+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

We hebben de vorige keer zoeken na te gaan wat er gebeurt met een mens, die door de Heilige Geest met zichzelf bekend gemaakt wordt. Hij is een ongelukkig mens in de beleving. Het moet met hem in orde komen, maar dan van God uit.

De zodanigen, dat kan ook niet uitblijven, die gaan bidden zonder ophouden. O zeker, dat wil niet zeggen dat zulke mensen 24 uur per etmaal letterlijk op hun knieën liggen. Want dat zou menselijk een onmogelijkheid zijn. Maar het wordt dan een zaak, en dat wordt er mede bedoeld, die hen niet meer loslaat. Zij zijn eigenlijk voortdurend in het gebed. Dat zijn ze als ze opstaan en als ze naar hun werk gaan. Dat zijn ze ook op hun werk tussen de bedrijven door. Ze zijn dat ook op de scholen, in huis of waar ze zich ook mogen bevinden. Het geeft te kennen dat het een zaak is, die het hart beheerst.

Ik geloof voor jonge mensen, dat het geen onaardig beeld is, als ik denk aan iemand die pas verkering heeft. Degenen die met het hart aan elkaar verbonden zijn, zijn natuurlijk niet altijd bij elkaar. Maar ze denken doorlopend wel aan elkaar. Er bestaat voor elke partij, wederzijds, er eigenlijk maar één, en dat is degene waar men het hart op gezet heeft.

Nu, zo is het dan geestelijk ook. Al liggen natuurlijk daar de verhoudingen wel enigszins anders. Maar het grondbeginsel van de liefde, waaruit deze voortkomen, zijn ergens hetzelfde.

God, Die men door de zonde beledigd heeft, en Die men toch liefheeft, moet spreken. Hij moet tot de ziel zeggen dat het met Hem en de zondaar in orde is. Dáár wordt dan ook om gebedeld: Heere, zegt U het eens. Dáár zoekt men dan Zijn aangezicht voor.

En dat laat de Heere niet tevergeefs doen. O neen, Hij is een Waarmaker van Zijn woord, waarin Hij Zelf gezegd heeft: Wie bidt die ontvangt en: wie zoekt die vindt, en: wie klopt die zal worden opengedaan. Deze dingen komen dan ook zulk een bidder-zoeker, zoeker-bidder voor de aandacht. Daar pleiten zij dan ook op. Daar wijzen ze de Heere Zelf op, gelijk op nog zovele andere dergelijke beloften, die er in Zijn woord te vinden zijn. Zij hebben nergens recht op. Ja, dat wordt dan ook beleefd. Ik moet er dit wel bijzeggen, dat dit dan ook beleefd wordt. Want het wordt zo menigmaal gezegd, dat we nergens recht op hebben. Het behoort, zou ik haast zeggen, tot de standaarduitdrukkingen in een goed(?) gereformeerd gebed. Ik heb dat woordje „goed” maar tussen aanhalingstekens gezet, omdat de uitdrukking op zichzelf genomen wel goed is, maar het is de vraag of hij ook voor goed doorgaat, in de ogen van God. Dat is zeker niet het geval, wanneer het maar een „vrome uitdrukking” is, die niet uit het hart voortkomt. Helaas, is dit maar al te veel het geval.

Doch daar, waar de Heilige Geest werkt, is het geen standaarduitdrukking, maar een vertolking van de waarheid, zoals deze in het binnenste beleefd wordt. Men heeft dan echt „nergens recht op”. Of het zou moeten zijn, dat de Heere nooit naar hem horen zou, maar hen voor eeuwig verstoten zou. Desondanks gaan ze toch voort om de hemel te bestormen. Er is een vuur in hun binnenste gaan branden en dat wordt in het verborgene brandende gehouden.

Tot de zodanigen spreekt de Heere ook. Want het blijft altijd nog waar, hoor jongens en meisjes, al zou de hele „godsdienstige wereld” zeggen dat het niet waar is, Hij spreekt tot elk die voor Hem leeft, d.w.z. die het oprecht om de Heere te doen is.

Hij spreekt tot hen niet met een aparte hoorbare stem, buiten Zijn woord om, al is het wel waar, dat er van Zijn voorzienige leidingen ook een sprake uit kan gaan. Hier moeten we ook wel weer goed gaan onderscheiden. Want er zijn er, die, als het over deze dingen gaat, heel goed met de voorzienigheid Gods weten te werken. Of zij er echter goed mee werken, dat is een andere vraag. Ik bedoel dit: Er was eens een jongen, en misschien wel meer dan één, die moest, naar hij dacht, dominee worden. Alles werd in zijn leven op rekening van de voorzienigheid Gods geschreven. Hij was geboren uit ouders, die geld hadden om hem te kunnen laten studeren. Hij had een goed verstand gekregen. Hij was op de school terechtgekomen. Hij was voor alle examens geslaagd, in ene keer. En dat allemaal dank zij de voorzienigheid Gods, want Die had toch al deze dingen geleid. Als God dit niet gedaan had, dan zou het nooit zo ver met hem gekomen zijn.

