+ Meer informatie

De sporen van het vuur

14 minuten leestijd

Voor de gemiddelde Nederlander is december de maand van gezelligheid, feestelijke maaltijden en sfeervol kaarslicht. De werkers van het brandwondencentrum in Beverwijk vullen de lijst aan met: omgevallen fonduepotten, kantelende frituurpannen en brandende gourmetstellen. Het incident neemt niet meer dan ettelijke seconden in beslag. De vurige sporen blijven een leven lang achter.

De winter valt in 1993 vroeg in. Voor Ruud Baltus is dat geen probleem. De automonteur uit Spaarndam weet niet wat kou is. Zomer en winter loopt hij rond in een overhemd. De meeste avonden is de amateur-wielrenner te vinden in zijn loodsje in de polder. Dat is ook het geval op de avond van 22 november.

Met zijn zoon sleutelt hij aan de auto van een buurman, waarvan de benzineleiding is bevroren. Door de tank onder druk te zetten, hoopt hij het euvel op te lossen. Zijn zoon staat met een bakje gereed om de benzine op te vangen. Geen van beiden hebben in de gaten dat ook de luchtfilter bevroren is.

Als Baltus de luchtslang verwijdert, komt de brandbare vloeistof onverwacht naar achteren gespoten en doordrenkt overhemd en broek van de automonteur. De rest stroomt over de vloer, bereikt de kachel in de werkplaats en vat vlam. Enkele seconden later staat ook Baltus in lichterlaaie. Hij rent meteen naar buiten en springt in de sloot. Om met een dreun op het bevroren wateroppervlak te klappen.

„Aan de kant hebben ze me uitgemaakt. Al was ik al grotendeels uitgebrand. Daar sta je dan, in je nakie. Ik heb een paar emmers water over me heen gegooid, m'n spijkerjackie aangetrokken en ben door een buurjongen naar het ziekenhuis in Haarlem gereden. Onderweg kwamen we de ambulance tegen. Ik had niet eens in de gaten dat dat voor mij was."

Vergissing
Van Haarlem wordt Baltus in vliegende vaart naar het brandwondencentrum van het Rotterdamse Zuiderziekenhuis gebracht. De eerste dagen wordt voor zijn leven gevreesd. Zestig procent van zijn lichaam is verbrand, voor een groot deel derdegraads. Als de toestand stabiliseert, wordt hij overgebracht naar Beverwijk, waar inmiddels een bed is vrijgekomen.

„Ik had eerst helemaal niet in de gaten hoe slecht ik er aan toe was. Ik dacht dat alleen m'n benen verbrand waren. Dat was dus een vergissing. Ze waren twee uur bezig met het verwisselen van het verband. Dan werd je uit je bed getakeld met zo'n takeltje. En gewogen in zo'n leren matje. Als een baby in de bek van een ooievaar, weet je wel. Schaamtegevoel heb je al heel snel niet meer. Je geeft je over. Helemaal."

Als hij uit bed mag, begint hij fanatiek te trainen. Het vuur heeft een ware ravage in z'n lichaam achtergelaten. Vooral zijn benen en zijn rechterarm zijn zwaar geschonden. De genezing gaat bovendien gepaard met de vorming van strengen, waardoor de huid wordt samengetrokken. „Ik liep als een ouwe man over die gang. Je hele leven is ineens naar de knoppen."

De gevolgen van een ernstige verbranding zijn bijna altijd ingrijpender dan patiënten aanvankelijk overzien. Toen Baltus na drie maanden werd ontslagen, had hij de indruk dat hij met een halfjaar wel weer de oude zou zijn. „Als je ontdekt dat dat niet zo is, krijg je wel een klap ja. Ik heb wel 's op de rand van m'n bed zitten huilen. Dan zag ik m'n lichaam en dacht: Ik wordt nooit meer beter. Dan heb je het wel effe moeilijk."

