+ Meer informatie

De Slag bij Nieuwpoort

5 minuten leestijd

64.

Isaac da Costa 1798-1860.

De vorige maand was het tien jaren geleden dat de slag bij El Alamein woedde. Deze slag, die bijna tien dagen duurde, werd het begin van de Afrikaanse overwinning van Alexander en Montgomery op de Duitsers en Italianen, die in Mei van het volgende jaar geen voet grond meer in Afrika bezet hadden. El Alamein was een groot keerpunt in de Tweede Wereldoorlog. En toch... we zullen niet zo ver van de waarheid zijn, als we opmerken, dat de meesten onder ons meer afweten van de slag bij Nieuwpoort, drie en een halve eeuw geleden, dan van de slag bij El Alamein, slechts tien jaren in 't verleden.

We mogen wel veronderstellen, dat de slag bij Nieuwpoort bij velen genoegzaam bekend is. Da Costa heeft er een gedicht over geschreven van maar eventjes 784 regels! Het gedicht moest dienen als bijschrift bij een steendrukplaat naar een schilderij van N. de Keyzer, een Vlaams schilder. Slechts enkele dichtregels zouden het zijn, maar het onderwerp greep Da Costa zó aan, dat het een gedicht werd van respectabele lengte.

Prof. J. ten Brink schreef hierover: „Toen ging het hem (Da Costa) als een schilder, die al spelend een potloodschets op het papier werpt, maar die, van lieverlede met zijn eigen schets ingenomen geraakt, tot het besluit komt om daarvan een uitgewerkt schilderij te maken. Zo onze schilderdichter Da Costa, die zich nooit meer dichter gevoelde dan toen hij zijn Nieuwpoort schreef, en... nooit meer gevoelde dat zijn dichtgaaf een gave Gods, gelijk hij dan ook onder en na de voltooiing des gedichts aan die „oorspronkelijke Beginner der schoonheid" er al de ere van gaf. Beurtelings studerende en dichtende, dichtende en studerende, bracht hij de Nieuwpoort op het papier — op het doek had ik haast gezegd — en toen het eindelijk was afgewerkt, besloot hij daarvan een feestgave te maken "

Da Costa droeg het gedicht voor, ter gelegenheid van zijn 62ste verjaardag, voor het gehoor van zijn gewone Vrijdagse lezingen.

De dichter begint over de tijd van de martelaren, na de Kerkhervorming. , , Hoe zag in Nederland de zon zo rood, de straten zo doods!

kasteel en burcht van Edelliên verlaten! der burg'ren voorhoofd bleek en klam, terwijl de lucht van 't zwaaien van het zwaard, de val der bijlen zucht, de houtmijt riekt en rookt, — het lied der Martelaren,

gestemd in ballingschap en bange doodsgevaren, tot op 't schavot niet zwijgt van God en van het Lam,

totdat het stikt in 't koord, of wegsterft in de vlam!"

Vervolgens gaat het over de komst van Alva en het verzet tegen de tirannie door de Nassau's. Deze laatsten hadden alles veil voor de zege van Gods Woord; zij bleven getrouw tot in de dood. Prins Maurits' naam werd door heel Europa bekend. Willem Lodewijk muntte uit door vroomheid, ootmoed en deugd. Vlaanderen had in 1500 gejuicht bij de geboorte van Karei V; nu, een eeuw later, zou het Vlaamse land de dappere Nederlanders zien strijden.

Verscheidene namen worden opgesomd van krijgsoversten uit Friesland, Zeeland, Engeland. Frankrijk en Spanje.

De strijd zelf beschrijft Da Costa als volgt:

, , Wat daav'rend moordmuziek: geknal van [karabijnen, —

gekletter van het staal, dat indringt of verplet, het pantser beukt en deukt, —-geknetter van ['t musket, —

waaronder 't schutgevaart' uit zijn ontsloten [kelen,

uit zee, van strand, op 't veld, begonnen in te [spelen

of dond'ren uit het zand, door Maurits' kunst [bevloerd,

zijn grove basstem mengt. De waat'ren zijn [ontroerd,

en rijzend met de vloed bezetten en beëngen de ruimten van het strand en worstelperk, en [brengen

de strijd steeds dieper in het duin. De zon, de zon van uit haar loopplaats, sinds het vreeslijk pleit [begon,

streed mee en blindde 't oog der Spaanse [tegenstand'ren, door diep beleid belet hun stelling te verand'ren, "

Het einde van de slag luidt: , , Oranje is aan de spits en stort, met losse teugels, met heel de zwaarte van de beide legervleugels op Alberts zwermen af. — Eén laatste mengeling en schok der menigten beslist het groots geding. De zon, eer z' in de schoot van d' Oceaanvloed [dompelt,

ziet redd'loos allerweeg de vijand overrompeld, en 't heir, bij d' opgang nog zo roemrijk, zo [geducht,

zichzelf ontbindend in een ordeloze vlucht."

Vanaf regel 709 tot regel 780 is de maat gevolgd van ons aloude Volkslied. Enkele coupletten mogen hier volgen:

„Hij heeft geen welgevallen aan de eigen kracht des mans, •— de macht der duizendtallen, — de scherpte van de lans, - — de menigten der paarden die met de oorlogsheld zich in slagorde schaarden, — der wagenen geweld!

Van uit der heem'len glorie slaat Hij de wereld ga, — geeft aan Zijn volk victorie, d' ootmoedigen gena, — de nederlaag aan Spanje, wiens Rijksmacht d' aard omspant, de zege, door Oranje, aan 't need'rig Nederland!

Hooghartigen weerstaat Hij, èn nu, èn 't allen stond. Zijn hateren verslaat Hij met d' adem van Zijn mond! 't Geheim van alle zegen (Oranje en Nederland! hoor 't!) is in Gods vrees gelegen, Zijn dienst, Zijn gunst, Zijn woord!"

Het grote gedicht eindigt dan met deze regels: , , Dus 't lied naar Marnix' hart. •— Met

[wapperende veder keert Maurits' ruiterij van 't eenzaam slagveld [weder.

Geen vijand zag zij meer op dees haar laatste [rit! — Maar de Overwinnaar, in het stof gebogen, bidt."

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.