+ Meer informatie

Rede Ds. H. Rijksen over: De ambten in Christus' kerk

22 minuten leestijd

De middagvergadering wordt met gebed door ds. H. Rijksen geopend.

Deze houdt direct daarop zijn rede over: „De ambten in Christus' kerk", welke rede hier, ongeveer woordelijk, volgt: In onze samenleving bekleden een minister, burgemeester, predikant o.a. een; ambt.

De oorsprong van het ambt ligt in Gods soevereiniteit.

God is de bron van alle gezag. Hij bekleedt Zijn ambtsdragers met gezag.

In het Nieuwe Testament kennen wij het Griekse woord diakonia. Wij vinden het terug in het woord diakonos (diaken). Het woord betekent dienst, zoals diakonia des Woords, dienst des Woords aanduidt.

duidt. Hoe zijn cle ambten ontstaan en wat houden ze in?

In de dagen clat Christus op aarde was, heeft Hij ze Zelf ingesteld. Hij is het Hoofd aller dingen, die in Hem gelooft. In Matth. 18 lezen wij er vrij uitvoerig over. Men zal, indien, zo lezen we, uw broeder tegen U zondigt, eerst hem vermanen, zonodig onder getuigen en tenslotte: zeg het der gemeente.

Dat wil niet zeggen, cle gehele gemeente, maar cle regering der kerk, cle verantwoordelijke ambtsdragers.

Reeds toen is cle grondslag gelegd voor de ambten van later.

Als Jezus clie woorden spreekt, is er nog weinig van de ambten te bespeuren.

Op cle eerste Pinksterdag krijgt alles een ander aanzien. Er zijn dan echter al ambtsdragers. Want de twaalven heeft Hij al in het ambt van apostel gesteld en ze later uitgezonden.

Het ambt van apostel is het eerste ambt in het Nieuwe Testament en van een bijzonder karakter.

De apostelen werden persoonlijk geroepen en vervuld met de Heilige Geest, hun optreden ging gepaard met tekenen en wonderen. Zij behoorden niet tot één gemeente maar tot cle kerk in het algemeen. Het apostelambt omvat het werk van herder, leeraar, ouderling en diaken. Het was dus een bijzonder karakter, geen blijvend ambt. Het is maar eenmaal in cle kerk geweest.

Het kenmerk van cle apostel was immers clat hij de Heere Jezus zelf gezien had, wat Paulus zegt: „ben ik niet een apostel, heb ik niet de Heere gezien? " Dat was het kenmerk van cle apostel, dat hij cle Heere Jezus in Zijn menselijke natuur zelf aanschouwd had. De Apostolischen clie ook in ons land gevonden worden, loochenen de einmahligkeit van dat apostelambt. Zij menen dat het reeds in het begin van de christelijke kerk een teken van diep verval is geweest dat men toen het apostelambt heeft losgelaten en de Apostolischen hebben clan ook nu nog altijd 12 apostelen. Maar wij moeten vast houden, clat het apostelambt geen blijvend karakter droeg, maar één keer is voorgekomen in cle kerk. De twaalf apostelen waren het fundament, waarop de nieuw-testamentische kerk is gegrondvest. Naast cle apostelen lezen we in het Nieuwe Testament van het evangelistenambt. De evangelisten waren cle helpers van cle apostelen en hun ambt kwam hierin met clat der apostelen overeen, dat ook hun ambt zich niet tot een plaatselijke gemeente beperkte, maar zich over heel de kerk uitspreidde. We zeiden: cle evangelisten waren cle helpers van de apostelen, daarom lezen we b.v. ook dat de apostel Paulus de evangelist Timotheus heenzond waarheen hem goeddacht. En omdat de evangelisten cle helpers van cle apostelen waren, hield ook hun ambt op, tezamen met dat van cle apostelen. Ook het evangelistenambt had dus geen blijvend karakter. En sinds de tweede eeuw werd cle naam evangelist dan ook alleen nog maar gebruikt voor de schrijvers van het Evangelie. En tenslotte ontmoeten wij in de oudste christelijke gemeente het ambt der profeten. Dat profetenambt in het Nieuwe Testament was een zgn. charismatisch ambt. Wat wil clat zeggen? Het woord charisma is een Grieks woord, en dat betekent „bijzondere genade-gave". Bijzondere geestesgave. Immers toen met Pinksteren cle Heilige Geest werd uitgestort, toen ging clat gepaard met het schenken van bijzondere geestesgaven: charismata. Het spreken in vreemde talen, de gave der gezondmaking en ook de gave der profetie. Die bijzondere