Op z'n stoel ligt nog steeds een silicone-kussen. Sinds april is hij al drie keer teruggeweest naar het ziekenhuis, voor hersteloperaties. De eerste keer aan de arm. Toen aan beide knieholten. De laatste keer aan beide benen. Vooral de genezing van de benen verloopt veel langzamer dan hij had gedacht.

Voor het brandwondencentrum heeft hij niets dan lof. Bij de laatste huidtransplantatie werd hij op eigen verzoek overgeplaatst van de chirurgische afdeling naar het gespecialiseerde centrum. „Op chirurgie lig je naast iemand met een sneetje in z'n buik, voor z'n blinde darm. Nieuw pleistertje erop en klaar. Met mij hadden ze weer een uur werk.

Het ene been was op vijf plaatsen opengesneden, het andere op twee plaatsen. En van m'n rug was bijna alle huid weggehaald, met zo'n kaasschaaf Op chirurgie trekken ze zo het verband eraf. Dan schreeuw je het uit man. In het brandwondencentrum komen ze gelijk met zo'n plantenspuit met water aan. Die hebben ervaring, die meiden."

Gevoelige afdeling
Het Beverwijkse brandwondencentrum maakt deel uit van het plaatselijke Rode-Kruisziekenhuis. Op de geïsoleerde afdeling kunnen twaalf patiënten worden opgenomen. Met het oog op calamiteiten is er een behoorlijke overcapaciteit. De gemiddelde bedbezetting ligt op 65 procent.

Voor ernstig zieken zijn er vier intensive-care boxen. Kinderen worden alleen in de acute fase in het centrum behandeld. Daarna gaan ze naar de kinderafdeling, waar zes plaatsen voor brandwondenpatiëntjes zijn gereserveerd. Voor reconstructieve operaties zijn meerdere bedden beschikbaar op de afdeling plastische chirurgie.

Naast het ziekenhuis bevindt zich een quarantaine-paviljoen, voor patiënten die uit het buitenland worden aangevoerd, zoals na de vliegramp in Faro. „We zijn een bacteriologisch gevoelige afdeling, met grote open wonden", verklaart verpleegkundig manager Dorien de Vries.

„Mensen die uit alle windrichtingen komen kunnen vieze bacteriën meebrengen, die ongevoelig zijn voor de meeste antibiotica. Om te voorkomen dat we die in huis halen, nemen we deze patiënten buiten op, zoals wij dat noemen. Pas als de kweken hebben uitgewezen dat ze niet met dergelijke bacteriën besmet zijn, mogen ze naar binnen."

Medisch coördinator
Medisch coördinator van het brandwondencentrum is assistent-chirurg Jos Vloemans. In principe verlopen alle opnames en behandelingen via hem. In zijn werk kan hij terugvallen op een team van gespecialiseerde collega's. De wondbehandeling is in handen van chirurgen, de interne zorg valt onder verantwoordelijkheid van zogenaamde intensivisten: anesthesisten die een aantekening voor dit werk hebben behaald.

De wijd verbreide gedachte dat je in Beverwijk alleen met gruwelijke verbrandingen terecht kunt, is volgens Vloemans onjuist. „In principe behandelen we alles, maar door de deskundigheid die hier is geconcentreerd maakte ons centrum naam als landelijke kliniek voor ernstige brandwondpatiënten.

Momenteel zie je daarin een verschuiving optreden. Steeds vaker vervullen we ook een adviserende rol naar ziekenhuizen toe die de behandeling van deze patiënten geheel of gedeeltelijk in eigen handen houden."

Acute geneeskunde
De meeste patiënten van het brandwondencentrum komen van andere ziekenhuizen. Ook patiënten die zo verbrand zijn dat behandeling zinloos is, worden doorgestuurd.

„De confrontatie met een ernstig brandwondenslachtoffer is dermate belastend, dat een gewoon ziekenhuis daar geen raad mee weet", licht Vloemans toe. „Zoiemand ligt helemaal open, maar praat nog wel gewoon tegen je. Men kan zo'n patiënt niet begeleiden, laat staan de familie. Voor ons is dat ook zwaar, maar we kunnen er wel mee omgaan zonder dat we door onze eigen emoties overmand worden."

