+ Meer informatie

RONDKIJK

5 minuten leestijd

RONDKIJK

Candidaat Joh. v. Dijke overleden. Met een zeer droevig bericht moeten wij deze keer onze rubriek beginnen: na een zeer ernstige ongesteldheid is Vrijdagmorgen 10 December, om half acht uur in de ouderdom van 41 jaar en 9 maanden overleden de heer Joh. van Dijke, Candidaat bij de Ger. Gemeente te Tholen.

Zoals bekend had de heer van Dijke een beroep aangenomen naar de gemeente Tholen en hij heeft enige maanden terug, reeds met een ernstige krankllfeid bezet, intrek in de pastorie genomen. Na thuis tot rust te zijn gekomen is hij naar Utrecht vervoerd om te w r orden geopereerd, maar de professoren zijn hiertoe niet overgegaan. Teruggekomen te Tholen was er aanvankelijk hoop op herstel, zelfs heeft hij toen nog buiten gewandeld, maar van lieverlede is zijn toestand achteruitgegaan. Donderdagmiddag 9 December heeft hij van vrouw en kinderen afscheid genomen, daar hij zijn einde voelde naderen. Naar men ons meedeelde, heeft hij toen nog de woorden geuit van de Psalmdichter uit Ps. 17 : 8: Maar 't blij vooruitzicht dat mij streelt" en is toen in die hope rustig gaan liggen en heeft niet veel meer gesproken. Vrijdagmorgen half acht uur heeft hij het tijdelijke met het eeuwige verwisseld en is zijn ziel de zwakke tabernakel ontvloden, om de eeuwige rust in te gaan.

Hel overlijden van de heer van Dijke, die gereed stond zijn dienstwerk te aanvaarden is voor de gemeente Tholen een hele slag', maar ook voor de Theologische School en de gemeenten in het algemeen, niet het minst voor zijn echtgenote en zijn talrijk gezin. De heer van Dijke laat een vrouw en 12 kinderen achter, van wie de jongste nog slechts enige weken oud is. De Heere steune en schrage de zwaar beproefde weduwe en haar kinderen en doe haar in Zijn heiligen wil berusten.

De begrafenis heeft Dinsdagmiddag onder zeer grote belangstelling plaats gehad.

In „E i 1 a n d e n - n i e u w s", Chr. Weekblad op de Zuid Holl. en Zeeuwse eilanden, vonden we in een van de rubrieken een stukje over het Jeugdvraagstuk.

„Wat is daarover al niet te doen! Ik vrees wel eens dat er te veel over gesproken en geschreven wordt, waardoor de jeugd nog maar pedant wordt en zichzelf heel belangrijk vindt. Met zo iets van: ja, jullie zitten nu eenmaal met ons. — In mijn jonge jaren werd er niet zoveel omslag gemaakt; je moest leren, hard werken en je mond houden. Kwamen de cliënten van een grote Bank eens bij Bredius op zijn jubileum, zij dankten hem voor al de credieten die Bredius verleend had, en voor al de credieten die hij - — geweigerd had. — En zo kan je soms nog denken aan die oude lieve vader: dank U vader, dat U zo streng was. Want het leven is vaak hard en 't is goed dat de jongeling in zijn jeugd zijn juk draagt. En de diagnose van de verwilderde jeugd ? Wel, allereerst ons aller verdorven hart, daar welt maar gedurig een onzalige fontein van kwaad op. En voorts: het huisgezin, precies zoals Prof. Waterink zegt: Wilt ge het verbeteren, begin in het gezin. Als vader en moeder niet weten te regeren (ja, het is waar, wie gaat hier vrij uit? ) dan breken de jongens en meisjes ook los. En de maatschappij gaat ten onder, omdat het huisgezin geen sterke burcht meer in de opvoeding is. Met sport en spel en bioscoop is dat niet te redden. Ook niet met de christelijke bioscoop die op komst is. Ook niet met kampeergelegenheid en volkshogeschool; neen, men moet maar bij Gods Woord in de leer gaan, dat wijst de enige goede weg. Enige goedwillende dames en heren hebben de straatjeugd.uit Haarlem medegenomen naar Friesland; de schapen, ze moesten toch ook iets genieten. Maar de jongens en meisjes vertraden het koren, trapten de turfhopen omver, scholden de boeren uit, bepaalden dat de leiders moesten lopen en niet fietsen; enfin, het was één grote revolutionnaire bende, volstrekt vreemd aan de minste tucht. Men is er gelukkig nog heelhuids mede in Haarlem teruggekomen. Zulke jeugd heeft iets anders nodig dan pleizierreisjes, haar moet tucht en orde aan het verstand gebracht worden. Men schuive dat niet op de schoolmeester, maar op de ouders, die zijn verantwoordelijk voor hun kroost."

Daar zit, dunkt me, én voor de Ouders èn voor de Jeugd een les in.

De Arme Wereldvreugde. Wij lazen in „De Wekker" (het orgaan van de Christelijke Geref. Kerken) van 5 November 1948 het volgende:

„En nu nog een woordje over Psalm 116. Als de dichter dan in de rechte verlegenheid met 's Heeren weldaden komt, gaat hij eerst recht feestvieren. Ach, wat weet de wereld toch helemaal niet, wat feestvieren is. Wat een arme wereld toch, die het moet doen met lichtjes en vuurwerken en schetterende muziek, met films en dansavondjes, enz. enz. En wat arm ook dat namaakchristendom onzer dagen met al zijn uiterlijk gebaar, maar zonder de vreugde te kennen van de zielsmeditatie in God. Wat een lege mensen toch. Laatst was iemand naar een „christelijke" (!) film wezen kijken; hij wekte zijn kameraad op, om toch ook eens te gaan; 't was ook zo amusant; „je lacht je kapot bij sommige gedeelten" zei hij. Nu dan is 't maar beter om „heel" te blijven!

Hoe vierde de dichter van Ps. 116 feest?

Hij ging feestvieren met een opgeheven beker. Maar welke? „Ik zal den beker der verlossingen opnemen en de Naam des Heeren aanroepen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.