+ Meer informatie

VERMANEN OP HUISBEZOEK (1)

11 minuten leestijd

Het woord vermanen staat in elk woordenboek voor aansporen, opwekken, waarschuwen, iemand zijn of haar siecht gedrag voorhouden en oproepen tot beterschap. Al deze aanduidingen zijn in dezelfde of iets andere bewoordingen terug te vinden in de Schrift, daar waar het gaat over taak en verantwoordelijkheid van opzieners in de gemeente van Christus, terwijl ook in het formulier tot bevestiging van ouderlingen en diakenen in niet mis te verstane woorden aan het begrip vermaning invulling wordt gegeven. We lezen: “Zij zullen ouderen en jongeren opwekken tot de dienst des Heren en erop toezien, dat een ieder naar het gebod des Heren zich zal openbaren als een levend lidmaat van Jezus Christus. Zij moeten de gemeente wijzen op haar roeping, in deze wereld van het Evangelie te getuigen en door handel en wandel anderen voor Christus te winnen. Hen die niet naar de regel der Schriften leven, behoren zij te vermanen, en over hen die geen boetvaardigheid betonen, de christelijke tucht te oefenen”.

Komt vandaag in de ambtelijke praktijk van de vermaning nog iets terecht?

Is iemands indruk of ervaring anders, dat hij tegenspreke, maar ik meen dat deze vraag grosso modo ontkennend moet worden beantwoord. Daarvoor is meer dan één reden aan te wijzen. In de eerste plaats is in de omschrijving van taak en verantwoordelijkheid van de ambtsdrager, met name voor de ouderling, de lat heel hoog gelegd. Beoordeling of iemand zich openbaart als een levend lidmaat van Jezus Christus, het is nogal wat. Welke criteria zijn er voor die beoordeling? Wat heeft men van het dagelijks leven van degenen die aan de ambtelijke zorg zijn toevertrouwd, binnen de waarneming om te kunnen vaststellen dat men naar “de regel der Schriften” leeft? Veel ambtsdragers hebben het met die “regel der Schriften” vandaag maar al te moeilijk, omdat er binnen de gemeente van Christus geen eenduidigheid bestaat als het aankomt op de vraag welke geestelijke disciplines de gemeente als “regel der Schriften” kunnen worden “opgelegd”. De regel der Schriften is in de ambtelijke praktijk een toetsingsinstrument, maar in heel concrete situaties kan het maar wat moeilijk zijn om er op evenwichtige, verantwoorde en overtuigende wijze mee om te gaan. Nog los van de vraag hoe de ambtsdrager in eigen leven die regel praktiseert…

Wanneer leeft iemand niet naar “de regel der Schriften”?

Is daarbij alleen te denken aan situaties, waarin leden van Christus’ gemeente op aanwijsbare manier in hun leefgedrag “uit het roer lopen” (fraude, diefstal, vreemdgaan, fysieke of psychische mishandeling binnen het gezin, incest, om maar enkele voorbeelden van duidelijke zonden te noemen)? Of omvat de “regel der Schriften” het totale leefpatroon van iemand die meent een levend lidmaat van Christus te zijn? Als dat zo is - en dat is zo - dan omvatten het toezicht op de kudde Gods en de plicht tot vermaning voor de ambtsdragers veel meer dan wat de ambtelijke praktijk te zien geeft. Dan zijn we als ambtsdragers, zoals iemand tegenover mij eens opmerkte, in ons bezig zijn “aan het begin van het Evangelie nog niet eens toe”. Om ook hier enkele voorbeelden te noemen: Wat moet ik als ambtsdrager in mijn wijk met iemand, die misschien best een ordelijk kerkelijk leven leidt, maar uit wiens leefgedrag duidelijk spreekt dat alles is gericht op “het groter bouwen van zijn schüren”, ter betere verankering van zijn aardse positie en aan wie het apostolische vermaan van “matig en bezadigd in deze wereld leven” voorbij lijkt te gaan? Dien ik broeders en zusters, van wie ik weet dat zij zich drie verre vliegvakanties per jaar veroorloven, er op te wijzen dat deze bijdrage aan de milieuverontreiniging een christen vreemd zou moeten zijn? Moet/mag mijn gesprek een vermanend karakter hebben op een adres waar carrièrevorming duidelijk prevaleert boven het beschikbaar zijn voor de vervulling van het bijzondere ambt in Christus’ kerk? Dien ik als ambtsdrager Jacobus 3 nog eens door te nemen met mensen, die elke zondag twee maal met uitgestreken gezicht onder de preek zitten, maar die een niet in te tomen neiging hebben om, soms in een mengeling van waarheid en fictie, het leven van broeders en zusters bij anderen tot onderwerp van gesprek te maken?

