+ Meer informatie

Even aandacht voor de Gereformeerde Sociale Akademie te Ede

12 minuten leestijd

Toen de redactie van „Ambtelijk Contact” met het verzoek kwam, een artikel te schrijven over de Gereformeerde Sociale Akademie, heb ik dit met beide handen aangenomen. Temeer nu wij het derde jaar zijn ingegaan, is het goed u op de hoogte te houden van de gang van zaken.

Tevens wilde ik ook proberen duidelijk te maken met welke „nieuwe” problemen wij zo dagelijks geconfronteerd worden.

Zoals bekend, is de akademie per 1 januari 1976 gesubsidieerd. Daarmee zullen vanaf die datum alle gewone kosten door het Rijk worden overgenomen. Wanneer echter deze gelden beschikbaar komen voor het bestuur is op dit moment niet geheel duidelijk, omdat dit afhankelijk is van de goedkeuring van het scholcnplan in de Tweede en Eerste Kamer. De toekenning zit er na het beroep op de Kroon wel in, maar de concretisering zal wel aanlopen tot juni. Wat was de dankbaarheid groot bij bestuur, docenten en studenten toen dan eindelijk de staatssecretaris de akademie op het scholenplan had geplaatst. Dankbaarheid aan God en aan al diegenen, die de akademie gesteund hebben met woord en daad. Het heeft ons goed gedaan zoveel meeleven van nabij te mogen ervaren. De vele brieven en telefoontjes waren hartverwarmend. Maar ook al zijn we na 1 januari niet meer afhankelijk van de gezamenlijke kerken, toch hopen wij van harte dat de wederzijdse betrokkenheid zal blijven. Al biedt de financiering door het Rijk ons meer armslag, toch zullen problemen van geheel andere aard levensgroot op ons afkomen. Mede in verband hiermee hopen wij dat u ook in de komende tijd ons zult blijven steunen in het gebed.

Wat er op het gebied van het sociaal pedagogisch onderwijs in Ede tot stand is gekomen is geweldig. Binnen enkele jaren is deze akademie uitgegroeid tot 350 studenten met ongeveer 25 docenten. Per 1 augustus zal dit aantal uitgroeien tot respectievelijk 500 studenten en 35 docenten. Het betreft dan ongeveer 320 dag- en 180 part-time studenten.

Al met al grote dankbaarheid. Hierin mogen wij ook Gods leiding ervaren en wij hopen dat door deze akademie werkers voor het veld mogen worden opgeleid, die zich bewust mogen zijn van de bijbelse opdracht aan hen gesteld.

Uitbreiding en aanvulling van de staf

Het is te begrijpen dat mede door deze ontwikkelingen binnen de akademie veel zal veranderen. In de eerste plaats denken we aan de uitbouw en aanvulling van de staf. De huidige staffunctionarissen zijn overbezet. Enerzijds moeten door hen veel colleges gegeven worden en anderzijds hebben zij medeverantwoordelijkheid te dragen in het gehele beleid van de akademie. En zeker in deze aanvangsjaren is dat geen kleinigheid. Denk slechts aan het zoeken naar goede stageplaatsen voor onze studenten in het derde jaar.

Naast een verlichting van de stafwerkzaamheden is een aanvulling van dit team gewenst. Gedacht wordt in dit stadium aan een onderwijskundige.

Deze docent (e) krijgt tot taak om naast het mede uitstippelen en uitvoeren van beleidszaken zich ook bezig te houden met de inhoudelijke kant van de leerprogramma’s. Zo ook moeten de nota’s die van het departement komen worden bestudeerd en becommentarieerd. Tevens zal aandacht besteed moeten worden aan de meest recente publikaties. En ieder die iets afweet van de activiteiten van onze huidige minister van onderwijs zal begrijpen dat het bijhouden van deze rapporten dringend gewenst is. De toekomst van de akademie is in het geding, met name in de kwestie integratie wetenschappelijk onderwijs en beroepsgericht onderwijs. Is het de bedoeling van de minister om het hoger beroepsonderwijs en dus ook onze sociale akademie op te nemen in de universiteit? Zo ja, wat blijft er dan nog over van het eigen karakter van onze akademie en wat van de totale beroepsvorming in het algemeen? Is de akademie dan niet een „voorpost” geworden voor de universiteit? Dit zijn toch wel vragen die ons bezig houden en het is vooral de onderwijskundige die bij de besprekingen met universiteiten steeds aanwezig dient te zijn.