De werkdruk van de arts varieert enorm. „Dat is kenmerkend voor de acute geneeskunde. Je kunt twee weken geen opnamen hebben en dan krijg je op één avond vier patiënten van vier verschillende ongevallen. Daar moet je tegen kunnen. Het aantrekkelijke van dit werk ligt voor mij in de wondbehandeling. Het resultaat van wat je doet, zie je elke dag weer terug."

Boiler
Eén op de drie patiënten van het brandwondencentrum is een kind. Voor het merendeel in de leeftijd tussen nul en vier jaar. De meesten zijn opgenomen vanwege heet-waterverbrandingen. Naast de pijn die het geeft om je kind te zien lijden, worden bijna alle ouders gekweld door zelfverwijt.

Marina de Groene uit Urk, moeder van de anderhalfjaar oude Roeland, verzet zich daar bewust tegen. Ze is ervan overtuigd dat het ongeval met haar jongste kind niet te voorkomen was. De ondernemende peuter klom via de wc-pot in de wastafel en zette de kraan open. De warme in plaats van de koude. Meteen stroomde het gloeiend hete water uit de boiler over hem heen.

Eer de moeder boven was, had het kereltje zich al uit de wastafel laten vallen. Meteen zette ze hem in bad onder de koude kraan. Door de buurvrouw werd een arts gealarmeerd, die de ouders naar het ziekenhuis in Emmeloord verwees. Daar was binnen een halfuur duidelijk dat de situatie veel ernstiger was dan ze dachten. Hun kind moest door naar Beverwijk. „Dan denk je: Dit is het einde. Beverwijk was in mijn ogen het ergste wat een mens kan overkomen."

In het brandwondencentrum, waar een team van specialisten gereed stond, werd vastgesteld dat een derde deel van het lichaamsoppervlak van het jongetje was verbrand. Achttien procent zelfs derdegraads. Op de eerste transplantatie die de peuter inmiddels achter de rug heeft, zullen er nog verscheidene volgen.

Appartement
De ouders werden ondergebracht in een van de appartementen in de personeelsflat van het ziekenhuis, die met geld van de serviceclub Kiwanis zijn bekostigd. „Dat is een uitkomst. Je weet niet wat je ziet als je rondgeleid wordt. Een wasmachine, een wasdroger, een magnetron... Ze hebben hier meer dan ik thuis heb."

Haar man ging na anderhalve week weer aan het werk. „Dat is beter. Dan kun je je gedachten wat verzetten." Ook de dagen van Marina zijn gevuld. „Je denkt dat je tijd zat hebt, maar dat is absoluut niet zo. De eerste week zat ik van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bij Roeland.

Dat is nu wat minder, maar ik ben nog steeds een groot deel van de dag bij hem. Dan voelt hij zich veiliger. Hij heeft een aversie gekregen tegen alles wat een blauw schort draagt." De angst van het kind is vooral het gevolg van de verbandwisselingen.

Vooraf wordt per injectie een licht anesthetisch middel toegediend. Als het kereltje wegzakt, vertrekt Marina naar haar appartement. Ze heeft er geen behoefte aan om de pijnlijke behandeling mee te maken. Alleen bij volledige anesthesie zou de pijn volledig worden weggenomen, maar dat is geen reëel alternatief. „Verbranden is volgens mij op de dood na het ergste wat er is", zegt de moeder.

Depressiviteit
Ook de meeste verpleegkundigen van het brandwondencentrum zien op tegen de verbandwisseling bij kinderen. „Daar houd je rekening mee bij je planning", zegt teamleidster Carla Narold, die assisteert als twee collega's de zwaar gehavende benen van het jongetje inzalven en opnieuw verbinden.

„'s Morgens verdelen we het werk. Als je weet dat iemand er moeite mee heeft om zo'n kind te behandelen, zoek je daar iets anders voor." Zeker bij uitgebreide verwondingen is de verpleging van brandwondenpatiënten zeer arbeidsintensief. Het is geen uitzondering dat twee personen anderhalfuur nodig hebben voor de verbandwisseling bij één patiënt.

