+ Meer informatie

De gaande en de komende man

7 minuten leestijd

De redactie was van mening dat er enige aandacht geschonken moest worden aan „de gaande en de komende man” aan onze Theologische Hogeschool in de eerste maand van 1972, prof. J. Hovius en dr. W. van ’t Spijker. Op het ogenblik dat dit artikel geschreven wordt, staan we nog vᰠde komende professoraatswisseling. Een verslag van deze gebeurtenis zult u, als u dit nummer van ons blad in handen hebt, waarschijnlijk reeds gelezen hebben. Trouwens om een verslag is het ons nu niet te doen. Het gaat ons nu om iets anders, waarbij zeker een rol speelt dat prof. Hovius van het begin af aan ons blad meewerkte, maar ook dat is tenslotte secundair. Het gaat nu vooral om de „zaak” van de „gaande en komende” man, de waarde van de v�en die door hen onderwezen zijn, resp. worden.

Natuurlijk behoeft een persoonlijke notitie niet te ontbreken met name wat de „gaande man” betreft. Bijna 25 jaar heeft prof. Hovius aan onze „AIma Mater” (zoals zijn voorganger, prof. J. W. Geels de Theologische School graag noemde) kerkgeschiedenis en kerkrecht gedoceerd. Daarnaast heeft hij met zijn collega’s de generale synoden van advies gediend (de commissies die bezwaarschriften e.d. te behandelen hadden, kregen zonder meer prof. Hovius als adviseur toegewezen!). Maar meer waarschijnlijk dan ꨮ van hen heeft hij in correspondentie met de kerkeraden gestaan. Vermoedelijk is er nauwelijks ꨮ kerkeraad die nooit een of andere kwestie aan prof. Hovius heeft voorgelegd. Waakte hij angstvallig ervoor dat de generale synode niet als „vragenbus” zou fungeren (zo gemakkelijk om eigen verantwoordelijkheid wat lichter te maken), hij heeft zich niet ontzien om talloze kerkeraden als „vragenbus” te dienen! De weerslag daarvan komen we tegen als we de jaargangen van ons blad doorbladeren (vele titels van de artikelen zijn van een vraagteken voorzien!). Of ieder die ijverig vragen stelde, ook evenveel ijver betoonde om voor het antwoord te danken, weet alleen prof. Hovius. Maar uitgaande van de menselijke zwakheid in dezen kan ons blad als blad van ambtsdragers (kerkeraden) wel de plaats geacht worden om in elk geval nu publiek prof. Hovius te danken! Wie wel eens voor een kerkrechtelijke kwestie gezeten heeft, weet uit ervaring hoeveel tijd en moeite het kost om „er uit te komen” (gesteld dat het lukt!). En al willen we aannemen dat het een deskundige, een „man van het vak” minder tijd en moeite kost, toch geeft dit geen reden deze arbeid gering te achten, te onderschatten. Dat prof. Hovius zijn kundigheid en ervaring ook op deze wijze in dienst van de kerken stelde en stelt, stemt tot grote dankbaarheid. En dan releveren we nog niet eens de uitgave van de Kerkorde, hetzij alleen, hetzij in samenwerking met anderen, ten dienste van de kerken, maar met name van de ambtsdragers. De betekenis daarvan behoeft niet in den brede betoogd te worden!

Het accent ligt zo wel heel sterk op de kerkrechtelijke arbeid van prof. Hovius. Niet ten onrechte. Vele artikelen heeft hij sinds 1947 met name in „De Wekker” gepubliceerd over kerkrecht en Kerkorde (helaas weinig toegankelijk tenzij iemand de „Wekkers” bewaarde!). Ook het merendeel van de dusgenaamde rectorale oraties was aan een kerkrechtelijk onderwerp gewijd, althans stond in nauw verband ermee („De positie van de vrouw in Christus’ Kerk - 1950; „Het toezicht op de Dienaren des Woords door de kerkelijke vergaderingen” - 1954; „Hyperius’ geschrift De Synodis Annuls” - 1958; „Het verband tussen onze Belijdenis en onze Kerkorde” -1962). Niet onvermeld mag dan ook blijven de rede uitgesproken op de diaconale conferentie 1951: „Behooren de diakenen tot den kerkeraad?” en het artikel in „Woord en Kerk” (1969): Om de „ware religie te onderhouden”. Het aantal kerkhistorische publikaties is geringer. Te noemen zijn de inaugurale rede: „Geschiedeniswaardering bij Hendrik de Cock” (1947) en het artikel in het gedenkboek ’k Zal gedenken: „De geschiedenis van de Theologische School”. Afgedacht van andere kerkhistorische publikaties zijn nog te vermelden artikelen als „Mamix als kerkelijk leider” in het voormalige Chr. Geref. Schoolblad, „lets over het Nederlandsch Bijbelgenootschap” in het vroegere kerkblad van de kerk van Groningen, „De internationale beteekenis der Afscheiding” in de bundel „Bij de wenteling van het eeuwgetij der Scheiding”, „Guido de Br籠en de achtergronden van de Neder-landse Geloofsbelijdenis” in „Wij geloven en belijden” en niet te vergeten de artikelen over de naam van onze kerken in de 50ste jaargang van „De Wekker”. Hoewel minder ter zake in dit verband kan nog gewezen worden op de brochure (samen met wijlen ds. A. H. Hilbers) „Kerkelijke eenheid aller Gereformeerden?”, terwijl de discussie met ds. D. van Dijk in het reeds genoemde Groningse kerkblad „Neo-gereformeerd en Afgescheiden gelijk?” bewijst dat prof. Hovius zich ook buiten kerkrecht en -historie vlot bewoog. Last but not least moet dan genoemd worden de uitgave van de prekenserie. „Uit de Levensbron” sinds 1927, waardoor hij vele preeklezende ouderlingen (met hun gemeenten) enorm aan zich heeft verplicht.