Zo zou het ook interessant zijn om een socioloog en psycholoog bij de staf te betrekken. Natuurlijk hebben we deze mensen al in het docentencorps, maar hoe de inbreng van deze functionarissen zal zijn voor het maatschappelijk en sociaal cultureel werk moet nog geheel worden doordacht. Deze problematiek is binnen de staf nog niet voldoende gecoördineerd en geïntegreerd. Wel wordt de inbreng van deze docenten als wenselijk ervaren.

De identiteit van het christelijk sociaal pedagogisch onderwijs

In allerlei kringen is men op zoek naar de eigen identiteit, naar de eigen inbreng in school en samenleving. Je vindt deze problematiek binnen de scholen en universiteiten, maar ook binnen de kerken en kerkelijke instellingen. Begrijpelijk wordt men ook binnen het welzijnswerk hiermee geconfronteerd.

Over het algemeen wordt binnen het vormingswerk het eigen karakter van de instelling vanuit maatschappij-kritische hoek gefundeerd. Gezien het feit, dat wij het meest met deze ideologische benadering te maken hebben, wil ik er wat nader op ingaan. In diepste zin moet bij deze stroming de gehele structuur van de samenleving worden veranderd en omgezet. De school kan daartoe als instrument worden gebruikt. Nu is het altijd gevaarlijk de school ondergeschikt te maken aan een politieksociaal doel, temeer daar onderwijs en opvoeding een geheel eigen doelstelling hebben. De school is er in de eerste plaats voor de opvoeding en vorming van het kind, alsmede de jongeren, en niet ten behoeve van de maatschappij. Expliciet is de hervorming van de maatschappij meer een taak van parlementariërs en vakbonden.

Stellen we de verbetering van de samenleving als hoofddoel van ons onderwijs, dan wordt de student ondergeschikt gemaakt — en vaak opgeofferd — aan maatschappelijke en politieke wensen. Een goede opvoeding dient trouw te zijn aan het Evangelie en te gehoorzamen aan het gebod van God. En vanuit een christelijke opleiding zal zeker gewezen worden op onrecht in deze samenleving en de noodsituaties in deze wereld. Alleen de fundering heeft een andere grond gekregen. Vanuit een positief christelijke grondslag zijn ook acties te ondernemen en te verdedigen, maar deze gaan toch een dimensie dieper dan de activiteiten op touw gezet vanuit maatschappij-kritische hoek.

Bovendien komen de argumenten en beinvloedingstechnieken op mij nogal betweterig en bevoogdend over. Interessant was voor mij een artikel in een van de kerkelijke bladen, waarin deze groepering gekenschetst werd als de opkomende „nieuwe priesterklasse”.

De Duitse hoogleraar Schelsky wijst in zijn boek „Die Arbeit tun die anderen” naar de links gerichte intellectuelen (journalisten, maatschappelijke werkers, docenten, e.d.), die, evenals de heersende klasse niet alleen van de werkende bevolking leven, maar haar ook beheersen en beïnvloeden. Het werk gebeurt door „de anderen”. Deze nieuwe priesterklasse ontleent haar machtspositie door de indruk te wekken de producenten te zijn van „zin en heil” in een wereld die naar gerechtigheid snakt. Ze preken dat in de welvaartsstaat de welvaart maar schijn is en dat in de vrije landen de mensen naar willekeur worden uitgebuit. Normale werk-eisen worden voorgesteld als onmenselijke prestatie-drang. De nieuwe priesters treden op als propagandisten van de nood en wanneer de mensen die nood voelen, propageren zij heil. Dat heil bestaat dan uit emancipatie, vrijheid van de mens in zelfbepaling en zelfbeschikking e.d.

Kenmerkend voor Schelsky is dat voor deze nieuwe heilsleer het individu wordt opgeofferd aan het algemene. Een nieuwe massa-religie komt op, die de „leegten” moet vullen. Een verandering van de structuren moet dan de redding brengen.

