+ Meer informatie

Op familiebezoek in Amerika

Een verrassende kennismaking met land en kerk

11 minuten leestijd

Dus dit is nu Amerika. Ik kijk door het kleine vliegtuigraampje naar buiten. Ik zie gras en veel beton, wat gebouwen en veel vliegtuigen. John R Kennedy Airport. New York. Ik speur langs de horizon of ik al wolkenkrabbers zie. Een misverstand dat later vanzelf zal worden opgelost. De zwartgrijze DC-10 met de gouden kroon op de staart taxiet met een rustig gangetje richting luchthavengebouw. Plotseling lijkt iedereen haast te krijgen. Moe van de ervaringen en de reis sjokken we met de stroom mee door een witte, bijna steriele gang. Ik kijk naar de jongens. Met witte gezichten stappen ze toch nog monter door. Ook mijn vrouw Wilma is de vermoeidheid van het gezicht te lezen.
Ik leg onze twee visumaanvragen op de balie. Bij het inchecken op Schiphol is ons verteld dat alleen volwassenen zo'n formulier hoeven in te vullen. Maar we worden hier zonder pardon teruggestuurd: Voor de kinderen dient een afzonderlijke visumaanvraag te worden ingevuld. Op mijn vraag waar dan formulieren zijn te krijgen, wappert de beambte met haar hand richting hal. Daar staan we dan. In den vreemde. Terug kan niet. En Amerika mogen we niet in. De lol is er wel een beetje af Dan, opeens, klinkt er van de andere kant gelach en gepraat. Een groepje KLM'ers komt de hal binnen. We leggen ons probleem voor. En dan gloort er hoop: Er komt iemand op onze groep af, in zijn hand een stapel van de felbegeerde formuHeren. Hij deelt ze uit en zegt nog even fijntjes: „Met de complimenten van de KLM!"

Opgelucht
Ijlings zoeken we een plekje om te schrijven. En eindelijk staan we weer bij de balie. De immigratieambtenaar leest de formulieren met een ijzige kalmte door alsof ze ze uit het hoofd wil leren. Na een paar eindeloze minuten klapt ze er een stempel op. Even later staan we in de aankomsthal. Drommen mensen staan hier te wachten achter de hekken op familie en vrienden. Er moet zo te zien nog heel wat aankomen. Diversen zwaaien met bordjes met een naam er op. Dan roept Wilma plotseling: „Daar staan ze!" Opluchting klinkt door in haar stem. En ja hoor, daar staan de Vogelaars. Mijn zus met drie van haar kinderen. Ze steken bijna allemaal boven haar uit. Voor ons lijken ze een baken in de zee van gezichten. Een uitbundige begroeting volgt. Bagage wordt overgenomen en honderd pond lichter staan we even later buiten bij de auto's. Behaaglijk zak ik onderuit in de autostoel. Hier kan ik tenminste mijn benen strekken. In zo'n vliegtuig is het toch maar krap!

Troosteloos
We rijden het vliegveld af door een vlakke en vrij kale omgeving. Dan draaien we een autoweg op. Even later verrijzen links en rechts hoge muren. Zo ver als het oog reikt. Op die muren hekken. En achter die hekken flats. Of wat daarvan over is. Hele wijken met vervallen flatgebouwen. In de bermen langs de weg een ononderbroken strook afval, van huisvuil tot autobanden. Alie, mijn zus, schijnt mijn gedachten te raden. „Dit is niet het mooiste stukje van Amerika", zegt ze. Wanneer het stoplicht voor ons op rood springt, drukt ze de deurvergrendeling in voor ze stopt. „Is dat daar nog bewoond?" Ze knikt: „Meest zwarten, ook veel jeugdbendes en zo..." Voor ons verrijst een gigantische brug. Aan de overkant ervan rijden we een industriegebied binnen. Pijpen, schoorstenen, fabrieksterreinen en zo te zien niet het nieuwste van het nieuwste. Sommige maken een verlaten en vervallen indruk. Troosteloos. „Wanneer ze hier iets nieuws bouwen, laten ze het oude gewoon staan tot ze de grond nodig hebben", licht m'n zus toe. Onwillekeurig moet ik denken aan de woorden van onze Amerikaanse buurman in Holland: „New Jersey is a state to be far, far away from." Is dit nu Amerika? De Nieuwe Wereld? Waar alles kan? Bekend om haar welvaart en beschaving? En waar zijn toch die wolkenkrabbers? „Zie je in de verte vaag die kluit blokjes? Dat is Manhattan. New York bestaat voor het overgrote deel uit normale bebouwing. Slechts een heel klein deel is bebouwd met wolkenkrabbers: Manhattan. Daar concentreert zich het zakenleven van New York. Dat steekt overal boven uit. Dat is ook het gedeelte dat je altijd op foto's ziet. De rest is voor toeristen niet interessant genoeg." De snelweg verbreedt zich plotseling tot wel tien rijstroken: tol! „Rond de grote steden zijn veel grote wegen tolwegen", zegt Alie en haalt een munt uit een laadje in het dashboard. Met de arm uit het raam werpt ze het in een metalen vangbak en geeft meteen weer gas. Dit ritueel herhaalt zich het volgende kwartier nog een aantal malen. Het landschap om ons heen begint te glooien. Voor ons wordt het heuvelachtiger. Het grauw wordt geleidelijk groen. Links en rechts strekken zich bossen uit. Ik lees op de borden boven de weg: "287 North" en "80 West". Het zegt me niets. Als ik ernaar vraag, legt Alie uit: „Ze geven hier alleen wegnummers en richtingen aan. Je moet dus goed weten welke weg je moet hebben en welke richting. Het is even wennen, maar het werkt."

