+ Meer informatie

DE OUDERE STADSKERKEN, 15 JAAR VERDER

8 minuten leestijd

In de afgelopen vijftien jaar is erbinnen ons kerkverband veel specifieke aandacht gekomen voor de kerken in de steden. Vanuit het Amsterdamse is de nood van de veelal sterk in ledental teruglopende kerken in de steden via de particuliere synode van het Westen op onze generale synode een nood van de hele kerk geworden. Inmiddels is veel in gang gezet om nieuwe initiatieven te ontplooien in allerlei steden. Ik hoef er hier geen opsomming van te geven: in ieder geval was er in Doorgeven regelmatig het nodige over te lezen en onlangs heeft drs. M.C. Mulder erover geschreven in Ambtelijk Contact (nr. 7 - 2009). Het gaat dan voornamelijk om missionaire initiatieven: en dat hoeft ook niet te verbazen, want willen de kerken in de (grote) steden overleven, dan zal er nieuwe instroom moeten komen uit stadsbevolking zonder kennis van het heil in Jezus Christus.

ENKELE ONTWIKKELINGEN

Naast bovengenoemde initiatieven zijn er andere ontwikkelingen geweest in de afgelopen jaren. Daarbij bekijk ik de zaken vanuit het perspectief van de langer bestaande kerken in oudere stadsdelen. Immers, ook de kerken in steden als Almere of Nieuwegein zijn stadskerken (zie onmiddellijk hieronder) maar ze verkeren in een andere situatie door voorgeschiedenis en samenstelling. Ik noem nu enkele ontwikkelingen, in vrij willekeurige volgorde. Daarbij realiseer ik me, dat veel van de hieronder genoemde ontwikkelingen ook herkenbaar zijn in kerken in nieuw verstedelijkt gebied en plattelandsgemeenten. Ze zijn dus niet per se specifiek voor de stad. Maar misschien wel de combinatie!

1. Het verschil tussen stad en dorp verdwijnt meer en meer.

Dat is met name merkbaar in de randstad. Wekelijks reis ik per trein van Utrecht naar Den Haag, al ruim zeven jaar. De stedelijke bebouwing van Utrecht houdt nu pas op kort voor Woerden: er heeft zich een omvangrijk stadsdeel ontwikkeld dat dorpen als Vleuten en De Meern volledig heeft ingekapseld. Wie door deze dorpen heenrijdt per auto, gewoon op een doordeweekse dag, ongeacht het dagdeel, belandt automatisch, vrijwel voortdurend, in ‘stadse’ verkeersdrukte en soms zelfs filevorming. Het tot voor kort landelijke vrijgemaakt-gereformeerde kerkje aan een boerenweggetje tussen Vleuten en De Meern ligt nu middenin een kleine landschapsrest, tot een soort stadspark geworden. Den Haag heeft o.a. Nootdorp volledig verzwolgen en rijdend vanuit de trein zie je Haagse bebouwing kort na een (gelukkig tijdig ontwikkeld) stukje bos tussen Zoetermeer en Den Haag. Rijdend vanuit Amersfoort richting Zwolle blijkt Nijkerk nu aan de Amersfoortse stadsgrenzen te liggen. Deze ontwikkelingen verlopen razendsnel. Je vraagt je wel eens af: zijn er grenzen?

2. Kerken in steden hebben zich meer en meer tot regiogemeenten ontwikkeld.

Dit punt raakt aan het vorige en heeft er oorzakelijk deels mee te maken, maar ook de toenemende kerkelijke verdeeldheid en het verdwijnen van kerkelijk besef speelt een rol.

De spreiding van de leden is te vergelijken met het beeld van het uitdijend heelal ofwel de rijzende krentencake. Er zijn gemeenten die nog wel de naam der stad dragen, maar het gros van de leden buiten die stad hebben wonen. In het ‘echte’ centrum van Utrecht b.v., het stadsdeel binnen de singels, wonen nog welgeteld twee leden. Begin jaren ’90 lagen in de wijk direct rondom de Haagse Jeruzalemkerk nog zo’n 15 bezoekadressen op onderlinge loopafstand met voornamelijk oudere leden. Tien jaar later was die situatie verdwenen.

3. Veel stadskerken hebben in toenemende mate problemen gekregen met parkeervoorzieningen.

Dit is geen bagatel. Soms is betaald parkeren tegen fikse tarieven onvermijdelijk geworden. Voor wat betreft de eigen kerken was de voormalige kerk aan de Steenschuur in Leiden illustratief en in Utrecht is dat b.v. de Jacobikerk (Geref. Bond). Tot enkele jaren geleden gold daar nog een soort privilege om tijdens kerkdiensten een aantal auto’s te mogen parkeren voor slecht ter been zijnde leden, maar dit gedogen is onder druk van de buurt vervallen. Allerlei doordeweekse activiteiten bij de kerk kosten de kerkelijke automobilist (soms veel) geld en het vinden van parkeergelegenheid is vaak een hele opgaaf. Deze ontwikkeling is niet bevorderlijk voor het ontplooien van aan het kerkgebouw verbonden activiteiten.

4. De meeste stadskerken lopen nog steeds terug in ledental.

Bij ieder verschijnen van een nieuw kerkelijk jaarboekje loop ik de getallen na en die stemmen niet vrolijk. In de afgelopen vijftien jaar zijn ook verschillende stadskerken opgeheven. De oorzaken zijn divers. Soms verlaten kerkelijke mensen hun stad bewust omdat zij die in toenemende mate als ‘unheimisch’ zijn gaan ervaren. In augustus is hier nog wat discussie over geweest in het RD n.a.v. een artikel over ds. P.L. de Jong (PKN-Delfshaven), die zich keerde tegen de gedachte dat bevindelijk gereformeerden in de grote steden eigenlijk niets meer te zoeken zouden hebben. Hij stelde daartegenover: ‘God werkt juist in de stad’. Maar hij bleef niet onweersproken: er werd b.v. gesteld: ‘het is ook een vlucht uit onmacht en ook als gevolg van pesterijen’.