Boeiend is het commentaar dat drs. A. A. Spijkerboer geeft op Schelsky in Kerk en Theologie (oktober 1975). Het zou ons echter te ver voeren hier dieper op in te gaan, hoewel de verleiding groot is. Te meer, daar elementaire begrippen als medelijden, plichtsbesef, verantwoordelijkheid, dienstbereidheid een totaal andere waarde gekregen hebben dan de Bijbel ons aanreikt. De gemeente van Jezus Christus, juist wanneer zij maatschappelijk en politiek handelt, is het meest adequaat bezig, indien zij het oog gericht heeft op de enkeling. Zo staat ook binnen de sector van de welzijnszorg de begeleiding en hulpverlening van individuen en kleine groepen centraal. Dit behoeft niet uit te sluiten dat ook structurele veranderingen in de samenleving dringend om verbetering roepen. De maatschappelijke werker kan zeker daartegen z’n bezwaren kenbaar maken en trachten een adequate oplossing te bewerken. Maar dit ligt niet direct op zijn weg. In wezen ligt binnen deze stellingname een verschil in de definiëring van „welzijn”. Welzijn is persoonsgericht en heeft de herstelde relaties tot God, tot de medemens en tot de natuur op het oog. Het gaat er om, mensen die op de een of andere manier in de knel zijn gekomen, weer te laten functioneren, zoals God dat gewild heeft. Echte gemeenschap is immers deel hebben aan het heil in Christus.

Benoemings- en toelatingsbeleid

Wil de Gereformeerde Sociale Akademie haar opdracht ernstig nemen, dan moet zij weten wat haar stellingname consequent betekent t.a.v. haar benoemingsbeleid. Een levensgrote vraag is het aantrekken van praktijkwerkers, die hun vak van binnenuit kennen en bovendien hun opdracht willen vervullen vanuit de bijbelse toerusting. Dat aangaande dit punt binnen de akademie veel zorgen zijn, zal bekend zijn. Met name binnen het maatschappelijk werk en het sociaal cultureel werk zijn weinig mensen te vinden met een „voortgezette opleiding” (V.O.), die zich willen scharen achter de doelstellingen van deze akademie.

Is het benoemingsbeleid van het bestuur niet altijd even gemakkelijk te verwerkelijken, ook de toelatingsprocedure van studenten roept de nodige voorzichtigheid op. Daar vanuit de akademie veel waarde wordt gehecht aan de relatie geloof en sociale arbeid, zal ook in het toelatingsgesprek hierop worden ingespeeld. Tijdens deze gesprekken hebben wij tot onze grote vreugde vaak ervaren hoe juist jongeren vanuit het Evangelie het sociaal werk willen verrichten. Aan deze gesprekken hebben we de prettigste herinneringen overgehouden en mede daaruit hebben we kracht geput om het toen nog ongesubsidieerde werk voort te zetten. De toelating van deze aspirant-studenten levert dan ook geen enkel probleem op en over het algemeen zijn dit ook bijzonder prettige studenten op de akademie.

Maar naast deze jongeren zijn er ook anderen die zich aanmelden. Vooral dit jaar nu de subsidiëring een feit is geworden.

Grof samengevat vind je dan twee groeperingen van jongeren, waarbij een grondiger gesprek noodzakelijk blijkt te zijn. De ervaring heeft ons dat geleerd. Dat zijn nl. de „vervreemden” en de „geëngageerden”. Bij verschillende aspirant-studenten treffen we aan een toenemende vervreemding van het geloof in de dagelijkse praktijk van het leven. Leven uit het geloof zegt hun niet veel meer, laat staan dat zij eruit willen werken. Openbaar belijdenis doen is een zaak die ver achter hen ligt.

Anderzijds zijn er de „geëngageerden”. Zij worden gekenmerkt door een uitermate grote betrokkenheid. De betrokkenheid kan zelfs ontaarden in een vorm van radicaliteit, waarvan de uitingen overigens heel verschillend kunnen zijn. Voor de één betekent het een radicale geloofskeuze. Het zijn vooral de jongeren binnen de kring van de Youth for Christ en de Navigators.

Bij deze groep is een onderwaardering van het werk alszodanig niet denkbeeldig, waardoor een juiste beroepshabitus in gedrang kan komen. Het evangeliseren staat dan voorop, zodat in deze gevallen het volgen van een bijbelschool overwogen dient te worden.