geestesgaven traden alleen maar op in het begin van de christelijke kerk. Want zij dienden om cle prediking van het E-vangelie in het begin van cle kerk meer kracht bij te zetten, opdat de kerk gefundeerd zou worden en nu was dat profetisch ambt dan ook zo'n charismatisch ambt. Het was zulk een bijzondere geestesgave, clie aan het begin aan de kerk werd geschonken.

Waar wij tot nu toe over spraken, waren dus cle bijzondere ambten, clie geen blijvend karakter droegen: het apostelambt, het evangelistenambt en het profetenambt.

Maar nu willen wij iets zeggen over de blijvende ambten in cle kerk. Het is te begrijpen, clat in de eerste christengemeente naast de apostelen ook clie mensen in groot aanzien stonden, clie de Heere Jezus persoonlijk hadden gekend tijdens Zijn omwandeling op aarde en die dus tot cle eerst-bekeerden behoorden. Die mensen clie cle Heere Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde zouden hebben gekend, werden in cle gemeente de presbyters, de oudsten genoemd. Die presbyters stonden dus in hoog aanzien, omdat zij tot cle eerst-bekeerden behoorden en cle Heere Jezus persoonlijk in Zijn omwandeling hadden gekend. Maar clie stonden dus niet in een ambt. Tegenover de presbyters stonden cle jongelingen. De jongelingen waren de mensen in de gemeente clie cle Heere Jezus niet heel persoonlijk hadden gekend tijdens Zijn omwandeling. Van de jongelingen lezen we b.v. in Hand. 5: De jongelingen droegen Annanias en Saffira uit. U kent allen cle geschiedenis. Dus 1111 moeten we goed vasthouden om het vervolg te kunnen begrijpen: de presbyters d.w.z. cle oudsten van cle gemeente stonden wel in hoog aanzien, omdat zij cle Heere Jezus persoonlijk hadden gekend tijdens Zijn omwandeling, maar zij stonden niet in een ambt. Maar naarmate nu de gemeenten groter werden en het getal der gemeenten toenam, kwam er behoefte dat er in iedere gemeente een meer vaste leiding zou komen. Want stel b.v.: een lid der gemeente viel in zonde of er werden in de gemeente dwalingen gebracht, wat dan te doen? Als nu een apostel of evangelist in de buurt was, clan kon men hem om raad gaan vragen, maar als er nu eens geen apostel of een evangelist in de buurt was, wat dan? Dan kwam het hier op neer, dat clie oudsten, die presbyters, clan maar zelf cle beslissing namen, maar ö 7 daarom deed zich meer en meer cle noodzaak voor, dat er in iedere gemeente zelf personen zouden komen, die opzieners waren en gezaghouders en bij wie cle leiding der gemeente zou berusten. En deze gezaghebbende personen, deze ambtsdragers werden nu in iedere gemeente gekozen uit die presbyters, uit clie oudsten, die eerst-bekeerden, die de Heere Jezus nog persoonlijk hadden gekend. Uit hen werden de opzieners gekozen en die opzieners kregen de naam van episcopoi (opzieners). Dit zijn dus onze ouderlingen. Terwijl dus de presbyters geen ambtsdragers waren, maar slechts een hoog aanzien hadden omdat ze tot de eerst-bekeerden behoorden, waren de episcopoi de opzieners die uit cle presbyters werden gekozen zelf ambtsdragers. Het komt echter nog wel eens voor, in het Nieuwe Testament, dat het woord presbyter en het woord episcopoi door elkaar worden gebruikt. Immers, we lezen b.v. dat Paulus en Barnabas in verschillende gemeenten met opsteken der handen presbyters hebben gekozen, daarmee wordt bedoeld episcopoi, opzieners, want presbyters hoeven niet gekozen te worden, die waren er, clat waren cle eerst-bekeerden. Maar nu wordt het woord presbyter ook wel eens gebruikt voor opzieners voor de episcopoi, voor de ouderlingen omdat zij uit de presbyters werden gekozen en ze ook na cle aanvaarding van het ambt nog wel presbyter werden genoemd. Het ouderlingenambt is dus door de apostelen zelf ingesteld. Want we lezen b.v. zeiden we al, dat Paulus en Barnabas in iedere gemeente met opsteken der handen clie ouderlingen, clie opzieners lieten verkiezen.. En omdat we straks al zeiden, dat cle apostelen spraken en handelden dooide Heilige Geest, is dus het ouderlingenambt door de Heilige Geest Zelf ingesteld. Zo kan Paulus ook schrijven aan cle gemeente van Efeze: zo hebt dan acht op uzelf en op de gemeente, waarover U cle Heilige Geest als opzieners gesteld heeft om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn bloed.

