+ Meer informatie

Over de goedertierenheid des Heeren

6 minuten leestijd

„Heere! Uwe goedertierenheid is in eeuwigheid!” zegt David. — Heere, zegt hij, Uwe goedertierenheid. Het is een wonderbare goedertierenheid, weswegen zij ook in de 136e Psalm zes en twintig maal geprezen wordt. De goedertierenheid der mensenkinderen is van zeer korte duur; zij is meest altijd afhankelijk van ’s mensen luim; waar zij dikwijls wat zou willen doen, daar kan zij niet, en waar zij kan, daar wil zij menigmaal niet. Ook is zij dikwerf zeer onbarmhartig, en is meer geneigd om te verwijten, dan om te bedekken, meer om de wet voor te schrijven, dan om zonder vergelding goed te zijn; van zondenvergeving weet zij niets. Over het geheel hangt de goedertierenheid der mensenkinderen af van Gods almachtige wil en van Zijn bevel. Maar de goedertierenheid des Heeren verwijt niet; zij zegt niet: deze is een zondaar, daarom wil Ik hem niet helpen; integendeel, deze is een ’ellendige en hij zit in benauwdheid, hij heeft geen moed om de ogen tot Mij op te slaan, zó drukt hem de last zijner schulden terneder en zijn ellende, daarom wil Ik tot hem afkomen en hem troosten, hem ook uithelpen, opdat hij door Mijn liefde overmeesterd zij, en mij, nadat Ik hem getroost heb, een hart tot Mij hebbe.

En zo is dan de goedertierenheid des Heeren iets overvloeiends. Deze bron ontspringt uit Zijn ingewanden en wordt een stroom, rukt zonde en nood met geweld met zich voort, stort zich op het dorre, uitgedroogde en magere land en maakt het vruchtbaar, zodat het ruist als op de Libanon; zij maakt het vet, dat het druipt van vettigheid; de landouwen staan rijk, en er golft het koren, waar kort te voren de bodem steenachtig en onvruchtbaar was.

Des Heeren goedertierenheid is zo mild, dat zij het hart week maakt; het stenen hart wordt een viesen hart. De trotsheid wordt gebroken door zulk een goedertierenheid; al wat aan de mens is wordt verbrijzeld en alles wordt gezond gemaakt, zodat het drijft in de zalfolie des Heeren, Die Zichzelf verkocht heeft om voor ons zulke zalf te verwerven. De goedertierenheid des Heeren is altijd bereid en bij de hand. Dag en nacht verlaat zij niet de wieg van het zieke kind. Ja, in ’t midden van de nacht, juist dan, als het op ’t hevigst stormt, als niets meer overeind kan blijven staan, als het stikdonker is, zodat men geen hand voor ogen kan zien, als het daarbij door het diepst moeras gaat, waar niemand de voet weer uittrekken kan, of door diepe wateren, door nood en dood, — waar maar een ellendige is, daar is zij en openbaart haar hoge Koninklijke inborst. Met één blik heeft zij onze gehele armoede en hulpeloosheid overzien, en behandelt nu de armen en ellendigen, alsof zij vorsten waren en Zij hun dienares; zij neemt al het werk op zich, verzacht hun smarten, ja neemt de smarten geheel weg; zij maakt, dat zij zonder hinder goed kunnen rusten en nederliggen in alle vrede; zij maakt hun alles schoon en verzorgt hen tot in het kleinste toe van alles; zij brandt van begeerte hun altoos opnieuw en onvermoeid na te gaan en te helpen, en vraagt naar niets dan naar dit éne, dat zij haar goedertierenheid mag betonen. Zulk een goedertierenheid is de goedertierenheid des Heeren onzes Gods, en deze goedertierenheid — zij is in eeuwigheid! Dat is de grond, waarop onze hoop, de hoop van volkomen verlossing en eeuwige heerlijkheid moet gevestigd zijn en ook gevestigd is, zodat wij mogen zeggen: „De Heere zal het voor mij voleindigen”; want immers zulk een grond kan niet wankelen.