Drop
We nemen een afrit: Wyckoff! Lanen scheiden wijde gazons. Huizen, merendeels van hout, in pastelkleurige tinten. Grote huizen. Veel bomen. Veel gras. Een kleurrijk geheel! En dat blijft zo. Dat is dan ook weer Amerika: een land van tegenstellingen. We stoppen na enige tijd voor een groot wit huis: de pastorie. Thuis. Wat stijf en onwennig stap ik uit. We lopen de trap op en dan staan we in een grote woonkeuken. Mijn zwager komt met uitgestoken hand op me toe. „Welcome in Amerika. Zo, dus daar zijn jullie. Goede vlucht gehad?" Opgewonden doen de jongens hun verhaal. De vermoeidheid is even vergeten. Wanneer de koffers open gaan, zet de familie grote ogen op. We pakken de tafel vol: twee complete kazen, twaalf pakken hagelslag, zes kilopakken drop. „Geen wonder dat die koffers zo zwaar waren", verzucht m'n nichtje Rianne en grijpt het eerst naar de dropjes. „Dat hebben jullie hier toch niet?", vraag ik. Mijn zus knikt: „We kunnen het wel kopen bij een speciale winkel. Omdat die het echter moeten importeren is het vreselijk duur. Laten we eerst maar gaan eten, en dan jullie gauw plat." Ja, het mag hier dan half acht zijn, voor ons is het vanwege het tijdverschil eigenlijk half twee in de nacht!

