+ Meer informatie

DE POORTEN DER HEL

9 minuten leestijd

Er staan twee machtige rijken diametraal tegenover elkaar. Het is het RIJK DER DUISTERNIS tegenover het KONINKRIJK DER HEMELEN.

Al de eeuwen door zien we de enorme strijd tussen deze beide rijken. Die strijd is begonnen in het Paradijs, toen God Zelf haar inzette in de „moederbelofte”:,,Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, tussen uw zaad en haar zaad; ditzelve zal u de kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.”

In feite is de strijd al begonnen in de hemel, toen de voornaamste en meest-begaafde engel opstond tegen God en God naar de troon stond, maar werd uitgestoten uit de hemel. Zo werd deze engel.... duivel, satan.

Zo kwam hij tot Eva en verleidde haar en door Eva.... Adam! Toen heeft de duivel alle middelen en wegen aangewend om het GODSRIJK te bestrijden en zo het mogelijk ware te vernietigen. Maar dit laatste kón niet, want God is de duivel altijd één schrede vóór!

De twee voornaamste pogingen waren: g eweld en list.

Nadat God Zijn Woord had geopenbaard en Zijn Kerk had gesticht op aarde, van welke Kerk Adam en Eva de eerste levende lidmaten zijn geworden doordien de Heere hen had opgezocht en bekeerd, heeft de duivel alles op alles gezet om Gods Woord en Zijn volk door geweld te vervolgen en ware het mogelijk van de aarde weg te doen. Het waren de bange vervolgingen, waarbij zoveel bloed en tranen werden gestort. Wanneer deze helse pogingen mislukten, gebruikte satan zijn sluwe listen om door leugen en dwaalleer zijn doel te bereiken. En dat doet hij tot vandaag toe als een „engel des lichts”!

Onder verschillende beelden zien we deze duivelse middelen afgebeeld in Gods Woord. O.a. in de gelijkenis van het „onkruid tussen de tarwe”, van „het huis, dat met bezemen gekeerd en versierd werd”, waarin Jezus liet uitkomen, hoe die boze geesten terugkwamen in dit versierde huis en het zódanig verontreinigde, dat het laatste erger was dan het eerste. Ja, want de duivel kan alleen maar werken en zich bezig houden in het vuile, in het vieze. O, diep en diep ongelukkig is de mens geworden, die de duivel is toegevallen en een onderaan is geworden van diens rijk! O, eeuwig wonder van genade, wie uit die vreselijke macht en ellende verlost wordt! Onder die beelden als in de gelijkenissen van de Heere Jezus voorgesteld, is ook begrepen het Woord van Christus’ belofte, dat Hij uitsprak bij die ontroerende belijdenis van Petrus: „Gij zijt de Christus Gods”: „En de POORTEN DER HEL zullen haar (Zijn Gemeente) niet overweldigen.”

Met deze poorten bedoelde Christus vanzelf niet aan te geven de gedachte van toegang, zoals oudtijds tot een stad. Neen, de uitdrukking „de poorten” betekende meer. In de „poorten der hel” laat de Heere Jezus uitkomen de ontzaggelijke betekenis van satan’s werken der duisternis ten opzichte van zijn felle en listige aanvallen op het Godsrijk!

Want oudtijds vormde de poort ener stad een zeer belangrijk centrum waar de belangen van de stad werden behartigd en bijzonder voor de uitoefening van de rechtspraak. We zouden die poorten kunnen vergelijken met onze „raadhuizen” of met het „Binnenhof” in Den Haag, de zetel van de regering van ons land.

In de poorten van de steden zetelde de regering van de stad met haar omstreken. Daarvan staan vele voorbeelden in de Bijbel.

Zo lezen we in Deut. 16:18, dat een afgodendienaar tot de poort van de stad werd gebracht om dââr berecht te worden. Zo ook zelfs „een wederspannige zoon”. Zie Deut 21:18. Tussen haakjes even opgemerkt: dat de tucht wel een beetje sterker en scherper werd uitgeoefend dan vandaag over allerlei wan- en gruweldaden, zelfs van jongeren, ja, van kinderen!

Zo is ook bekend in de Bijbel, hoe de LOSSING van Boaz plaats had in de poort der stad.

In psalm 127 lezen we: „Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve (de zonen der jeugd) gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.”

En in Spreuken 31, het hoofdstuk van de beschrijving van een deugdelijke huisvrouw, lezen we: „haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.”

Welnu, met al deze voorbeelden houdt verband de uitspraak van Christus over de „poorten der hel”. Zij wijzen dus op de zittingen, die satan en zijn trawanten houdt om zich over de aanvallen tegen het Rijk Gods, tegen de Kerk en tegen het volk des Heeren te beraden. Daar zit zijne „staf” om zijn helse plannen uit te stippelen.

En rekene de Kerk erop, dat al die plannen wèl listig overdacht en overwogen worden!

Vanuit nu die poorten zendt satan zijn legioenen uit om zijn helse aanvallen te doen op Gods Kerk en volk. En bedenke men het wel, dat GEORGANISEERDE machten enorm g e v a a r 1 ijk e r zijn en tienmaal sterker dan een roofbende. Zo worden in die poorten der hel de zwakke plaatsen bekeken van het volk des Heeren. Denk maar aan de listige aanval van Amalek op Israël in de woestijn. Amalek viel Israël aan in de ACHTERHOEDE van het leger. Want daar volgden de vrouwen en de zwakken de stoet.

Zijn de grove en brute aanvallen van de duivel en zijn rijk door vervolgingen en uitmoordingen van de vromen mislukt, dan probeert hij zijn doel te bereiken door leugen en list, zo merkten we reeds op.