Een andere oorzaak is de duurte van de woningen. Over Amsterdam verscheen vorig jaar ergens een tijdschriftartikel onder de titel ‘Amsterdam zit op slot’. Wie zich van buitenaf vrij in een zo’n stad wil vestigen, moet wel over een heel dikke portemonnee beschikken.

Gehuwde pas afgestudeerden die zich in Utrecht nog wel een tijdje kunnen en willen behelpen met een soms te krappe behuizing komen zeker bij gezinsuitbreiding voor de vraag te staan: waarheen nu? In de stad blijven blijkt dan vaak te prijzig!Ik geloof niet dat de terugloop in steden komt door een sterker risico van verwereldlijking in vergelijking met het platteland. Dat is wellicht ooit zo geweest. De stadsgemeenten zijn vaak teruggevallen op een kleine rest van echt ‘levende lidmaten’!

5. Stadskerken met “dochters” in randgemeenten vertonen een leeftijdsgat.

In de Utrechtse Singelkerk is een merkwaardig gebrek aan, globaal, leden in de leeftijd tussen de 40 en de 65 jaar. Dat is de leeftijdsafstand van een generatie. Dat is precies de generatie van de gezinnen die zich in de tachtiger jaren vestigden in stedelijke uitbouw in Nieuwegein en, later, Houten. Dat leeftijdsgat brengt o.a. met zich mee, dat oudere en ervaren ambtsdragers schaars worden, omdat zij zo langzamerhand allemaal boven de 70 raken (wat gelukkig niet altijd een absolute leeftijdsgrens inhoudt voor het bekleden van een ambt) en dat de huidige kerkenraad hoofdzakelijk bestaat uit leden jonger dan 40. Ditzelfde verschijnsel doet zich b.v. ook voor in de beide vrijgemaakt-gereformeerde kerken van Utrecht. Ook in andere steden zal dit beeld herkenbaar zijn.

Een ander gevolg is dat de kinderen in de leeftijd van de ouders uit de “verdwenen generatie” nagenoeg ontbreken. Startte ik in 2002 in Utrecht nog met zij het kleine, toch diverse groepjes catechisanten, nu worden enkelingen van verschillende leeftijd samen gegroepeerd in één minigroepje!

PERSPECTIEF

Wat zijn de vooruitzichten?

1. Stichting van nieuwe gemeenten.

Het is uitermate verheugend dat in een aantal steden missionaire activiteiten hebben geleid en nog bezig zijn te leiden tot het stichten van nieuwe gemeenten van hetzij meer autochtone hetzij meer allochtone aard. Onze kerken gaan daardoor een afspiegeling vertonen van de inmiddels qua herkomst in verschillende opzichten zeer kleurrijke stadsbevolkingen. Het mag ons verwonderen dat er inmiddels zulke jonge aanplant voorkomt in sommige steden! Er mag wel veel dankzegging en voorbede zijn voor deze prille en dus kwetsbare gemeenschappen. Soms gaat de opbloei van een dergelijke nieuwkomer echter gepaard aan het afsterven van de gemeente in oorspronkelijke vorm, zoals destijds in Rotterdam-Charlois. Vandaar dat hier ook ter sprake moet komen:

2. Opheffing van bestaande gemeenten.

Geen opwekkend perspectief, maar er valt soms niet aan te ontkomen. Een gemeente kan getalsmatig onder een zekere kritische grens raken waardoor het voortzetten van erediensten en verder kerkelijk functioneren vrijwel onmogelijk wordt. Die kritische grens komt zeker in zicht wanneer er niet meer voorzien kan worden in een minimaal aantal ambtsdragers. Er zijn niet altijd mogelijkheden voor een zgn. ‘doorstart’. Wel kan opheffing soms nog voorkomen worden door…

3. Krachten bundelen met een verwante kerk.

Soms doen zich mogelijkheden voor om samen verder te gaan met een andere gemeente van gereformeerde wortel. Onlangs hebben we in De Wekker bijv. kunnen lezen over de positie van onze kerk in Schiedam. Men is er eensgeestes met de HHK ter plaatse. Samengaan kan een kwijnende gemeente revitaliseren. Wel is waar dat de kerkelijke presentie in de gestalte van een bepaald kerkgebouw in een bepaalde wijk dan verdwijnt. Samenvoegingen van gemeenten geven daarom nieuw elan, maar betekenen tegelijkertijd een terugtrekkende beweging – terugtrekken is in elke strijd een pijnlijke tactiek.

4. Volharding in de oude kernen.

Veel stadsgemeenten hebben ‘kleine kracht’, maar toch: kracht. Het zijn niet zelden echt vitale gemeenschappen, waar veel van de HERE verwacht wordt. Er is de wil en het verlangen om vol te houden in de verwachting dat de HERE de gemeenten wil bouwen en bewaren. In die hoop timmeren stadsgemeenten meer dan vroeger aan de weg om merkbaar aanwezig te zijn in de wijken waarin hun gebouwen zich bevinden. Meer dan vroeger wordt in veel stadskerken getracht in de kerkdiensten oog te hebben voor gasten, in hartelijk onthaal en blijken van aandacht in m.n. de prediking.

Ds. H. de Bruijne (1957) is predikant van de gemeente van Utrecht-C.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.