+ Meer informatie

Rond de Calvijn-herdenking

4 minuten leestijd

(VI).

De eredienst bij Calvijn

Bij de herdenking van Calvijn zouden we de Geneefse Hervormer nog van verschillende zijden kunnen belichten. Maar om niet te uitvoerig te worden, moeten we uit de veelheid van onderwerpen een keuze doen en we stellen de vraag: „Hoe waren Calvijn's opvattingen over de eredienst? "

Deze kwestie is tegenwoordig wel bijzonder aktueel. Onder het motto: „Terug naar Calvijn" kan men immers enerzijds allerlei liturgische vernieuwingen propageren, terwijl men anderzijds met Calvijn in de hand de meest sobere vorm van de eredienst kan verdedigen.

Over die poging, om met een beroep op Calvijn nieuwe liturgische vormen in te voeren, heeft wijlen Prof. G. Wisse eens een rake opmerking gemaakt (ik citeer uit het hoofd) „Wel, wel, wat is men nu opeens gesteld op dat oude! Calvijn was er óók vóór en in de kerk van Genève deed men het óók zo. ... Akkoord, maar dan ook radikaal zijn er dan ook terug naar de Schriftuurlijk - bevindelijke prediking van Calvijn en de ouden. Maar als je dat zegt, dan ben je opeens vier eeuwen te laat geboren

Maar met deze gevatte opmerking is natuurlijk niet gezegd, dat Calvijn zelf van mening was, dat de liturgie voor altijd vaststond, of dat hij voor liturgische kwesties geen belangstelling zou hebben gehad. Integendeel, Calvijn heeft zich intensief met de vormgeving van de eredienst beziggehouden, eerst te Straatsburg en later te Génève.

Daaruit blijkt al terstond, dat Calvijn zijn eigen opvattingen niet als kanoniek beschouwde, m.a.w. dat hij een zekere vrijheid in liturgische aangelegenheden toestond. Zo begon hij in Straatsburg de kerkdienst met de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging, terwijl hij dat in zijn Géneefse periode niet meer deed, maar volstond met de voorlezing van de Wet. Hij beschouwde dit niet als een principiële kwestie, maar paste zich aan bij het gebruik in de betreffende gemeente.

Kenmerkend voor de liturgische opvattingen van Calvijn is zijn afwijzing van de Middeleeuwse liturgie en zijn teruggrijpen, over de Middeleeuwen heen, naar de kerkvaders, met name Augustinus. Zijn grote liturgische bezwaar tel gen de Middeleeuwen was dat de Roomse Kerk de Mis opvatte als een onbloedige herhaling van het bloedige offer van Christus. Daarom hoort ook in de kerken der Reformatie het altaar niet meer thuis. „Dit is volkomen zeker, " aldus Calvijn, „dat het kruis van Christus wordt afgebroken, waar een altaar wordt opgericht." De Avondmaalsleer van Calvijn is geheel aan de Heilige Schrift en aan Augustinus ontleend. Daarbij kan Calvijn echter niet verweten worden, dat hij het Sacrament onderschatte. Hij was zelfs een warm voorstander van een wekelijkse Avondmaalsviering, mits deze niet leidde tot geringschatting van het Sacrament. Calvijn stelde de wekelijkse bediening dan ook niet als absoluut noodzakelijk, maar vond het een schande, dat het Avondmaal in sommige gemeenten slechts eens of tweemaal per jaar gehouden werd.

De liturgische beweging van onze tijd beroept zich echter ten onrechte op Calvijn als ze haar wekelijkse Avondmaalsbediening wil verdedigen. Bij Calvijn immers neemt de prediking des Woords de centrale plaats in: door die prediking wordt het geloof gewerkt; het Sacrament dient om het gewerkte geloof te versterken. Maar bij de liturgische beweging staat het Sacrament in het middelpunt; de prediking is verlaagd tot verklaring en zelfs tot lofprijzing van het Sacrament, dat erop volgt. Tegen deze, in wezen Roomse opvatting had Calvijn juist onoverkomelijke bezwaren.

Als wezenskenmerken van de Reformatorische eredienst noemt Calvijn:

Ie de dienst der prediking.

2e de dienst der gebeden.

3e de dienst der sacramenten.

Daarnaast is er in de eredienst plaats voor de voorlezing van de Wet, de belijdenis des Geloofs, de inzameling der gaven en voor het zingen der gemeente. Over het zingen heeft Calvijn in zijn „Institutie" enige merkwaardige uitspraken gedaan (Boek III, hfdst. 20, § 32). Hij vindt het zingen in de kerk wel Schriftuurlijk (Col. 3 : 16) maar in de eerste Christengemeenten schijnt het niet overal in gebruik geweest te zijn. Het gezang moet volgens Calvijn „van een zodanige verhevenheid zijn, dat het gepast is voor het aangezicht Gods en der engelen. Maar toch moet men er zich naarstig voor hoeden, dat de oren meer aandacht schenken aan de schone melodie, dan de harten aan de geestelijke zin der woorden."

Zoals Calvijn bij alle andere dingen de ere Gods bedoelde, zo dient voor hem ook de eredienst gericht te zijn op de verheerlijking van Gods Naam.

Ons land heeft, als geen ander land in West-Europa, de Calvinistische principes inzake de eredienst in praktijk gebracht. En de kerkbouw, én cle liturgie, én de prediking waren in Nederland geheel op de leest van Calvijn geschoeid. De beste herdenking van Calvijn ware dan ook dat de kerken, die tot de gereformeerde gezindte in ons land behoren, zich beijverden om deze Calvinistische erfenis ongeschonden te bewaren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.