+ Meer informatie

DE LOF VAN DE BRUIDEGOM OP DE BRUID

7 minuten leestijd

Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin.

Hooglied 1 : 15a

De bruid was niet beminnelijk en toch is zij door de Bruidegom bemind. Zo leert Zijn vriendin, elke begenadigde ziel afzonderlijk, een begin in haar leven kennen, waarin Zijn liefde tot haar geopenbaard wordt. Als zij Zijn liefde niet gewaar wordt, is zij niet opgewekt. Alleen door Hem geeft haar lamp haar licht.

Nu kan het zijn, dat zij leeft in afwijking. Het kan zelfs zo laag afebben in haar liefde tot Hem, zodat de eerbied voor Zijn inzettingen ook verkoelt, wat is zij dan ellendig, troosteloos, moedeloos.Want waarlijk buiten Hem is geen leven, sedert Hij ons leven werd. Vreselijke tijd der geestelijke verlating. Neen, deze komt meestal niet plotseling, doch meer geleidelijk. Het gaat er mee, gelijk de reiziger in een nachttrein in het donker al verder van het vaderland wordt afgevoerd. Wat boet ze dan veel van haar geestelijk schoon in, als haar bruidskleed zo met het vuil van zondeen werelddienst is bezoedeld.

Als zij dan weer tot haarzelf komt, schrikt ze van zichzelf, dat zij zo met vele boeleerders geboeleerd heeft, alzo haar Zielevriend smaadheid heeft aangedaan. Dat zij weer tot haarzelf komt, is een bewijs, dat Hij haar tóch als Zijn vriendin blijft erkennen. Hij maakt Zelf eerst weer bij haar de liefde tot Hem gaande. Hij blijft Zijn bruid liefhebben, in verzoeking en verlating, met dezelfde liefde. Zijn liefde is voor vermeerdering of vermindering niet vatbaar. U, die u door genade vriendin van Hem weet, terwijl gij geborgen gaat onder opgemelde zonden of aanvechtingen, heeft Hij lief met dezelfde liefde.

Dit geeft u echter geen vrijbrief om door te zondigen, doch is tot troost, dat gij niet behoeft te wanhopen. Ook hier geldt: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof, uw liefde, niet ophoude”.

Hij komt weer bij vernieuwing met Zijn liefdesuitlatingen. Eeuwige, onvolprezen liefde van deze Zielevriend tot Zijn vriendin!

„Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad heeft, zo heeft Hij ze liefgehad tot het einde”. Zijn liefde gaat bestendig door. Zeker, dit zorgt niet, dat zij er altijd even levendig in deelt.

Kent gij nu iets van deze dingen?

Bedrieg u niet in ijdele bespiegelingen. Heeft Hij Zijn liefde in uw hart vol vijandschap uitgestort?

Zo gij daar niets van kent, kent gij ook geen ware liefde van èn tot Jezus, al roemt gij met uw mond in Hem. Hij of zij, die hier het zalig liefdeleven met Hem niet in zielservaring leert kennen, zal straks in vijandschap wegzinken in de rampzaligheid. Of heeft Hij door Geestes arbeid reeds u in de liefde opgezocht, het hart genomen? Kent gij iets van de geestelijke ondertrouw met Hem?

Zijt gij niet meer uws zelfs, doch de Zijne geworden door genade?

Zondag 1 vr. en antw. 1. Is dit uw enige troost?

Let hier op, dat Hij zegt „Mijn vriendin”. In de eeuwigheid heeft Hij haar gemijnd, toen de Vader in de eeuwige verkiezing haar Hem tot een bruid gaf. Doch Hij komt haar ook te „mijnen” in de tijd, in opzoekende liefde. Dan verklaart Hij Zijn liefde jegens haar aan haar. Hij komt haar in de tijd te „mijnen”. Wanneer Hij haar door de grote Vriend des Bruidegoms, n.1. de Heilige Geest, tot Zich laat leiden; Deze haar in het geloof met Hem verenigt. Dan zegt Hij „Mijn vriendin”. En als wederkerende dank des geloofs en der liefde zegt zij „mijn Vriend”.

Zalige verbintenis, die de eeuwigheid verduurt. Gij, die van deze dingen geen vreemdeling meer zijt, is er heden waarlijk in beoefening het verkeer der verborgen liefdesgemeenschap met Hem?

