e druk, 1739:

"Indien hiertoe ook myn werk strekken mag, en men uit de geschaape lighaamen van 't Heelal, en hunne wonderlyke eigenschappen het waare Aanweezen, en de Volmaaktheden van den Almagtigen en Oneindig wyzen GOD klaar leert zien en kennen, en hem kennende uit alle zyne magt verheerlykt, bemint, looft, en dient, zal ik myn oogwit bereikt hebben, en mynen arbeid wel besteed achten. "

112. "The Newtonian God reached the exalted position of a"Dieu faineant" which practically banished him from the world".

A.Koyré, a.w. p. 21.

113. A.Koyré, a. w. p. 22, 23.

114. A.Koyré, a.w. p. 23.

115. Isaac Newton, "Opticks", 4e ed. 1730, Dover ed. p. 402.

116. Toen Laplace aan Napoleon een exemplaar aanbood van zijn boek "Mécanique celeste" (hemelmechanica) stelde Napoleon hem de vraag, welke plaats God innam in zijn systeem. Laplace antwoordde hierop: "Je n'ai pas besoin de cette hypothese-la".

A.Koyré, a.w. p. 21.

Joseph Meurers meent overigens dat we Laplace onrecht doen door hem van atheïsme te beschuldigen ("Die Frage nach Gott und die Naturwissenschaft", MUnchen, 1962, p. 216).

117. Geciteerd naar R.J. Blin-Stoyle, "Keerpunten in de fysica", Utrecht, 1961, p. 93 (Aula 72).

Vergelijk daartegenover de opvatting van Newton;

"For it became him who created them (nl. materideeltjes, dP) to set them in order. And if he did so, it 's unphilosophical to seek for any other Origin of the World, or to pretend that it might arise out of a Chaos by the mere laws of Nature (...).

Such a wonderful Uniformity in the Planetary System must be allowed the Effect of Choice (van God nl. , dP).

I. Newton, Opticks, p. 402.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.