Naar de kerk
De volgende dag, zaterdag, wordt een dag van bijkomen. Wandelen in de prachtige omgeving. Relaxen in het zonnetje op de houten veranda, terwijl de grijze eekhoorns bijna om je heen huppelen. Maar ook genieten van de Amerikaanse keuken. Er worden hier veel "zware" ovenschotels gegeten en taart of ijs als dessert is ook niet direct bevorderlijk voor de lijn. De neven en nichten krijgen ook weer eens bijschohng Nederlands. Regelmatig moet diep in het geheugen worden gezocht naar het juiste woord. Met het "yankee-dutch", een mengelmoes van Nederlands en Amerikaans, kunnen onze jongens niet uit de voeten. En dan wordt het zondag. Als ontbijt eten we heerlijke warme wafels met stroop. Mijn zwager -ds. C. Vogelaar, predikant van de Netherlands Reformed Congregations, zusterkerk van de Geref Gemeenten in ons land- heeft vandaag een drukke dag: drie maal preken, 's Morgens en 's avonds in zijn eigen gemeente Franklin Lakes. 's Middags in het 'naburige' Monroe, waar 's zondagsmiddags diensten worden gehouden voor de leden die ver naar het noorden wonen. Als het tijd is om naar de kerk te gaan, worden onze jongens verdeeld over hun grote nichten. Die vinden het prachtig een neefje uit Holland onder hun hoede te kunnen nemen. Er zijn echter meer nichten dan wij jongens hebben, dus dat moet even worden opgelost. Wij zelf rijden met onze zwager en zus mee. Weggezakt in de autokussens glijden we naar de kerk. De afstanden zijn hier zodanig dat van lopen geen sprake kan zijn. Sommige kerkgangers zijn anderhalfuur met de auto onderweg! Enkele reis wel te verstaan. Het kerkgebouw ligt buitenaf, te midden van bossen en omgeven door gazons. Wanneer we de enorme parkeerplaats oprijden, zijn er nog weinig auto's te zien. De vier witte pilaren aan de voorkant van de kerk en het spitse torentje geven het een statig, maar vriendelijk aanzien. Het is grotendeels opgetrokken uit steen met grote ramen aan de zijkanten. Het is me al opgevallen dat in dit land het zonnige klimaat overal terug te vinden is in de kleuren van huizen, kleding, enzovoort. Zo ook hier. De kerk heeft een licht, overwegend wit interieur. Een van de hulpkosters brengt ons naar onze plaats, vrij voorin. Als ik om me heen kijk, valt het me op hoe verzorgd de mensen er hier uitzien. De "lossere" kleding, zoals die meer en meer in veel van onze kerken haar intrede doet, is opvallend afwezig. Alle mannen dragen, zonder onderscheid en van de kleinste af, een stemmig kostuum met wit overhemd en stropdas. De vrouwen en meisjes veelal gebloemde jurken, mantelpakjes en vrij grote hoeden. Geen opschrifDepastorie ten, geen schreeuwende teksten van ds. Voge- of afbeeldingen. Geen jacks, laar in geen truien. Een ieder ziet er tot Wyckqff. in de puntjes verzorgd uit. Alsof ze bij de president zelf op bezoek gaan. Men gedraagt zich hier ook zeer rustig en correct. Een Amerikaan hecht veel waarde aan omgangsvormen, zoals ik nog zal merken in de komende tijd. Er wordt niet gepraat en men zit stil te wachten. Het orgel zwijgt en wanneer het votum zwaar en plechtig door het gebouw klinkt: „Our help is in the Name of the Lord, Who has made heaven and earth", voel ik me toch een beetje thuis. Ondanks de verschillen in taal en cultuur is er toch een band door de overeenkomst in leer en religie. Hoewel 95 procent van deze uiterst hoffelijke en vriendelijke mensen geen woord Nederlands verstaat, toch een beetje geestverwanten.

Psalters
Er wordt een psalter gezongen. In plaats van onze 150 psalmen kent men hier 450 psalters. Het grote aantal zit hem onder andere in de verschillende berijmingen. Psalm 42 komt bijvoorbeeld vijfmaal voor, namelijk als psalter 114 t/m 118. Ook worden lange psalmen in stukken verdeeld. De melodie van de psalters wijkt vaak af van die van onze psalmen. Tijdens de collecte zetten onze jongens grote ogen op, wanneer in plaats van de vertrouwde zwarte coUectezakken, rieten mandjes langs komen. De tekst van deze morgen is uit Handelingen 1 vers 7 en 8. En hoewel het zo nu en dan voor mij wel wat vlug gaat, kan ik driekwart volgen van de prediking, die in niets verschilt van wat we thuis gewend zijn. Ook hier gaat de boodschap uit, dat we niet sterven kunnen zoals we geboren zijn. Dat we allemaal, Amerikanen en Nederlanders, eens voor God moeten verschijnen. En dat dat niet kan wanneer we geen genade hebben leren kennen in het bloed van de Heere Jezus Christus. Het is onvoorstelbaar dat een geboren Nederlander, wat mijn zwager toch is, zo vloeiend en met gevoel in het Engels kan preken.

Genoeg
Wanneer we aan de tussenzang toe zijn, fluistert mijn nichtje Evelien: „We gaan staan." Ik kijk haar even niet-begrijpend aan. Staan? En inderdaad, de tussenzang wordt staande gezongen. Dit om de stijve ledematen even te ontspannen. Heel effectief overigens! Wanneer na het dankgebed de slotzang heeft geklonken, zingt men elkaar nog staande ten afscheid de zegenbede van Psalm 134 toe. Op de terugweg in de auto vraagt mijn zwager: „En, konden jullie het een beetje volgen? „Zo nu en dan vang je een stukje op", zegt Wilma. Hij knikt begrijpend: „Ja... het is maar het voornaamste dat we het met ons hart horen, hè. Dan is één woord genoeg, wanneer de Heere daarin meekomt. Dan staat de taal Hem niet in de weg. Mocht dat nog eens waar worden. De schuren van die meerdere Jozef zijn nog vol, hoor. Val Hem maar nederig te voet en je zult van Hem Zijn wegen leren." Zwijgend, een ieder met haar of zijn gedachten, rijden we huiswaarts. De eerste twee dagen in Amerika hebben ons al genoeg indrukken gegeven om lang over na te praten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.