De emotionele last die dat voor de verpleegkundigen meebrengt, wordt nog vergroot door het feit dat een fors deel van de patiënten het ongeval bewust heeft veroorzaakt. Als een vurige schreeuw om aandacht. Onder invloed van een zware depressie. Of van stemmen die het slachtoffer opdracht gaven zichzelf in brand te steken. Omgekeerd kan de verbranding tot depressiviteit leiden.

Toen Ruud Baltus naar zaal verhuisde, kreeg hij daar van nabij mee te maken. „Soms werd ik helemaal gek van die andere gasten. De een had z'n eigen in de fik gestoken, de ander waterde van narigheid in z'n bed, een derde wou niet eens meer eten... Zelf had ik daar geen last van. Natuurlijk vind je het niet leuk dat je daar ligt, maar je moet blijven vechten. En ik heb vreselijk veel steun aan m'n vrouw en m'n kinderen gehad."

Psychiatrie
Carla Narold beoordeelt de slachtoffers van mislukte zelfmoordpogingen zeer laconiek. „Die mensen zijn gewoon ziek en moeten net als de rest geholpen worden. Het boeiende van deze afdeling is voor mij dat je hier zo'n beetje alles bij elkaar hebt: Chirurgie, psychiatrie, intensive care, interne geneeskunde...

In principe benader ik elke patiënt op dezelfde manier. Ook de man of vrouw die zichzelf in brand heeft gestoken. Onze ervaring is trouwens dat deze mensen het hier in het algemeen een stuk beter doen dan in de psychiatrie. Daar zitten ze tussen enkel psychiatrische patiënten. Hier trekken ze zich aan de anderen op."

Het meest belastende aspect van haar werk blijft voor de stafverpleegkundige de verbandwisseling. „Dat is voor patiënten vaak een verschrikking, ondanks de pijnmedicatie. Ik doe dit nu tien jaar, maar daar stomp je niet door af. Wanneer je dat zou merken, wordt het denk ik ook tijd om te vertrekken."

Niet aantrekkelijk
Als specialisme is de brandwondbehandeling nog zeer jong. De voortgang die de achterliggende jaren is geboekt, ligt op het terrein van de shockbehandeling in de acute fase en het voorkomen van infectie. De sterfte aan brandwonden is daardoor aanmerkelijk teruggedrongen.

„Maar als het gaat om de preventie van overmatige littekenvorming, hebben we nog helemaal niks bereikt", stelt Jos Vloemans spijtig vast. Bij het spreekuur voor littekenpatiënten, op donderdagmiddag, zijn behalve Vloemans chirurg Robert Kreis en ergotherapeute Marloes van de Hulsbeek betrokken. Om de twee weken is ook een plastisch chirurg aanwezig.

Een belangrijke oorzaak van het geringe succes in de strijd tegen de vorming van littekens en bindweefselstrengen is volgens Kreis dat brandwondpatiënten voor de farmaceutische industrie niet aantrekkelijk zijn. „Het is een relatief kleine groep. Research naar geneesmiddelen ter voorkoming van littekenvorming wordt commercieel gezien pas interessant als ook toepassingen in de cosmetische sector mogelijk zijn."

Loopstoeltje
Terwijl voor het algemeen chirurgisch spreekuur gemiddeld zeven minuten per persoon wordt uitgetrokken, is dat bij het brandwondenspreekuur een kwartier. Het is niet ongebruikelijk dat patiënten een reis van meer dan anderhalfuur achter de rug hebben. Omdat ze vaak jaren onder behandeling blijven, ontstaat een nauwe band tussen patiënt en arts.

Een knaap die in de zomervakantie een keteltje kokend water over z'n rechtervoet heeft gekregen, krijgt te horen dat de gevolgen mee lijken te vallen. De prognose voor de jonge vrouw die ernstige verbrandingen opliep door een steekvlam, is minder gunstig.

