+ Meer informatie

De ziekentroost en troost voor zieken

6 minuten leestijd

U weet ongetwijfeld dat er achterin ons Psalmboek ‘troostelijke spreuken om in doodsnoden te bidden’ en ‘spreuken dienende voor kranken in hun uiterste’ zijn opgenomen. Daarnaast vinden we daar ook ”De Ziekentroost”. In zes artikelen willen we wat dieper in gaan op ”De Ziekentroost”.

Onze Heidelbergse Catechismus spreekt over de enige troost, beide in het leven en sterven. Troost, wat heeft een mens daar vaak behoefte aan. Het kleine kind zoekt troost bij moeder. Woorden van troost, ze kunnen voor ons van zo’n grote betekenis zijn. Men ontmoet soms oude mensen, die nog spreken over de troostwoorden, die moeder tot hen sprak, toen ze nog jong waren. Wat is troost? Ursinus, één van de opstellers van onze Catechismus, zegt het in zijn Schatboek zo treffend: ‘Een overlegging in het verstand, waardoor wij zulk een goed gaan stellen tegenover het kwaad, zo dat het onze droefheid verzachten kan en ons gewilliger maakt het te dragen’. Hoe troost God Zijn kinderen? Door iets goeds te stellen tegenover het kwade dat ons treft en waardoor we het kunnen dragen. We kunnen verschil maken tussen kleine troost en grote troost. Kleine troost is de troost die mensen kunnen bieden, door met de ander mee te leven, naast de ander te staan en mee te dragen. Wat heeft een zieke daar ook behoefte aan. Maar grote troost, is de troost die de Heere alleen bieden kan. Dat is een troost, zo zegt de Catechismus, beide in het leven en in het sterven. Ontroerend zijn de ziekbedden en sterfbedden, waarop de zieke spreken mag van die troost. Over die troost gaat het in de Ziekentroost.

Zegen van de Reformatie
Boven ons leven staat geschreven: Memento mori, dat wil zeggen: “gedenkt te sterven”. De mens in de Middeleeuwen kende de angst voor de dood, de hel, het vagevuur. Er verschenen in die tijd veel zogenaamde stervensboeken. Vanuit de Rooms- Katholieke Kerk trachtte men het volk “de kunst van het wélsterven” te leren. Men sprak over euthanasia, dat wil zeggen een goede dood. Er is immers ook een bijbelse euthanasie. Als een mens sterven mag, rustend op de gerechtigheid van Christus, dan is dat een goede dood. Dat is de goede euthanasie. Helaas wees de kerk in de Middeleeuwen niet op Christus als de enige grond van het behoud. De zieke werd gewezen op eigen werken en eigen verdiensten en eigen boetedoeningen. De boeken voor zieken en stervenden uit de Middeleeuwen konden dan ook geen ware rust en troost geven aan vermoeide en belaste zielen. Gelukkig heeft de Reformatie het licht van het Evangelie weer helder op de kandelaar geplaatst. Een van de eerste geschriften op het gebied van ziekentroost, dat dan verschijnt, is Luthers Ein Sermon von der Bereitung zum Sterben (1519). Ds. K. Exalto zegt daarover: ‘Wie Luthers Stervenssermoen doorleest, na kennis genomen te hebben van de middeleeuwse stervenskunst, wordt diep getroffen door zijn concentratie op wat in het christelijk geloof het meest wezenlijk is. De middeleeuwse stervensboeken verliezen zich in allerlei ceremoniën, die vaak kinderlijk aandoen of zelfs zonder mee bijgelovig zijn. Bij Luther is alles geconcentreerd op de overwinning van dood, hel en zonde door Christus’. (in: ”De dood ontmaskerd”). Waarmee moet de zieke, wanneer in het aangezicht van de dood de zonde en schuld van zijn leven hem aanklaagt, anders getroost worden dan met de verdiensten van Christus?