De taak van de ouderlingen, van de e-piscopoi, was dus om de gemeente te regeren. Predikanten waren er in die tijd nog niet. Dat was trouwens niet nodig ook, want ik heb U straks gesproken over die bijzondere geestesgave, die samen met de Pinkstergeest aan de kerk geschonken waren. En tot clie bijzondere geestesgave behoorden ook de gaven om te leren. En zo waren er in iedere gemeente mensen, die die gave om te leren hadden, dus die, al stonden ze niet in een ambt, toch de gemeente konden stichten en konden voorgaan in de bediening des Woords.

Naarmate echter die bijzondere geestesgave dus ook cle gave om te leren gingen wijken, leidde dit tot allerlei uitspattingen en excessen op dit terrein en werd de noodzaak gevoeld om een vast persoon te hebben, die de gemeente zou voorgaan in de bediening des Woords. En zulk een voorganger werd nu gekozen uit de episcopoi, uit cle opzieners, de ouderlingen. Zo krijgen we dan twee soorten ouderlingen in de kerk. Ouderlingen die alleen maar regeren en de ouderlingen die arbeiden in het woord en de leer, dus de herders en leraars. Paulus spreekt zelf ook van clie onderscheiding, als we lezen in 1 Tim. 5 : 17 en 18, dat cle ouderlingen die wel regeren bubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het woord en in de leer. We lezen hier dus, dat de presbyters die wel regeren dubbele eer waardig geacht worden. Nu moet U dat wel regeren niet zien in tegenstelling van hen die niet wel clie slecht regeren, nee, als Paulus zegt, clie wel regeren, clan bedoelt hij dat in tegenstelling met de presbyters die niet regeren. Immers, we hebben straks al gezegd, de presbyters dat waren eigenlijk de eerst-bekeerden in cle gemeente, maar die stonden niet in een ambt, maar nu werden ook de ouderlingen, cle opzieners wel presbyters genoemd omdat ze uit de presbyters waren gekozen en zo noemt Paulus in de tekst die ouderlingen clie opzieners, hier ook presbyters en clan zegt hij dat de presbyters die wel regeren, clie dus in het ambt staan, dubbele eer waardig geacht moeten worden in onderscheiding met de presbyters die niet in een ambt staan, gewoon de eerstbekeerden van de gemeente. Dat de presbyters die wel regeren dubbele eer waardig geacht worden en dan zegt Paulus: oornamelijk clie arbeiden in het woord en in de leer. En dan spreekt hij over de ouderlingen die gekozen zijn om te arbeiden in het woord en in de leer, over cle herders en leraars. Zo hebben we dus nu al tweeërlei ambten gezien in cle nieuwtestamentische kerk; het ouderlingenambt en daaruit voortkomend het herders-en leraarsambt, en daarbij hebben we dan nog het diakenambt, waarvan U de instelling allen wel bekend is uit Hand. 6. Alleen op één vraag willen we hier even cle nadruk leggen; we lezen in Hand. 6 clat die diakenen geroepen worden tot het bedienen van cle tafelen. Wat wordt daarmee bedoeld? Wel, in