En komt op huisbezoek de waarschuwing tegen onbeperkte en unkritische waarneming van de culturele verworvenheden van onze tijd nog wel aan de orde? Kiezen ambtsdragers zelf daarin voor een gedrag waarin de “regel der Schriften” herkenbaar is, zodat zij daarover met anderen in overtuigende zin en bijsturend kunnen spreken?

Een afgezonderd volk in een zondige cultuur

Over de vraag of wij als christenen in deze wereld een afgezonderd volk zijn en dat in ons gedrag ook behoren te zijn, kan in het licht van de bijbel geen misverstand bestaan. Tot het volk Israel, dat God uit het diensthuis van Egypte had verlost, klonk het eenmaal: “lk heb u van de volken afgezonderd, opdat gij van Mij zoudt zijn”. Hoewel levend onder andere omstandigheden, hebben deze woorden ook geldigheid in de nieuwtestamentische gemeente van Christus. De apostel Petrus heeft dat op treffende wijze aangeduid in het tweede hoofdstuk van zijn eerste brief, vers 9: “Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht”.

De bedoeling en de verstrekkendheid van deze apostolische woorden worden door ons vandaag waarschijnlijk maar al te weinig beseft. Er wil in uitgedrukt zijn dat het volk, dat God zich in Christus verkoos, zich in deze wereld als kinderen van het Koninkrijk zal gedragen. De codes van het Koninkrijk der hemelen moeten allen, die God en Christus waarlijk liefhebben, heilig zijn door ze in alle sferen van het leven in acht te nemen. Zij behoren tot uitdrukking te komen in de wijze waarop wij in ons levensonderhoud voorzien, in ons streven naar maatschappelijke welvaart, in de verzorging van ons lichaam en ons uiterlijk, in de wijze waarop wij ons kleden, in onze wijze van denken en oordelen, in de besteding van ons geld, in onze omgang met anderen, in het evenwichtig zoeken naar een verantwoorde tijdsbesteding, met name als het aankomt op een evenwichtige verdeling van onze tijd tussen inspanning en ontspanning, in het genieten van muziek, kunst en schoonheid, sport en spel en vooral ook in de inrichting van ons gezinsleven.

Vraag naar het leven

Aan de hand en bij het licht van wat het Woord van God er over zegt, mogen en moeten de ouderlingen op huisbezoek de vraag naar het leven, waardig der roeping waarmee de Here ons in het Evangelie roept, aan de orde stellen. “Gij zult Mij heilig zijn, want Ik, de Here, ben heilig”. Deze woorden kreeg het volk Israël te horen toen het domicilie koos in Kanaä n, omgeven door de toenmalige oosterse cultuurwereld, met alle afgodische uitwassen die daaraan eigen waren. Zij gelden evenzeer voor de nieuwtestamentische gemeente van Christus, die de waarden van het Evangelie heeft uit te dragen en voor te leven in een cultuurwereld, die beheerst wordt door de geest van humanisme, liberalisme, materialisme, communisme en andere absolute ideologieën en waarin zich veel religiositeit aandient, die met de ware bijbelse religie niets te maken heeft.

De vraag hoe ver christenen vandaag in de genieting van de culturele verworvenheden mogen gaan en waar het punt ligt waarop zij daarbij gevaar lopen de consignes van het Evangelie geweld aan te doen, is niet voor iedereen eensluidend te beantwoorden. Het Evangelie kent geen gebodenheid waarin geen ruimte zou zijn voor een stuk persoonlijke verantwoordelijkheid van elke christen in het maken van eigen keuzen. Wel bevat het normen die de gelovigen in deze wereld uitrusten met kritische zin om te kunnen onderkennen wat de Here wel en niet welgevallig is.