Kan hij de BIJBEL niet vernietigen door geweld, dan zoekt hij dit te doen door middel van de dwaalleer, van de ondermijning en afbraak van het GEZAG van Gods Woord en dat van overheid, van ouders en van allen, die God met gezag bekleed heeft, van allen die over ons gesteld zijn. Want zijn doel is, dat GOD en CHRISTUS weg moeten uit de kerk, uit de maatschappij, uit de regering!

Satan’s mikpunt is vooral: ’s-Heeren Kerk, omdat zij juist is „pilaar en vastigheid der waarheid”.

En beseffen wij wel, dat de duivel daarbij allereerst vanuit zijn beradingen en plannen-smeden in zijn „poorten” bijzonder ook bestudeert de karakters en al het werk van de LEIDERS der kerk? Hoe hen op ’t best voor te lichten en te brengen tot een VALSE leer, om de zielen te doen geven „stenen voor brood”, ja, om zo ook al meer de waarheid, die naar de godzaligheid is, weg te krijgen uit de kerken, uit de scholen, uit de gezinnen en uit het persoonlijke leven. Maar nog meer!

Wat betreft het maatschappelijk, staatkundig en publieke leven tracht satan en de hel alles, wat orde, zedelijke normen aangaat, te ontwrichten en om te zetten in: verzet, revolutie, in zedeloze uitleving, in zogenaamde „vrijheid”, die ieder mens moet hebben,' maar niet anders betekent dan de meest vuile bandeloosheid en welke daarop uitloopt!

In Openbaring negen staat beschreven, dat één der zeven engelen met de zeven bazuinen als een Ster uit de hemel valt, die ook macht had over de put van de grote AFGROND en die dan ook de mond van die put opende, waaruit dan sprinkhanen opkwamen, welke het aangezicht hadden van een mens, maar gelijk waren als schorpioenen met de meest vergiftige angels in hunne staarten om dood en verderf te brengen. Ja, zo de hellesfeer uit de afgrond brengen op aarde.

Dit alles ook als uitwerking van de satanische overwegingen en beraadslagingen in de poorten der hel!

O kerken in Nederland en op aarde, professoren, dominees, ouderlingen en diakenen, arbeiders in het Koninkrijk Gods, ouders, onderwijzers en onderwijzeressen, bijzonder ook onze jeugd! merkt toch op en weest op uw hoede en w a a k t. Ja, de Heere heeft wel erbij beloofd, dat de poorten der hel Zijn Gemeente niet zullen overweldigen, maar dat mag niet tot lijdelijkheid leiden door te redeneren: we houden het toch niet tegen. Men diene te getuigen tegen de zonden, tegen de af val, tegen al wat ’s Heeren Naam onteert. Daartoe is nodig de geesten te beproeven of ze uit God zijn. Wat is er allerwege een slapheid, een zwijgen. De Apostel vermaant in Efeze 6: „Voorts, broeders, wordt krachtig in den Heere en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag en alles verricht hebbende, staande blijven.”

De wapenen van deze wapenrusting zijn DEFENSIEF van aard en ook OFFENSIEF, d.w.z. verdedigend ën aanvallend. Denk o.a. aan het zwaard des Geestes, Hetwelk is Gods Woord. En hoe kan nu dat zwaard des Geestes recht gebruikt worden, indien de kerk zélf het Woord Gods gaat aantasten in Zijn Godelijk gezag en Het wil doen aanpassen aan de moderne theorieën, normen en beginselen?

Maar nu komt het ten slotte erop aan, PERSOONLIJK die wapenrusting te bezitten. Dan moeten we van een onderdaan des satans een onderdaan gemaakt worden van de Heere der opstanding, Die als Koning Zijner Kerk en van het Koninkrijk Gods overwonnen heeft en voort zal gaan ter overwinning! O, smeken we om die genade. Om bekleed te worden met zulk een deugdelijke wapenrusting. Die moet van GOD zijn en niet één deel kan gemist worden. Wie b.v. meent te hebben „geschoeide voeten tot bereidheid van het Evangelie des vredes”, maar niet bezit het „schild des geloofs” d.i. het ware zaligmakende geloof of ook niet van de andere delen der wapenrusting, bedriegt zichzelf en komt voor eeuwig om!

Maar het komt ook op het GEBRUIK aan van deze wapenrusting. Daarom vermaant de apostel: „wordt krachtig in de Heere en in de sterkte Zijner macht.” „In den Heere”. Ja, want zélf hebben de ware strijders geen krachtten. Maar het zijn merkwaardige strijders: strijders.... op de knieën!

Met Paulus ervaren zij: „wanneer ik zwak befi, dan ben ik machtig.” Zo leren zij ook alleen pleiten op Christus’ Belofte: „En ziet, Ik ben met u, al de dagen, tot de voleinding der wereld!”.... „En de poorten der hel zullen haar niet overweldigen!”

Het Koninkrijk Gods kan niet ondergaan. Want Christus houdt Zijn Kerk in stand, ’t Gaat wel door de bange worstelingen heen, maar zij, die het merkteken van het beest niet dragen aan hun voorhoofden, zullen bewaard worden door de kracht Gods tot de zaligheid.

Eens wacht voor al de wettige strijders.... de kroon. En wanneer zij die kroon zullen ontvangen, achten zij zichzelf die kroon niet waardig, omdat zij die verdiend zouden hebben, maar dan zullen zij de kroon neerleggen aan de Voeten van de verheerlijkte Christus en uitroepen: „Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht!”

Amen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.