+ Meer informatie

Het diaconaat in discussie

6 minuten leestijd

Israël na de ballingschap

Over personen speciaal belast met de zorg voor de armen lezen wij in het Oude Testament niet. Na de ballingschap komt de „synagoge” op. Het begin er van ligt eigenlijk al in de tijd van de ballingschap zelf. De vrome Joden, ver van hun land en ver van het heiligdom Gods, zullen van tijd tot tijd zijn samengekomen voor lezing van de wet en voor enige vorm van eredienst. Na hun terugkeer werden synagoges ingesteld, zowel voor de bewoners ter plaatse als voor de mensen in de verstrooiing. Bepaalde personen werden met de leiding belast en kregen macht om hen, die zich niet voegden naar de regels voor godsdienst en leven, uit te sluiten. Er waren oudsten, die toezicht hadden op het godsdienstige leven van het volk. Uit hun midden werd iemand gekozen, die optrad als overste van de synagoge. Soms waren er meer bestuurders. Zij hadden het toezicht op de godsdienstoefening, regelden de beurten voor het lezen van de wet en de profeten en leidden de discussies. Er waren ook dienaren, die de zorg hadden voor de gebouwen en belast werden met het toedienen van opgelegde straffen. Zij moesten bovendien giften in ontvangst nemen en die uitreiken aan de armen.

In iedere goed georganiseerde synagoge waren armenverzorgers. Er werd regelmatig geofferd voor de armen. Het binnenkomende moest ingezameld worden door tenminste twee personen. Met de uitdeling waren tenminste drie personen belast. Het inbrengen voor de armen was dus iets, dat deel uitmaakte van de eredienst der Joden in die tijd. Hierin kunnen wij dunkt mij al voorbereiding zien voor het latere diakonale werk.

De dienst van Christus

Van groot belang voor ons standpunt ten opzichte van het diaconale werk van de Nieuw Testementische kerk is de dienst van Christus Zelf. Alle ambtelijk werk van de kerk grijpt terug op Hem, Die bekleed was met het drievoudige ambt van profeet priester en koning.

Wij moeten Zijn eigenlijke dienst niet beperkt zien tot het onderwijs van het volk en het werk der verzoening aan het kruis. Heel Zijn Middelaarzijn in vernedering en verhoging is ambtelijke dienst ten behoeve van Zijn volk. Hij is niet slechts de grondlegger van de kerk. Hij is haar rechtmatig Hoofd. Zonder Hem en zonder Zijn blijvend handelen kan er van de kerk geen sprake zijn. Alles van het leven van de kerk berust op het werk van Christus, dat Hij ook nu voortzet. De ambten van de kerk van het Nieuwe Testament danken niet alleen hun ontstaan aan Hem, maar ook hun bestaan aan het eigenlijk gezag.

Het drievoudig ambt van Christus is ten nauwste verbonden met het geschapen zijn van de mens als beelddrager Gods. Als zodanig had de mens ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Het is de moeite waard hier nader op in te gaan, maar ik vrees, dat dit teveel ruimte in beslag zou nemen. Het beeld Gods is in de val verloren gegaan. Christus als de grote Ambts-drager verlost uit de ontstellende nood, die er is als gevolg van de zonde. Die verlossing is compleet in de volmaakte uitoefe-ning van Zijn drievoudig ambt van profeet, priester en koning.

Dit stelt alles van Christus’ leven en werk op aarde, zoals de bijbel het beschrijft in bijzonder licht. Hij onderwees en predikte het evangelie. Hij toonde gezag te hebben over wind en golven, in de uitleg van de leer van de bijbel en de regeling van de tempeldienst. Maar in alles kwam Hij uit als de Hogepriester, bewogen met ons lot, Die Zichzelf geheel offerde naar de wil van God als de volmaakte Plaatsvervanger. Hij deed enkel goed. Hij genas de zieken, reinigde de melaatsen, troostte de beproefden en predikten het evangelie aan de armen. Zijn hoge doel was zielen te winnen, maar Hi] besteedde toch ook alle aandacht aan de leniging van stoffelijke nood. Hij toonde het geweldige van Gods genade ter vervulling van alle nooddruft.

De kerk wordt door Hem geroepen om te werken en te dienen. Het koninklijke en profetische ambt van Christus moet func-tioneren in het leven van de kerk, in wat ze doet en wat ze leert. Maar zij heeft ook het werk van de christelijke barmhartigheid te aanvaarden. De apostelen hebben het heel goed begrepen, dat dit tot hun dienst behoorde. Levend van en puttend uit de volheid van ’s Heren genade, moesten zij ook de genezende en troostende kracht daarvan in de wereld doen uitkomen.

De kerk heeft de hoge roeping om in de functionering van de ambten het drievoudig ambtswerk van Christus Zelf te laten uitkomen. Zo hebben wij te maken met het leerambt, het regeerambt, maar ook met het ambt der barmhartigheid. Het evangelie der genade moet door de dienst van deze ambten in rechte zin uitkomen en haar licht verspreiden in deze door de zonde verduisterde wereld.

Christus Zelf bekwaamt

Christus heeft zijn apostelen de wereld ingezonden, maar niet zonder meer. Het slot van het Mattheus-evangelie stelt de dingen duidelijk. Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding der wereld. Hierin ligt alles, wat de kerk nodig heeft. De opdracht spreekt, maar er is ook de toezegging van bekwaammaking voor allen die dienen in biddend opzien tot Hem, Die Zelf de leiding heeft en houdt tot het allerlaatste toe. Hier is de verzekering, dat het gaat om de uitoefening van Zijn werk. Dit moet de ambtsdrager zich wel realiseren. Dit helpt in alles, niet in het minst in het moeilijke. Dat het Christus’ werk is, doet ons onze verantwoordelijkheid beseffen, maar het mag ons ook bemoedigen omdat Christus Zijn doel weet te bereiken.

De bijbel moge ons dan niet veel gegevens bieden over de ontwikkeling van de ambtsvervulling, uit alles blijkt wel, dat de apostelen bewust handelden. Zij waren de erkende leiders in het onderwijzen en prediken van het Woord. Zij hadden ook het oppertoezicht op wat de gelovigen inbrachten. Zij controleerden de inzameling en uitdeling der goederen ten behoeve van de armen. Op die manier kon men zich overtuigd houden, dat Christus Zijn drievoudig ambtswerk in hen voortzette.

Zo kon de apostel Paulus, geinspireerd door de Heilige Geest later ook schrijven aan de Efeziërs: „Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen, op Welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde opwast tot een heilige tempel in de Here”.

Christus heeft zijn apostelen gebruikt voor de stichting en organisatie van Zijn kerk in de wereld. Hun positie was uniek. Zij leerden met gezag van Christuswege en onder hun leiding kreeg de kerk haar bestaan en ontplooiing. In het vorige artikel heb ik gewezen op wat Handelingen 6 zegt omtrent de instelling van het diakonaat. Het daar gegevene, gezien in het licht van wat het Oude Testament noemt en in latere tijd is gegroeid, maar vooral van de volmaakte dienst van Christus, geeft ons voldoende houvast om te begrijpen hoe de jonge kerk te Jeruzalem onder leiding van de apostelen de dienst der barmhartigheid heeft aanvaard als een blijvende dienst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.