iedere gemeente stond er een tafel en op die tafel legden de rijke leden van de gemeente hun gaven in natura en in geld. En dan hield de gemeente aan die tafel het zogenaamde liefdesmaal en het geld wat op die tafel werd neergelegd door die rijken dat werd door de diakenen onder de armen verdeeld. Dus het ambt van diakenen hield dus in, dat ze allereerst moesten behulpzaam zijn bij het bedienen van de tafels als de gemeente aanzat aan de liefdemaaltijd en vervolgens dat ze de op die tafel gelegde gaven onder de armen der gemeente moesten verdelen. Het ambt van herder en leraar, van ouderling en van diaken zijn dus de blijvende ambten in de kerk. De ambtsdragers ontlenen hun gezag allen aan Christus, want de ambten in de kerk zijn de ambten van Christus. Hij bedient inzonderheid Zijn profetisch ambt door middel van de herders en leraars. Christus bedient Zijn koninklijk ambt door middel van de ouderlingen en Zijn priesterambt door middel van de diakenen. De mensen die het ambt vervullen hebben dan ook alleen betekenis en gezag van Christus uit, nooit van zichzelf uit. Want zo is dan noch Paulus iets, nóch Appollus, maar door de genade Gods ben ik dat ik ben. Alleen Christus heeft dus gezag in de kerk. Hij alleen regeert en de ambtsdragers hebben hun gezag alleen van Hem uit.

Daarom legt dan ook onze Ned. Geloofsbelijdenis en ook onze Dordtse kerkorde er alle nadruk op, dat alleen Christus maar gezag heeft in de kerk en dat dan ook alle ambten in de kerk gelijk zijn. De ene dienaar des woords mag niet over de andere regeren, de ene ouderling mag niet over de andere heersen, noch de ene diaken over de andere. Alle ambten in de kerk zijn gelijk, er is geen meerder of minder. Wanneer de discipelen onderling twisten met vragen wie van hen de meeste is, stelt Christus een kind als voorbeeld. Wie de meeste wil zijn, zegt Hij, zal aller dienaar zijn en zo wie zich zelf zal vernederen gelijk dit kindeke, die is de meeste in het koninkrijk der hemelen. Omdat alle ambten in de kerk volkomen gelijk zijn, is de Roomse kerk ook zo fout. Want de Roomse kerk heeft haar hiërarchie: het ene ambt is hoger dan het andere. Immers aan het hoofd van alles staat de paus en de paus heeft onder zich het ambt van de kardinalen staan, en iedere kardinaal heeft weer een aantal aartsbisschoppen onder zich staan en iedere aartsbisschop heeft weer een aantal bisschoppen onder zich staan, en iedere bisschop een aantal dekenen onder zich en iedere deken een aantal pastoors onder zich, en iedere pastoor en paar kapelaans.