Voor anderen betreft dit een radicale politieke keuze, wat dan overigens ook weer als geloofskeuze wordt uitgelegd. Deze jongeren treffen we hoofdzakelijk aan in actiegroepen, waarbij dan het „doen” een haast mytische inslag krijgt. Echter moeilijker wordt de selectieprocedure, indien blijkt dat bij dezelfde jongeren, zowel sprake is van vervreemding als van engagement. De kerk en haar belijdenis spreken hen niet meer aan, hoewel ze niet negatief staan tegenover de godsdienst en het geloof. De ouders van deze jongeren behoren vaak nog wel tot een officiële kerk. Nu is deze ambivalente houding in de puberteit geen vreemd verschijnsel. Dat alles maakt de selectie nog gecompliceerder. Deze jongeren zijn duidelijk op zoek naar eigen identiteit. De kerk zo die reilt en zeilt wordt kritisch afgewogen en in een witzwart schema tot uitdrukking gebracht. Een dergelijke instelling vind je ook t.a.v. de maatschappij. Hoewel „kritisch ingesteld zijn” positief geduid kan worden, moeten studenten met „bepaalde” zienswijzen toch verder begeleid en gecoached worden. Al met al zijn dit wel zaken die een toelatingscommissie veel zorgen baren en de leden voor uiterst delicate zaken kunnen plaatsen. Er staan voor „beide partijen” veel belangen op het spel, vandaar dat veel zorg in deze geboden is.

Christelijke hulpverlening in het praktijkveld

Eén van de veranderingen die zich in de moderne tijd in een snel tempo heeft voltrokken is het proces van de secularisatie: het proces dat allerlei levensgebieden onttrokken worden aan bevoogding door de kerk. Met name is dit ook het geval geweest met het maatschappelijk en sociaal cultureel werk. Aanvankelijk hebben de diaconieën in het maatschappelijk werk een grote rol gespeeld, maar dat is langzamerhand minder geworden.

Met het inboeten aan betekenis van de kerk voor de wereld van elke dag is het besef groeiend dat christenen verantwoordelijkheid dragen voor het realiseren van dienstbetoon en wezenlijke hulp, van gerechtigheid en vrede. Maar juist door deze secularisatie is ook de relatie tussen geloof en opdracht wat op de achtergrond gekomen. Toch zijn het autentieke wortels van onze sociale arbeid. Het zijn vooral ook weer de studenten die vragen naar duidelijkheid, inzake de christelijke hulpverlening. En terecht. We mogen er vanuit gaan dat bij deze jongeren sprake is geweest van een bewuste „keuze” — en laten we hopen ook van „gebed” — voor deze gereformeerde sociale akademie.

Juist terwille van de duidelijkheid vragen zij, tijdens de opleiding, naar pasklare antwoorden op de vele probleemsituaties waarin zij geplaatst worden. Toch ligt dat niet zo eenvoudig. De werker in het veld opereert in het spanningsveld tussen de mens en zijn sociale omgeving. En de betekenis van deze spanning wordt beoordeeld op een moment dat de samenleving nog volop in beweging is, waarbij vele gevestigde waarden en normen ter discussie worden gesteld; in een tijd waarin „welzijn” en „welvaart” om voorrang strijden. Zo zal er vanuit bijbels standpunt gezocht moeten worden naar antwoorden, die mede de inhoud van het beroep van maatschappelijk werker en sociaal cultureel werker bepalen. Kortom er zijn veel problemen die vanuit een christelijk waardengebied vragen om een toepassing en concretisering binnen de christelijke hulpverlening. In deze heeft de bestaande literatuur ons weinig te bieden. Vandaar dat er dan binnen de akademie een groot studieterrein open ligt. Werk wat wij met schroom ter hand nemen. Maar vanuit het geloof gezien, hebben we de opdracht en het voorrecht christelijk maatschappelijk en sociaal cultureel werk te verrichten, juist vanuit de relatie die we in Christus met onze naaste kunnen en mogen hebben. Velen tot zegen.

C. VERHOEFF - directeur Gereformeerde Sociale Akademie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.