In een cultuur waarin zich op verschillende terreinen decadente verschijnselen aftekenen (sportverdwazing, seksuele ontaarding, milieuverontreiniging, commerciële verloedering uit zucht naar geldelijk gewin, toenemend geweld en afnemend besef van het onderscheid tussen mijn en dijn, om niet nog meer te noemen) hebben de woorden die Paulus in de Grieks-Romeinse cultuurwereld van zijn dagen aan de gemeente in Corinthe schreef voor de gemeente van Christus ook nu nog volle geldingskracht. In zijn tweede brief, hoofdstuk 6:17, lezen we: “Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine, en IK zal u aannemen, en IK zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Here, de Almachtige. Daar wij nu deze belofte bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods”.

Dit bijbelwoord bedoelt christenen niet aan te zetten tot verwaarlozing van de cultuur-opdracht die ook zij in deze wereld hebben; evenmin bedoelt het hen te dwingen tot een leven van onthechting, in deze zin, dat zij de waarneming van de vreugden en geneugten van het leven in deze wereld tot het uiterste zouden moeten beperken. Het spoort alleen aan tot waakzaamheid, behoedzaamheid, gereserveerdheid en afzijdigheid ten opzichte van dingen die de relatie van geloof en liefde met de Here God geweld kunnen aandoen.

Ontmoeting met God

In onze westerse cultuur wordt het leven elke dag met haast geleefd. Bij velen is het dagelijks leven zo ingericht en vraagt de wereld buiten het eigen kleine leven zoveel aandacht, dat de gelegenheid tot de gemeenschappelijke en persoonlijke ontmoeting met God ontbreekt. Onder de gemeenschappelijke ontmoeting met God willen we in dit verband verstaan: bezinning en gebed rond het Woord van God in gezinsverband. Wie van de dagelijkse gang der dingen in eigen leven enige afstand probeert te nemen, zal niet kunnen ontkomen aan de conclusie dat we in ons drukke bestaan, met onze overvoile agenda’s en bezigheid van allerlei aard, geestelijk maar al te weinig meer aan onszelf en aan elkaar toekomen. In het verband van het gezin worden we daarin belemmerd doordat de leden ervan op uiteenlopende tijden aan verschillende disciplines gebonden zijn, maar ook in het leven van elke gelovige persoonlijk ontbreekt het maar al te veel aan ruimte daarvoor.

In onze cultuurkring slorpt de waameming van de dagelijkse taak bij velen een groot stuk energie op. Het maatschappelijk bestel is gecompliceerd geworden. Voor ieders maatschappelijke ontwikkeling is nodig dat men studeert, bijblijft en kennis neemt van allerlei ontwikkelingen waarmee men op de hoogte moet zijn, wil men in de samenleving goed kunnen functioneren. In veel gezinnen en ook door alleenstaande christenen wordt iedere inspanning van de dag gecompenseerd met de overvloedige en binnen direct handbereik zijnde ontspanning van de moderne media.

Ook in het leven van veel kerkmensen speien de vragen en Problemen haasje-over. Alles tuimelt vandaag over elkaar heen, op sociaal-economisch terrein, in de politiek, op godsdienstig terrein en in de ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied. In de snelheid waarmee alles gaat, zijn er maar weinig dingen die gelegenheid krijgen om in onze geest tot een voldragen oordeel te rijpen. Er komt vandaag zoveel tegelijk op ons af dat we geestelijk gedesoriënteerd dreigen te raken en de vastheid van het geloof dreigen te verliezen.

Daarom moet het tot de pastorale verantwoordelijkheid van de ouderling worden gerekend op huisbezoek, samen met degenen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, de vraag onder ogen te zien of het leven van elke dag in onze cultuur nog wel momenten kent waarop men met de dingen van het geloof tot zichzelf komt; momenten waarop men in gezinsverband of persoonlijk in teruggetrokkenheid meditatief met Gods Woord bezig is, om zo Gods inspraak in te wachten. Christelijke gezinnen en christenen persoonlijk, die geen vaste tijden voor de ontmoeting met God kennen, zullen geestelijk verarmen. Waar men geen aan het Woord van God gebonden spirituele ervaringen kent, zal het getuigenis vanuit het eigen geloofsbeleving verzwakken en in het ergste geval gaan ontbreken.

Een tweede aspect vormt de vraag of leden van Christus’ kerk zich in deze tijd van devaluerend gezag, dat ook in de kerk aanwijsbaar is, nog wel willen laten vermanen. Die vraag kan niet los worden gezien van de tolerantiecultuur waarin we leven en die ook de stringentie van “de regel van de Schriften” in het gevoel van veel mensen minder heeft gemaakt.

Daarover in een tweede bijdrage.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.