Daar hebt ge dus de trappen, het ene ambt is hoger en meer dan het andere ambt. Maar dat is in strijd met de ordinantie van Christus. Nee, alle ambten in de kerk zijn volkomen gelijk zoals ook in onze Dordtse kerkorde en ook in de Ned. Geloofsbelijdenis met nadruk wordt gezegd. De Roomse kerk maakt niet alleen onderscheid tussen de geestelijken onderling dat de een meer is dan de ander, maar de Roomse kerk maakt ook een scherpe scheiding tussen geestelijken en leken. De leken zijn de schare, die de wet niet kent. En ook hiertegen moeten wij positie kiezen. Immers, wij belijden niet alleen de bijzondere ambten, die Christus in de kerk gesteld heeft, maar wij leren ook het ambt aller gelovigen. Christus bedient Zijn ambten van Profeet, Priester en Koning niet alleen' door de herders en leraars, de ouderlingen en de diakenen, maar ieder lid der kerk behoort profeet, priester en koning te zijn. Dat is dus het ambt aller gelovigen. We denken in de regel, dat alleen de kerkelijke ambtsdragers maar een ambt hebben, maar bij het ambt der gelovigen wordt heel weinig stilgestaan. Door velen wordt de kerk beschouwd als een soort trein, en in die trein zit de een wat te dutten, zit de andere wat naar buiten te kijken, de derde zit met een boekje en verder zijn dan de verantwoordelijken de machinisten, conducteurs en wisselwachters, die er voor hebben te zorgen dat alles zonder ongelukken afloopt.

Zo wordt de kerk door menigeen beschouwd, maar zo is het natuurlijk niet. Immers cle leden der kerk zijn niet alleen het voorwerp van ambtelijke bearbeiding doch ze zijn ook zelf geroepen tot arbeid krachtens hun ambt aller gelovigen. Het is zelfs zo, dat het ambt der gelovigen het voornaamste is, het is primair en het bijzonder ambt van herdei en leraar, van ouderling en diaken is secundair, dat blijkt duidelijk hier uit, dat het ambt aller gelovigen zowel naar voren als naar achteren het verst rijkt. Want dat ambt der gelovigen is reeds gegeven met cle schepping naar Gods beeld. Adam in de staat der rechtheid was profeet, priester en koning en toen was er nog van geen een kerkelijk ambt sprake en dat ambt der gelovigen strekt zich niet alleen naar achteren het verst uic maar ook naar voren, want in de hemel zullen geen dominees, ouderlingen en diakenen zijn, maar wel profeten, priesters en koningen.

Het ambt der gelovigen behoort tot het wezen der kerk, dat van de dienaren des woords, van ouderlingen en diakenen tot het welwezen der kerk tot opbouwing des lichaams van Christus en zodra dat lichaam opgebouwd is kunnen die bijzondere ambten wegvallen. Steeds is weer gepoogd het ene ambt, de bijzondere ambten en het ambt der gelovigen boven het andere te verheffen. Enerzijds werd door de independenten het ambt aller gelovigen zo zeer op het schild verheven, clat voor de bijzondere ambten in cle kerk geen plaats overbleef en daar tegenover verheft cle Roomse kerk de bijzondere ambten zo zeer, dat zij van het ambt cler gelovigen niet wil weten. Maar wij mogen niet het een achter stellen ten koste van het ander. De bijzondere ambten, dienaren des woords, ouderlingen en diakenen moeten er zijn, want anders zou Christus ze niet ingesteld hebben.

We zeiden, ze dienen tot opbouwing van het lichaam van Christus, clus niet om het ambt der gelovigen onnodig te maken, maar juist om clat tot meerdere ontplooiing te brengen.

Dat ambt der gelovigen houdt clus in, dat ieder lid van de kerk behoort te zijn profeet, priester en koning. Als profeet zegt cle catechismus hebben wij Zijn naam te belijden. Als priester onszelf als een levend dankoffer Gode op te offeren en als koning te strijden tegen wereld, duivel en het eigen zondige vlees, om hiernamaals met Hem over alle schepselen te regeren. Sommigen vatten clat ambt cler gelovigen heel makkelijk op. Ze zeggen, mijn profetisch ambt heb ik vervuld; er staat als profeet Zijn naam belijden, dat profetisch ambt heb ik vervuld toen ik geloofsbelijdenis deed en mijn priesterambt vervul ik door mijn gave te offeren in de kerk en mijn koninklijk ambt vervul ik door deel te nemen aan de kerkelijke regering, b.v. door het verkiezen van ambtsdragers. Maar clat het daarmee niet afgelopen is, dat zal iedereen wel duidelijk zijn.