Invloed van Calvijn
Calvijn heeft nooit, zoals Luther, een verhandeling geschreven over de voorbereiding voor de dood. Hij stond weer wat verder van de Middeleeuwen vandaan dan Luther. We vinden bij Calvijn dan ook geen uitgewerkte stervenskunst, maar in plaats daarvan benadrukt hij de overdenking van het toekomende leven (meditatio futurae vitae). In zijn Institutie heeft hij daar een heel hoofdstuk aan gewijd (III,9). In zijn andere werken komt hij er steeds op terug. Wat Calvijn daarover geschreven heeft is van fundamentele betekenis. Het werkt door in de gereformeerde stervensliteratuur die daarna ontstaan is. In Nederland verscheen al eerder een Ziekentroost, geschreven door Wilhelmus Gnapheus in 1531. Dus in de begintijd van de Reformatie. Er was veel belangstelling voor. Hij schrijft: ‘Mijn boekje is menigmaal herdrukt’. Het boekje draagt de titel ”Een troost en spiegel der zieken”. Het bevat een drietal samenspraken tussen Tobias en Lazarus. Achterin ons Psalmboek vinden we de onder ons bekende Ziekentroost. Dit geschrift is geen belijdenisgeschrift. Het heeft ook nooit enig kerkelijk gezag gekregen. Het moet gezien worden als een particulier geschrift, waarin ongetwijfeld de invloed van Calvijn is aan te treffen. In de standaarduitgave van de belijdenisgeschriften, die in 1610 door de provinciale synode van Zeeland is vastgesteld, is de Ziekentroost niet opgenomen. Waarom staat dit geschrift dan achterin ons Psalmboek? Het antwoord is, dat het de drukkers zijn geweest, die door de eeuwen heen de Ziekentroost achter de liturgische formulieren hebben geplaatst, soms zelfs vóór de geloofsbelijdenissen van Nicea en Athanasius. Door het vele gebruik heeft het zich in onze Psalmboekjes kunnen handhaven tot op de dag van vandaag. Of het in onze tijd nog zoveel gebruikt wordt is echter de vraag. Ik heb de indruk, dat dit niet het geval is. Daarom is het goed eens nader stil te staan bij dit inhoudsvolle geschrift achterin ons Psalmboek. Het biedt veel onderwijs voor op het ziekbed. Ook degenen, die geroepen worden ziekenbezoeken af te leggen, kunnen er veel aan hebben.

Schrijver van de Ziekentroost
Wie is de schrijver van de Ziekentroost? Het staat vast dat dit Cornelis van Hille is geweest. Hij werd geboren in Ieper (tegenwoordig in België) in 1540 en hij overleed in Rotterdam in 1600. Hij behoorde tot degenen, die tijdens de vervolgingen in de Nederlanden, naar Engeland vluchtten. Uit de ondertekening van een godsdienstverdrag met de magistraat van Ieper op 20 september 1566 blijkt, dat Van Hille de kant van de hervorming had gekozen. Daarom werd hij in maart 1568 voor de Raad van Beroerten gedaagd, samen met 395 andere inwoners van Ieper. Hij was toen echter al met zijn echtgenote naar Norwich gevlucht, waar hij zich aansloot bij de Vlaamse vluchtelingengemeente. Daar werd hij aanvankelijk in 1568 boekverkoper. Als ouderling schreef hij in Norwich in 1571 zijn Kleine Ziekentroost. Het is de Kleine Ziekentroost, die we achterin ons Psalmboek vinden. In 1575 werd Van Hille bevestigd tot predikant van de Nederlandse vluchtelingengemeente te Yarmouth. Kort daarna echter keerde hij terug naar Nederland. In 1577 werd hij predikant in Burgh en Haamstede in Zeeland, in 1578 in Oudenaarde in Vlaanderen, in 1582 in Gent, terwijl hij in 1584 predikant werd in Rotterdam. Na de verovering van de stad Gent door Parma in september 1584, nam Van Hille de wijk naar Walcheren. Vanuit Walcheren liet de magistraat van Rotterdam hem per wagen ophalen, waarna hij op 1 november 1584 in die stad zijn ambt aanvaardde. In Rotterdam heeft hij zestien jaar gestaan, tot zijn sterven in het jaar 1600. In 1579, toen hij nog predikant in Oudenaarde was, verscheen in Gent zijn Grote Ziekentroost. Van Hille heeft dus een Kleine en een Grote Ziekentroost geschreven.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.