Nu dit, dat de goedertierenheid des Heeren in eeuwigheid is, weten wij uit de ondervinding, immers daaruit kunnen wij zulks wel lichtelijk opmaken; niemand onzer toch heeft naar de Heere omgezien, toen Hij reeds naar ons omzag. Hij heeft het eerst liefgehad. Hij trok ons uit de verlorenheid uit, waarin wij lagen. Hij maakte ons met Christus levend, toen wij dood waren in onze zonden en misdaden, waarin wij wandelden naar de loop dezer wereld en deden wat het vlees begeerde en kenden nog niets van de liefdelijkheid des Heeren, niets van de zaligheid, die daarin gelegen is, dat wij Hem dienen en voor Zijn aangezicht wandelen met geheel onze ziel en geheel ons hart. Hij is de Eerste geweest, Die ons om Zijns Naams wil tot Zijn genade geroepen heeft, geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, niet vanwege de werken van gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, maar naar Zijn grote barmhartigheid over ons in Christus Jezus, naar welke wij. ook werden opgenomen van het vlakke veld, waar wij in ons bloed nederlagen. Hij, Die dat heeft begonnen, Die ons alle onze zonden vergeven, Die onze misdaad heeft uitgedelgd, Hij is ook tot hiertoe bij ons gebleven en heeft er voor gezorgd, dat ons geloof niet heeft opgehouden; en in al onze noden, zorgen, angsten, zonden, in ons lijden en in allerlei verdrukkingen staat Hij evenwel met Zijn goedertierenheid in alle getrouwheid op onze zijde tegen de vijanden, ja is ons nabij en ter hulpe en is in ons gezelschap gebleven. Neen, Hij heeft ons nooit verlaten; Hij is altoos weder de Eerste geweest, Die het maakte, dat ons het hart klopte, dat wij het in de zonde niet konden uithouden, dat het tot een roepen, schreeuwen, wenen en smeken kwam, — en als dan eindelijk alles verloren en het met ons een af gesneden zaak was, dan heette het op eens: „Gij dochter Jerusalems, zie uw Koning!” Dat is nu alles Zijn goedertierenheid, tegen welke wij elke dag en elk uur zo zwaar zondigen met gedachten, woorden en werken; Zijn goederüerenheid, die wij deswege volstrekt niet verdiend hebben, en welke juist daarom ook „goedertierenheid” is; — en bij zulke bevindingen: welk een God de almachtige en grote Ontfermer is, hoe Hij troost en helpt, hoe Hij moede noch mat wordt, — spreken wij het dan ook uit in alle goede hoop en in volle verzekerdheid, waarbij dan ook alleen het oog op de Onzichtbare en Eeuwige gericht is: Hij zal het maken; ik ben dies getroost en goedsmoeds. Hij zal het voor mij en om mijnentwil voleindigen, dat ik nochtans tot Zijn heerlijkheid door Hem zal worden geleid, hier beneden ook een goed doorkomen zal hebben en in de strijd op het einde niet zal onderliggen.

Zo prijst dan de getrooste en verloste ziel haar Heere, — God. Juist daarom, o God, wijl Uw goedertierenheid in eeuwigheid is, heb ik goede hoop, dat ik niet de buit zal worden van nood, zonde, dood of duivel. Gij zult het veeleer zo maken, dat alle vijanden met verschrikking zullen vergaan, ja, dat al wat mij nog in de weg staat, ook mijn ongeloof en wantrouwen, ook al de nood van mijn lichaam en mijn ziel een einde zal moeten hebben. Maar mij aangaande, Gij zult mij toch eindelijk van den boze en van alle kwaad verlossen, mij met Uw heil kronen, mij Uw Zaligheid laten aanschouwen en dezelve eeuwiglijk laten genieten. Heere, Uw goedertierenheid is in eeuwigheid.

Uit een preek over Psalm 138 : 8.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.