+ Meer informatie

De Heerlijkmaking (4)

10 minuten leestijd

Mogen wij spreken van een 'onsterfelijke ziel' óf mogen wij dat niet? Met deze vraag hebben wij ons in het vorig artikel beziggehouden. Ook nu zal deze vraag ons bezighouden, omdat er in het verleden en in het heden totaal verschillende antwoorden op deze vraag zijn gegeven. Alvorens ik zelf een antwoord vanuit de Schrift probeer te geven, wil ik toch eerst nog een tweetal antwoorden op deze vraag naar voren brengen die velen aan het denken hebben gezet. Antwoorden die zijn gegeven door theologen uit ons eigen land!

G. van der Leeuw

In ons land is vooral dr. G. van der Leeuw fel ten strijde getrokken tegen de leer van de onsterfelijkheid van de ziel. Volgens deze theoloog kunnen de leer van de onsterfelijkheid van de ziel en de leer van de opstanding op de jongste dag niet samengaan. Wie beweert dat de ziel onsterfelijk is, is naar de mening van G. van der Leeuw een heiden. Men denkt puur heidens. Volgens hem is alleen de leer van de opstanding op de jongste dag puur christelijk. Door deze theoloog wordt geaccentueerd, dat alleen God onsterfelijk is. De mens, zijn ziel daarentegen niet. Alleen de belofte van de opstanding werd door God aan de mens gegeven. Sterke nadruk wordt er door hem gelegd op het feit, dat de Schrift geen scheiding maakt tussen lichaam en ziel. Ook keert hij zich fel tegen A. Kuyper (zie vorig artikel) die nog sprak over een voortbestaan van de ziel, hoewel laatstgenoemde hierbij reeds een paar kanttekeningen maakte. Maar zoals Kuiper sprak mag niet gesproken worden, omdat daardoor verondersteld wordt dat er continuïteit bestaat tussen ons leven en dat van God. Men mag hooguit spreken van een voortzetting door God, op hoop tegen hoop, door de dood heen. Kort samengevat: voor Van der Leeuw is de ziel niet onsterfelijk.

G. C. van Niftrik

Ook G. C. van Niftrik heeft een andere visie op de onsterfelijkheid van de ziel dan de kerkvaders en Calvijn, In navolging van K. Barth waarschijnlijk geeft hij op de vraag van de onsterfelijkheid van de ziel althans een ander antwoord dan Calvijn heeft gedaan. In zijn 'Kleine Dogmatiek' lees ik: 'Het Protestantisme leeft nog voor een groot deel onder de ban van een dualistische metaphysica, waarin het onder alle volken aanwezige primitieve, animistische denken zijn wijsgerige uitdrukking gevonden heeft'. Volgens Van Niftrik is de dood 'restloze ondergang' en komt straks bij de opstanding de volkomen vernieuwing van lichaam en ziel. Hij schrijft: 'Onze identiteit wordt bewaard door de dood heen in de liefde Gods, in het genaderijke oordeel Gods'. Men lette erop dat 'onze identiteit' bij deze theoloog niet samenvalt met de onsterfelijke ziel. Hoeverre Van Niftrik aan wat hij in zijn 'Kleine Dogmatiek' heeft geschreven ook in later leven heeft vastgehouden is een vraag die in alle redelijkheid gesteld kan worden. In zijn boek 'Waar zijn onze doden' geeft hij o.a. dit weer: 'In de hemel; met Christus; in het hart der werkelijkheid; in het paradijs; voor het aangezicht Gods; thuis; in de eeuwige vreugde'. Is dat niet rijk? Daarom juicht de Heidelberger Catechismus immers reeds in vraag en antwoord 1: Mijn enige troost beide in leven en in sterven, is dat ik met lichaam en ziel beide, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.