De huid van haar linkerbeen oogt als dun perkament. Met afkeer blikt ze het naar het geschonden lichaamsdeel en informeert of ze er al mee onder de zonnebank mag. Het negatieve advies van Vloemans stelt haar zichtbaar teleur. "Deskundigen" hadden haar al verzekerd dat het geen kwaad kon.

Ook de kinderen zijn in het spreekuur goed vertegenwoordigd. Het blonde meiske dat in de crèche soep over haar rechterarm heeft gehad, hield aan het incident een vurig brandmerk over. Een kereltje van nog geen jaar oud, dat met z'n loopstoeltje naar de keuken wandelde en daar aan het snoer van de snelkoker trok, krijgt in overleg met de ergotherapeute een drukvestje aangemeten, om littekenvorming tegen te gaan.

"Onwijs pijn"
In de behandelkamer ernaast zit een Amsterdams binkie gereed, de pet nog op. Hij heeft z'n littekens aan handen en gelaat te danken aan capriolen met een fles terpentine en een doosje lucifers. Het vriendje dat hem assisteerde is ook onder behandeling van het brandwondencentrum.

„Kan er niet wat aan die littekens gebeuren?", vraagt hij aan Kreis. „Ze doen vaak onwijs pijn." De chirurg kan hem op korte termijn weinig perspectief bieden. „Als we al gaan opereren, moet je eerst volgroeid zijn", deelt hij eerlijk mee.

De tiener die het litteken aan haar linkerbeen komt tonen, heeft de ontsiering te danken aan een gloeiende uitlaat. Het zal een vurige herinnering blijven aan een zomers ritje, achterop de brommer bij een vriend. Volgens Vloemans een typische zomervakantieverbranding bij meisjes.

Zoals ook december z'n kenmerkende verbrandingingen heeft, door omgevallen frituurpannen en steekvlammen uit gourmetstellen. Het littekenspreekuur leert hoe langdurig de gevolgen zijn.

Een jongen uit Waalwijk, die vier jaar is weggebleven, komt terug omdat de flinterdunne huid over zijn scheenbeen openspringt zodra hij zich stoot. Vooral met skiën is dat een probleem. Marloes adviseert een scheenbeschermer van silicone, waardoor de wintersport toch gerealiseerd kan worden.

Werk
„In principe blijven mensen onder behandeling", zegt Vloemans. „Het gebeurt wel dat je ze jaren niet ziet, maar dan ineens zijn ze er weer. Meestal in verband met problemen door de littekens, bijvoorbeeld bij het toenemen in lichaamsgewicht. Die littekens rekken niet mee. Dat geeft het gevoel of je in een te nauwe jas zit."

Ruud Baltus heeft het afgeleerd om ver vooruit te kijken. Elke dag is zijn vrouw nog drie kwartier bezig met verbinden, in een slaapkamer die daarvoor is ingericht. „En elke dag moet het hele bed verschoond: onderlaken, bovenlaken... De kinderen zijn het huis uit, maar de wasmachine draait hier dag en nacht.

M'n vrouw heeft het er ook wel eens moeilijk mee. Die heeft ook wel 's gehuild. Maar ze doet het heel goed. Ik zeg soms: Ik zie er niet meer uit. Dan zegt ze: We zijn toch dertig jaar getrouwd kerel, ik zie het niet eens meer. Ze probeert me ook overal mee naartoe te nemen, maar dat hoeft voor mij niet meer. M'n werk vind ik veel belangrijker.

De laatste keer zeg ik tegen Vloemans: Hoe zit dat nou dokter, ik moet naar m'n baas, man. Zegt-ie: Gezien uw leeftijd en uw ernstige verwondingen moet u daar niet helemaal op rekenen. Dan schiet ik vol, weet je wel. Het is m'n lust en m'n leven, die auto's. Ik ga 's middags alweer naar de zaak. Auto's APK-afmelden en zo. Gewoon vrijwillig.

Ik ben 33 jaar bij dezelfde baas. En dan zou ik met m'n vijftigste moeten stoppen! Maar ik weet voor mezelf dat ik weer aan de bak kom. Weet ik zeker."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.