En nu de komende man! Toen wijlen prof. Lindeboom zijn Handboek der Kerkgeschiedenis had uitgegeven, zei hij me eens: met de ervaring die aan zo’n boek ten grondslag ligt, had je moeten kunnen beginnen! Dat zal prof. Van ’t Spijker wel toestemmen: beginnen met de ervaring waarmee de voorganger eindigt! JVIaar dat is een onmogelijke zaak, in elke functie, in elk beroep en ambt. De studies die dr. Van ’t Spijker tot dusver publiceerde, vormen een goede „lanceerplaats” om een eigen ervaring op te bouwen! En zonder twijfel zullen niet alleen de Apeldoomse studenten daarvan profite-ren, maar ook de ambtsdragers!

Het is tegenwoordig niet eenvoudig om kerkhistoricus te zijn. Voor iemand die zich geëngageerd weet met deze tijd en dat ook wil zijn, is de neiging tot relativering die een historicus zo gemakkelijk eigen wordt, een moeilijk te verteren iets. Wanneer zo’n kerkhistoricus dan ook nog zich met kerkrecht bezig houdt, wordt de onverteerbaarheid zo mogelijk nog erger. Aan de duitse universiteiten wordt het laatste vak heel vaak bij de juridische faculteit ondergebracht (er zijn dus ook elders theologische zwerfstenen!). Dat hangt samen met het stelsel van kerkregering, maar duidt toch ook op theologische onderwaardering van het kerkrecht, een onderwaardering die ook buiten Duitsland gevonden wordt en zich in de praktijk tevens uitstrekt tot de kerkgeschiedenis. Met een variant op de definitie van de bekende historicus prof. Huizinga zou kerkgeschiedenis gedefinieerd kunnen worden als de geestelijke vorm waarin de kerk zich rekenschap geeft van haar verleden. Dan zou kerkrecht genoemd kunnen worden de geestelijke vorm waarin de kerk zich rekenschap geeft van de onderlinge relatie en omgang. In een welvaartstijd als wij beleven, wordt het verleden beslist niet hoog gewaardeerd, zijn onderlinge relatie en omgang met elkaar zelfs zeer gedevalueerd. De namen en feiten uit het verleden dienen hoogstens nog voor roman, film of quiz. Meer dan het r碨t beheerst de m�t de relatie tot en het omgaan met elkaar. Of dit kenmerkend is voor de welvaartsstaat alleen? Ook in de beruchte crisisjaren werd een historisch en juridisch analfabetisme gesignaleerd. Maar in een tijd die enkel op zich zelf is gericht — de interesse voor de verre naaste in de zgn. ontwikkelingslanden dient velen vaak tot camouflage —, wat versterkt wordt door de technische ontwikkeling, is de tendens zeker niet te ontkennen om heel het verleden daaraan ondergeschikt te maken. Men capituleert voor eigen triumfen in een schuldig vergeten van het verleden, maar vernietigt daarmee tevens eigen kritisch vermogen en zo de kans op een verantwoorde oordeels-vorming bij de discussies over de grote vraagstukken van deze tijd. Dat het hierbij niet alleen gaat om een technisch tekort aan parate kennis, maar om de psyche, is duidelijk in de huidige theologische discussies. Dat deze psyche (psychose?) ook de catechisaties en het verenigingswerk infecteert, is wel bekend: „1834, 1892 interesseert ze toch niet meer! Je verbaast je als een knaap van 16, 17 uit een „randgezin” vraagt te vertellen over 1892!” In hoeverre is zo’n verbazing symptomatisch? In elk geval, zo’n vraag verwacht je niet meer van de huidige generatie. Is het een capitulatie voor de gangbare onderwaardering, de algemene onwetendheid 笠onverschilligheid? Laten in elk geval de ambtsdragers (en de toekomstige aan de Theol. Hogeschool) waken tegen deze capitulatie en zich bevrijden van de „toevalligheden” van eigen tijd en uit de gevangenis van de actualiteiten. Dat dient zeker de relatie tot en de omgang met elkander! Moge de arbeid van prof. Van ’t Spijker daarbij helpen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.