Doch nu, dank zij de voorzienigheid Gods had hij zijn hele leven lang al goed de wind in de zeilen gehad, en daarom was hij tenslotte dominee geworden. Uit dit alles meende hij te moeten besluiten, op grond van Gods voorzienige leidingen, dat hij toch wel geroepen was. Maar van een innerlijke zielsworsteling omtrent deze dingen aan de troon van Gods genade, daar was totaal niets van te bespeuren, dan alleen, toen er naar gevraagd werd, een zekere vijandschap.

Kijk vrienden, dat is ook een manier, waarop met de voorzienigheid Gods gewerkt wordt. Maar naar mijn stellige overtuiging een gans verkeerde manier. Want op deze wijze, daar alles ten slotte onder de voorzienigheid Gods besloten ligt, kan men het meest kromme, gaan recht praten. Zo gebeurt het ook nog al eens, als het gaat over het kiezen van een levenspartner. Zo tussen de regels door, mag ik daar toch ook wel het een en ander over zeggen. Ik ben ten slotte ook al weer een daagje ouder, en heb misschien op dit gebied een klein beetje meer verstand, dan vele van mijn jeugdige lezers. Met deze opmerking hoop ik natuurlijk niemand te beledigen, want dat is in geen enkel opzicht de bedoeling. Het komt nogal eens voor, dat men denkt de juiste levensgezel -gezelin gevonden te hebben, al zegt het Woord van God, dat men geen juk aan mag gaan met een ongelovige. De jongen of het meisje, waarop men het oog heeft laten vallen, komt nooit in kerk of kluis, maar „Gods voorzienigheid” heeft hen elkander doen ontmoeten. En wat wil je dan nog meer? Al deugt van de hele verhouding, in bijbels licht gezien, niets, met een beroep op de voorzienigheid, stapt men rustig „in de boot”, om niet zelden, na verloop van kortere of langere tijd tot de ontdekking te moeten komen, dat men beter „nooit van Kreta af had kunnen varen”. Ik dacht dat jullie wel begrijpen kunnen wat ik hier mee bedoel. En als je er nog winst mee kunt doen, ik zou zeggen, neemt dan deze hint ter harte, en spreek niet al te vlot over Gods voorzienige leiding, om je eigen „vleselijke zin” door te drijven. Want dan wil God door Zijn voorzienigheid je alleen maar doen verstaan, dat je Zijn wil hebt wederstaan, en daarom en nu de gevolgen van dragen moet.

Doch om niet al te ver af te dwalen, anderzijds wordt er wel eens te weinig acht gegeven op het spreken Gods door Zijn voorzienigheid. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat ik van de Heere een bepaalde zaak begeer in het gebed. Ik krijg daar geen rechtstreeks antwoord op. Alleen hetgeen gevraagd is, wordt me steeds weer bij de handen afgebroken. Dan is er in Gods voorzienige leiding een spreken, dat ter harte genomen dient te worden, dat hetgeen gevraagd is, de goedkeuring des Heeren niet weg kan dragen.

Omgekeerd kan het natuurlijk ook zo zijn. Ik kan biddend een zaak van de Heere begeren, en dat een rechtstreeks antwoord ook uitblijft, maar dat God het door Zijn voorzienigheid zo leidt, dat ik in mijn leven Zijn goede hand over mij mag opmerken. Dan is dat van Zijn kant ook een spreken, waar ik acht op heb te geven. Dit spreken zal dan echter nooit in strijd zijn, met Gods geopenbaarde wil, dat is Zijn woord.

Doch afgedacht van Gods spreken door Zijn voorzienige leidingen, spreekt Hij ook door middel van Zijn Woord, tot hen die Hem in der waarheid zoeken. Het Woord wordt dan met een zodanige kracht op het hart toegepast, dat men geloven moet, datgene wat de Heere zegt. Eerst kon men het niet geloven, toen namelijk een ander het zij. Toen was het wel waarheid op zichzelf naturlijk, maar het werd nog niet toegepast en daarom ging er geen kracht van uit. Doch als het toegepast wordt, dan moet men het geloven en dan gaat er ook kracht van uit. Beleefd wordt dan, dat het evangelie een kracht Gods tot zaligheid is, voor een ieder die gelooft. Ik hoop dat dit veel de „beleving” zal mogen zijn, van al onze lezers.

We zijn inmiddels weer gekomen aan het eind van het jaar 1972. God heeft ons in dat jaar in velerlei opzicht nog veel gegeven en gelaten, waar we dankbaar voor mogen zijn. Anderzijds is het een donkere tijd, als we zien op de grote afval, die steeds meer om zich heen grijpt. God beware ons daarvoor, nu, en in het komende jaar, waarvoor we jullie allemaal heel veel goeds toewensen, voor tijd en eeuwigheid. Gaarne zouden we dit wel persoonlijk willen doen, doch daar dit niet mogelijk is, doen we het maar op deze manier. Het is er echter niet minder hartelijk gemeend om van jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.