De totale mens

Alvorens ik de Schrift wil laten spreken, is het wellicht toch goed om er nog eens op te wijzen, dat het in de Bijbel gaat om de totale mens. Dat geldt voor het hier en nu! Maar dat heeft niet minder betrekking op de leer van de laatste dingen en wat ons onderwerp betreft op de heerlijkmaking. Men mag lichaam en ziel daarom wel onderscheiden, doch niet van elkaar scheiden. Wie in het lichaam niet meer ziet als een 'madenzak', bevindt zich daarmee niet in het spoor van de Schrift, maar is verzeild geraakt in allerlei filosofische vaarwateren. Een onderwaardering van het lichaam heeft ontegenzeggelijk repercussies. Ik denk nu met name aan de heiligmaking. Want onderwaardering van het lichaam houdt in dat het er in de heiligmaking niet zoveel toe doet, hoe er met het lichaam wordt omgegaan. Aan allerlei uitspattingen van het lichaam kan men zich dan overgeven. Immers dat lichaam is toch niet van zoveel waarde. Laten wij voor zulke goddeloze en ^od onterende gedachten waken en ons aan dwalingen dienaangaande niet overgeven. De Schrift zegt, dat het lichaam een tempel van de Heilige Geest is. Als dit zo is, behoren wij met ons lichaam zeker om te gaan als een tempel.

Op grond van de Schrift mogen wij stellen, dat lichaam en ziel, ziel en lichaam samen de menselijke natuur vormen. Wanneer dit door ons als Bijbels uitgangspunt wordt gezien, zullen wij het samen er ook wel over eens zijn, dat de zonde (onze val in Adam) diepe sporen heeft getrokken zowel in het lichaam als in de ziel. Wanneer nu de Heere ons Zijn genade schenkt en wij door een waarachtig geloof in Christus Hem toebehoren, komt er in ons leven een geweldige strijd. Immers, de dagelijkse bekering is een strijd. Echter... niet een strijd tussen lichaam en ziel, maar een strijd van het nieuwe leven tegen dat van het oude in de mens. Dit laatste moet ten onder en naarmate het nieuwe leven sterker wordt — door genade — naar die mate zal de strijd tegen het oude leven in de mens feller zijn. De Heere heeft dus een strijdend volk. Als het goed is, zit dat volk nooit stü en sterft het door de strijd alle dagen meer en meer aan zichzelf met de begeerte om Gode te leven. Aan die strijd komt evenwel geen einde. Althans niet zolang men in het land der levenden is. Een einde, een totale overwinning zal er dan pas zijn, wanneer Gods volk de ogen hier dicht doet en mag openslaan bij de Heere. Dat doet zij direkt bij het sterven. Zoals men opmerkt volg ik wat dit betreft dus niet de visie van Van der Leeuw, Althaus, Van Niftrik e.a. Ook niet die van A. Kuyper. Toch schrijf ik neer, dat de term 'onsterfelijke ziel' een enigszins eigenaardige uitdrukking is. Wanneer wij de Schrift erop nalezen, zullen wij opmerken, dat deze term als zodanig in de Bijbel niet voorkomt. Wel wordt in 1 Timotheüs 6 : 16 van God gezegd dat Hij onsterfelijkheid heeft. Wanneer ik de gegevens van het Nieuwe Testament inzake de 'onsterfelijke ziel' naga, kom ik hierop terug omdat vooral Calvijn in zijn exegese van deze tekst belangwekkende dingen heeft gezegd.

Wat de mens echter betreft lezen wij niet letterlijk over een 'onsterfelijke ziel'. Wel staat er heel duidelijk geschreven, dat in de dag der dagen het sterfelijke van de mens onsterfelijkheid zal aandoen? Volmondig kan dan gezegd worden, dat de dood is verslonden tot overwinning.

Vanzelfsprekend rijst toch de vraag op óf er dan geen continuïteit, geen voortbestaan van de ziel direkt na de dood is? Doet de ziel niet terstond de eeuwige vreugde aan zoals de kerk der eeuwen altijd heeft beleden en dit ook onder woorden is gebracht in één van onze belijdenisgeschriften nl. de Heidelberger? Wü ik hierop iets zeggen, dan moet ik de Schrift aan het Woord laten. Want hoe hoog ik de kerkvaders en belijdenisgeschriften acht en liefheb, de Schrift heeft het eerste en het laatste woord. Gods openbaring is het kompas of zoals in Psalm 119 staat: Het Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.