Spreekt Hij tot u door Zijn Woord en Geest „Mijn schone, Mijn vriendin?” Kent gij zo Zijn spreken?

Ja, wanneer Hij ons hart zo inneemt, kunnen wij niet anders dan liefhebben de Liefhebber onzer ziel. Of leeft gij heden in afwijking en verlating, mist gij alzo de liefdesomgang met Hem? Is het soms zo donker in uw ziel, zo koud en dodig, dat gij denkt, dat de liefdeband verbroken is? Durft gij vanwege uw boosheid en de liefdeloosheid van uw hart schier niet meer hopen op Zijn liefde jegens u? Bedenk dan, dat de liefde van Hem is uitgegaan, niet van u. Dat Hij u liefheeft met een eeuwige liefde.

Mag ik u vragen: „Of kunt gij de scheldbrief tonen, waarmee Hij u heeft weggezonden?” Neen, zegt ge, dat kan ik niet. Maar ach, ik mis nu dat liefdesverkeer. Is dit voor het eerst of al meermalen? En toen Hij weer terugkwam, was u dat niet een eeuwig wonder? Hebt gij het toen niet uitgeweend? Of hebt gij zelf Hem een scheldbrief gegeven?

„Ach, zucht gij, mijn zonden maken een scheiding tussen Hem en mij”. Zal Hij nu wel ooit weer terug willen keren? Zeker, recht was Hij, als Hij voor altijd u verliet. Doch gij kunt toch de bewijsstukken niet geven, dat Hij u de scheldbrief gegeven heeft? De duivel zegt misschien: „in uw donkerheid hebt ge het bewijs„”. Dit maakt u zo bang. Doch geloof de duivel niet. Ja, waar Hij u de scheldbrief niet gaf, keer dan berouwvol tot Hem weder, en zeg Hem eerlijk en oprecht: „Heere, mijn leven is geen leven zonder U”.

Hij kome Zelf weer over en lere u stamelen: „Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere mijne sterkte”.

Ja, waarom zoudt gij langer van zulk een Vriend en Liefste afdwalen?

Hij is het toch zo eeuwig waardig, dat gij Hem ook mint als uw Vriend, Hem alzo de liefde van geheel uw hart geeft? Als Hij zich weer openbaart, is toch uw hart verblijd, zingt uw tong Godgewijde tonen? En nooit laat Hij na een volkomen trouwe Bruidegom te zijn, trots haar ontrouw.

Bruid, dat gij ook Hem meer reine wederliefde bood. Hij gaf toch Zijn leven voor u en kocht u met Zijn dierbaar bloed. En de Vader gaf in eeuwige liefde u aan Hem. En de Heilige Geest werkte het in u uit. Ja, is dit geen liefde van Hem, dat Hij de heerlijkheid verliet, in ons vlees en bloed kwam, daarin in diepe vernedering de losprijs aanbracht?

„Mijn vriendin”. Dat zijn alle ware kinderen Gods, de kleine met de grote in de genade. „Elk die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, wordt van dat heil, die weidaan deelgenoot. Hij zal ze groter maken.

Wat heeft Hij de Zijnen uitnemend liefgehad. Volk, hoe weinig beminnen wij Hem nog. En hoe nauw bindt Hij de Zijnen aan Hem, Die toch hun leven is. Die de Heere aanhangt, n.1. Christus, is één Geest met Hem. Heerlijk zich aan Hem toe te betrouwen, zich voor tijd en eeuwigheid op Hem te verlaten. Niet mijn liefde tot Hem, doch Zijn liefde tot ons, behoudt. Dat ook de Zijnen in liefde onderling mogen verkeren, als vrucht van Zijn liefde, waarmee Hij hen bemint. Ja, hier is het liefdesverkeer met Hem nog niet volmaakt, daar de bruid hier nog inwoont in het zondig vlees. Doch straks wordt ze daaruit door Hem verlost. Dan nooit meer afdwalen, doch altijd bij de Heere wezen. Dan zal Hij betuigen: „Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin”. Dan heeft Hij Zijn heerlijkheid op Zijn bruid gelegd. Zing hier Psalm 68 : 7. Dan zal de bruid het uit de volheid van haar gemoed uitroepen: „Zulk Eén is mijn Liefste, zulk Eén is mijn Vriend”. Dan is zij geheel schoon naar lichaam en ziel. Wat zal dan Zijn werk in haar heerlijk uitstralen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.