Het profetenambt wat iedere gelovige heeft te vervullen, houdt in, zegt cle catechismus, dat ik Zijn Naam belijde en clat moet geschieden zowel met woorden als met daden. Niet alleen met woorden, want cle wereld kijkt veel meer naar onze daden clan naar onze woorden. En daarom zegt de catechismus, clat door onze godzalige wandel onze naasten gesticht

en voor Christus gewonnen worden. En daartegenover geldt ook, dat door onze ongodzalige wandel de naaste ontsticht en van Christus afgehouden wordt.

Daarom hebben wij Zijn Naam te belijden met onze daden. Gods Woord zegt: Zie dan, dat gij voorzichtig wandelt. Ja, Zijn Naam te belijden met daden, maar ook met woorden. De Heere Jezus zegt: wie Mij belijden zal voor de mensen, zal Ik belijden voor Mijn Vader, maar die Mij verloochenen zal voor de mensen, zal Ik verloochenen voor Mijn Vader. Zijn Naam te belijden met woorden, dus op iedere plaats waar wij in het leven gesteld zijn uit te komen voor de Naam des Heeren. Wat kan valse schaamte ons daar menigmaal tegenhouden, maar de wereld komt ook uit voor zijn koning en zouden wij dan niet uitkomen voor de Koning der Koningen.

Om Zijn Naam te kunnen belijden, om het profetenambt te kunnen vervullen, is ook nodig dat we thuis zijn in Gods Woord, in de leer der waarheid. Wij moeten ons daartoe ook bekwamen om Zijn Naam te kunnen belijden. Immers wij moeten ons kunnen verdedigen, tegen degenen, die een andere mening hebben en die een ander principe erop na houden. En als middel om ons tot dat profetenambt te bekwamen, geldt allereerst de catechisatie. Ds. de Gier heeft gisteravond al opgemerkt, dat er veelal in onze dagen voor de catechisatie geen tijd is en dat is waar. Wij leven in een tijd, waar we als motto kunnen boven schrijven: Geen tijd. We kunnen in onze dagen spreken van een cursussenjacht, van een diploma-jacht. Het is cursus op cursus, diploma op diploma, en voor catechisatie, voor vereniging, voor zelfstandig onderzoek schiet helaas vrijwel geen tijd over. Maar laten we dan denken aan het ernstige woord van de Heere Jezus: wat zou het een mens baten al zou hij de hele wereld winnen en hij zou schade lijden zijner ziel. En nu weet ik, het is moeilijk en wij moeten woekeren met de talenten, die wij gekregen hebben en we mogen ook niet zeggen: ik studeer maar niet, ik kom toch de wereld wel door. Dat is ook verkeerd! Maar laat het nooit het voornaamste worden. Paulus seekt over het gebruiken van deze wereld, doch niet misbruiken.

Misbruiken is tot de bodem toe gebruiken en nu misbruiken wij deze wereld, indien wij geheel opgaan in het tijdelijke, als het voor het een en het al is, als we niets hogers, niets voornamers hebben. als het geen waarheid is in ons hart: want beter dan dit tijdelijk leven is Uwe goedertierenheid. O, zo hebben wij ons dus te bekwamen tot dat profetenambt om Zijn Naam te kunnen belijden en daartoe thuis te zijn in de grondstukken der waarheid en daartoe de middelen te gebruiken, die daartoe gegeven zijn, terwijl er zoveel op uit is om ons daarvan maar af te trekken.

Ja, wij hebben niet alleen bij het ambt der gelovigen het profetenambt, maar ook het priesterambt. Het priesterambt, dat wil zeggen, zegt de catechismus, dat ik mijzelf als een levend dankoffer Gode opoffere. Dat kan alleen door genade, want van nature hebben wij niets van dat offeren, dan bedoelen wij alleen maar onszelf, dan zoeken wij alleen maar onszelf, en juist het priesterlijk leven behoort een altijd brandende offervlam te zijn om in ware zelfverloochenende liefde te leven, Gods eer te bedoelen en het welzijn van de naaste. Dat is het priester zijn. [a, tot dat priester zijn behoort ook het geven van onze gaven in Gods Huis; dat doen we als priesters. Dat is maar niet hetzelfde alsof je contributie geeft aan een vereniging, neen, het offeren van de gaven in Gods Huis is priesterlijk werk. En dat doen wij vrijwillig, d.w.z. met een gewillig hart. Want als we waarlijk dat priesterambt mogen inleven, dan beseffen we, dat we door God rentmeesters gesteld zijn ook over ons goed en dat we als priester dat te offeren hebben aan Hem, Die het ons ook gaf. En als we dat niet doen, dan is ons geld met ons ten verderve.