Oude Testament

In het Oude Testament komt heel vaak het woord nèfesj=ziel voor. Wel moet ik direkt hierbij de opmerking maken, dat dit woord 'nèfesj' dat door ons met 'ziel' wordt vertaald verschillende betekenissen kan hebben. Meestal met men dit uit de tekst en de kontekst (het verband waarin de tekst staat) opmaken. Het woord 'nèfesj' heeft nu eens de betekenis van 'de totale mens', dan weer duidt het aan de mens naar de binnenkant gezien. Men kan zeggen in zijn innerlijk bestaan. F. J. Pop geeft in zijn 'Bijbelse woorden en hun geheim' hiervan een uitvoerig exposé. Voorts verwijs ik hiervoor naar 'Kittel' die hier nog veel uitvoeriger op ingaat. Hoe het ook zij: op grond van het woord 'nèfesj' leert de Schrift ons duidelijk, dat de mens is stof en geest, lichaam en ziel.

Nu heeft het de schijn alsof de mens in het Oude Testament niet zoveel belangstelling heeft voor een leven na de dood. Wel verstaat de mens dat het leven is van-en bij God alsmede dat er een schril contrast is tussen leven en dood. Voor de gelovige onder de oude bedeling is de dood een vijand die niet in de goede schepping thuishoort. De dood als vijand daarin is een geweldige dissonant. Hiermee heeft de gelovige Israëliet geworsteld. Desalniettemin heeft hij geloofd, dat God het leven geeft, omdat God de eeuwige levende is. Het gevolg daarvan is, dat het leven op aarde zin heeft en heel concreet moet worden opgevat. Voor de Israëliet is leven altijd geschapen leven. Om die reden wordt er in het Oude Testament minder dan in het Nieuwe Testament gesproken over een leven na dit leven. Het geloofsdenken richt zich in bepaalde zin meer op het handelen Gods in dit leven. Toch moeten wij niet denken, dat dit leven het allesbeheersende voor de gelovige Israëliet is geweest. En ook al

wordt er in het Oude Testament minder gesproken over een leven na dit leven, er zijn toch wel Schriftplaatsen aan te wijzen die spreken over continuïteit, een voorbestaan na dit leven.

Daarin komt naar voren dat men in het geloof heel diep gepeild heeft, dat met de dood niet alles uit is.

De band met de levende God in dit leven wordt door de dood niet verbroken. Als voorbeeld denk ik aan Job. Hem hoor ik zeggen: 'Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen'? Voor Job wordt de levensband met de Heere niet door de dood verbroken of te niet gedaan, maar blijft bestaan over dood en graf heen.

Ofschoon wij de indruk zouden kunnen krijgen dat het kind Gods onder de oude bedeling zich van een leven na de dood weinig bewust is geweest en zich hiervan geen voorstelling heeft gemaakt, toch is deze indruk niet helemaal juist. Het moge dan minder zijn dan in het Nieuwe Testament, toch is het geloofsbewustzijn er wel geweest. Voor de gelovige Israëliet gold: e Heere blijft mij in alle omstandigheden nabij. Zelfs in de 'sjeool' (het dodenrijk) zal de Heere er zijn. Want ik hoor David in Psalm 16 belijden: Want Gij zult mijn ziel in de hel (sjeool) niet verlaten'. Dat men wel degelijk in een continuïteit van het leven, ook na de dood, heeft geloofd, blijkt nog duidelijker als David in zijn gebed in Psalm 17 zegt: Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld als ik zal opwaken'. Het is mijns inziens niet terecht, wanneer men dit alleen maar betrekt op de concrete nood waarin David zich op dat moment bevindt. Zeer zeker wordt hier ook bedoeld het ontwaken uit de dood. Psalm 73 : 24 geeft in dit verband een nog treffender bewijs: Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen'. Het is wel heel opvallend, dat het woord 'opnemen' in deze tekst hetzelfde woord is dat gebruikt wordt in Genesis 5 ; ^ 24 waar gesproken wordt over het feit dat God Henoch wegnam, terwijl wij ditzelfde woord 'opnemen' ook tegenkomen in 2 Koningen 2:1 waar gehandeld wordt over de opname van Elia in de hemel. Wel moet gezegd worden, dat Henoch en Elia de enige twee in het Oude Testament zijn bij wie geen scheiding tussen het lichaam en de ziel heeft plaatsgevonden. De gewone weg is dat dit wel gebeurt. Doch hierover een volgende keer meer. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.