En dan tenslotte onderscheiden we in het ambt der gelovigen het koninklijk ambt. En tot dat koninklijk ambt behoort, zegt de catechismus, het strijden tegen de wereld, de duivel en óns eigen vlees. Die koningen zijn dus hier op aarde strijdende koningen, de strijd tegen de wereld, duivel en het eigen zondige vlees. Want dat noemt cle catechismus onze doodsvijanden, d.w.z. die hebben het op onze dood aangelegd, niet onze lichamelijke dood, maar onze eeuwige dood. Ach, daar hebben we van nature vaak geen erg in; want cle wereld is onze doodsvijand, maar die wereld, die verbergt haar haat achter een vriendelijke glimlach en zet ons begeerlijke schotels voor. En cle duivel is onze doodsvijand, maar die verschijnt maar al te veel als een engel des lichts. En dat ons eigen vlees onze doodsvijand is, daar beseffen we van nature helemaal niets van. En toch, als dat eigen ik blijft regeren, betekent dat onze dood. Ja, want dat is de vijand binnen de vesting, die de poort open zet voor cle vijanden van buiten. Hoe nodig is het dan dat de Heere ons zelf aan die vijanden ontdekt om ze ons werkelijk te doen zien als doodsvijanden, die wereld, die duivel en ons eigen zondige vlees, opdat we ertegen leren strijden als waarlijk strijdende koningen. Ja, dan behoort tot dat koninklijk ambt ook het beoefenen der tucht. En clan bedoel ik niet alleen cle kerkelijke tucht, maar dan bedoel ik cle onderlinge tucht boven alles. De koningen werden oudtijds genoemd cle herders der volkeren en zie, zo behoren wij krachtens het ambt der gelovigen ook als koning een herder te zijn om onze broeder op zijn zondige paden op te zoeken, om hem van de zonde af te manen en te waarschuwen, dat herdersambt te vervullen, die onderlinge tucht. Zie, dat is dus het ambt der gelovigen. Plet ambt van profeet, priester en koning. Ja, krachtens dat koninklijk ambt hebben wij ook spelbrekers te zijn in het spel der wereld.

Ik hoop dat deze beschouwing over het ambt der gelovigen een weinig moge hebben bijgedragen tot het besef der verplichting, die op ieder lid der gemeente rust. Ik heb mij zeer moeten beperken, waar mij dat verzocht is om des tijds wille, omdat er nog een pauze zal moeten worden gehouden. Wellicht dat enkele punten straks in cle bespreking nog naar voren komen. Maar cle Heere mocht ons stellen waarlijk als waarlijke profeten, priesters en koningen.

En daartoe zegene Hij ook het werk op uw verenigingen, opdat in ons hart mocht leven cle bede:

Uw Koninkrijk koom toch, o Heer', Ai, werp cle troon des satans neer. Regeer ons cloor Uw Geest en Woord, Zo wordt Uw lof alom gehoord, En cle aarde met Uw vrees vervuld, Totdat G' Uw rijk volmaken zult.

Na deze leerzame rede, die met stille, maar tevens gespannen aandacht is gevolgd, spreekt de' voorzitter een zeer hartelijk woord van dank tot Ds. Rijksen. In een bespreking op deze lezing, die na een korte theepauze wordt gehouden, worden vijftien vragen uitvoerig en duidelijk cloor spreker beantwoord.

En clan komt het eind der vergadering in zicht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.