+ Meer informatie

GELOOF EN GEVOEL

31 minuten leestijd

Onze belijdenisgeschriften

We willen ter inleiding op de bespreking van het thema van deze conferentie luisteren naar enkele zinsneden uit onze belijdenisgeschriften. Wat zeggen zij in verband met het onderwerp geloof en gevoel? In antwoord 129 van de Catechismus wordt gezegd dat we door het gebruik van het woordje amen aan het einde van ons gebed, zeggen: „het zal waar en zeker zijn, want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks van Hem begeer”. Er staat niet dat ik de zekerheid van de verhoring gevoel. Neen, er staat, dat ik gevoel dat ik het van Hem begeer.

Ons vragen gaat dus met gevoel gepaard. Het gevoel dat het bidden tot Hem begeleidt. In de Dordtse Leerregels 1,13 lezen we over het gevoel en de verzekerdheid van de verkiezing. Men lette er wel op dat er niet staat het gevoel van de verzekerdheid. Nee, het gaat om het gevoel (het is voor mij de vraag of de omschrijving „besef” in de herziene versie hier wel helemaal precies weergeeft wat er oorspronkelijk wordt bedoeld). In de Leerregels V, 5 lezen we over het voor een tijd verbreken van de oefening des geloofs, het zwaarlijk verwonden van onze consciëntie en het somwijlen voor een tijd verliezen van het gevoel der genade (ook hier heeft de herziene tekst vertaald met besef). Het slot van de zin luidt: „totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op deze weg wederkeren, het vaderlijk aanschijn Gods opnieuw verschijnt”.

In V, 11 wordt erover gesproken dat de gelovigen terwijl zij in zware aanvechting gesteld zijn, dit volle vertrouwen des geloofs en de zekerheid der volharding niet altijd gevoelen (Waarom, zo wil ik vragen, zou hier in de herziene versie dan niet in plaats van gevoelen moeten staan: zich ervan bewust zijn?). We houden het erop dat het in de beschreven beleving inderdaad gaat om het gevoel dat de geloofservaring meebrengt; of juist om de afwezigheid van het gevoel, door de negatieve geloofservaring.

We herinneren ook aan enkele uitspraken waarin het gevoel niet met name wordt genoemd. Er worden in deze uitspraken echter wel gevoelsbelevingen onder woorden gebracht. We denken aan de omschrijving van het afsterven van de oude, en het opstaan van de nieuwe mens (antwoord 89 en 90): Een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben; en: een hartelijke vreugde in God door Christus. Op dergelijke gevoelsbelevingen doelt ook V, 13, als er gesproken wordt over de verberging van het aangezicht van de verzoende God, hetgeen de gelovigen bitterder is dan de dood. Men lette vooral op dat bitter, en op het feit dat er iets is dat nog bitterder is dan de dood. Zo is er ook iets dat nog zoeter is dan het leven, namelijk het aanschouwen van het aangezicht van de verzoende God.

Al deze uitdrukkingen - en er zouden er nog meer te noemen zijn - wijzen erop dat de beleving van de genade met gevoel gepaard gaat. De belijdenisgeschriften gebruiken het woord gevoel in dit verband dan ook. Deze uitspraken lijken een goede inleiding tot het onderwerp.

Actualiteit

We willen nu nog iets zeggen over de actualiteit van het onderwerp. Er zijn twee factoren waarop we willen wijzen. Er wordt in onze tijd veel aandacht besteed aan gevoelens en emoties. Naar onze gedachte veel meer dan vroeger, toen ze verzwegen of zelfs verdrongen werden. Onze cultuur is sterk bepaald door het rationalisme. Het verstand domineert en dicteert. Dat is het geval sinds de Verlichting. Er is wel een reactie gekomen in de beweging die we de Romantiek noemen. Niettemin heeft het verstand, de rede, het primaat gekregen en lange tijd gehouden. Met de aandacht voor het subject is er ook aandacht voor de emoties gekomen. Het gevoelsleven is uit zijn isolement, uit zijn kluisters gehaald. Dat laat zich in het spreken en het vragen van kerkmensen ook opmerken. Er wordt gevraagd om aandacht voor ervaring. Stellig is ervaring niet hetzelfde als emoties. Toch zit er in de vraag naar ervaring ook een verlangen naar aandacht voor het gevoelsleven in prediking en pastoraat.

Daar is vervolgens het geruchtmakende boekje van mevrouw Aleid Schilder. Zij beschuldigt de gereformeerde belijdenis ervan de oorzaak te zijn van depressies bij haar aanhangers (dat wil zeggen: haar belijders). Hier treffen we precies het tegenovergestelde aan. Wel aandacht voor het gevoelsleven, met name voor depressies, maar dan in een negatief kader. Het gereformeerde geloof zou er de oorzaak van zijn. Dit boekje bevat eigenlijk een geweldige aanklacht tegen onze gereformeerde belijdenis. Het is niet de bedoeling het betoog van mevrouw Schilder te weerleggen. Toch kunnen we aan haar geschrift niet geheel voorbijgaan vandaag.

Wat aan de orde komt

Wat willen we nu vandaag met de inleiding en de discussie? Er kunnen bij de broeders vragen leven, die vóór de discussie misschien niet aan de orde komen. Laten zij deze toch vooral stellen. Dan willen we trachten daarop in te gaan.

Wat onszelf betreft, het gaat ons vandaag om drie punten. Allereerst: Wat is het gevoel en hoe verhouden zich geloof en gevoel? Is het gevoel een belemmering of een verrijking, ja zelfs een verzekering voor het geloof? We willen ook aandacht geven aan de verscheidenheid van gevoelens en de plaats die gevoelens innemen naast verstand en wil. Vervolgens: Hoe gaan ambtsdragers om met gevoelens van gemeenteleden en van zichzelf? We denken hierbij aan overdreven gevoelens, geblokkeerde gevoelens, verkeerde gevoelens en ook aan depressieve gevoelens. Op dit laatste aspect van ons thema kunnen we helaas niet ingaan, al zou dat zeker de moeite waard zijn. Het is een conferentiethema op zichzelf. Tenslotte: Hoe bevorderen we het uiten van gevoelens? Hoe bevorderen we een gezonde gevoelsbeleving in de gemeente?

Zijn we niet te star in onze gemeentelijke samenkomsten? Moet er niet meer ruimte komen om juist daarin onze gevoelens kenbaar te maken?

Wat is het gevoel?

We trachten een omschrijving te geven van wat het gevoel is. We letten allereerst op wat we over dit begrip vinden in het „Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal”, van Van Dale. We treffen daar niet minder dan tien bekentenissen aan. De voor ons doel voornaamste zijn de volgende:

- vermogen om te (ge)voelen, te weten als zintuig, en wel enerzijds het vermogen om stoffelijke voorwerpen in hun stoffelijkheid te kennen door tastzin, anderzijds als het orgaan van druk- en pijngewaarwordingen;

- dat wat men gevoelt, de gewaarwording van het gevoelen, zowel lichamelijk als innerlijk;

- doorgaande stemming van het gemoed, gezindheid;

- het vermogen van de mens om zedelijkheid en schoonheid te ervaren en te waarderen, het godsdienstige gevoel;

- in het bijzonder datgene wat onze innerlijke houding en onze reacties bepaalt buiten verstandelijke overweging om;

- alle gemoedsbeweging die niet het onmiddellijk gevolg is van zintuiglijke gewaarwording.

Dat is een hele opsomming van allerlei betekenissen. Bij alle verscheidenheid zijn er toch enkele centrale elementen. We trachten die samen te vatten door ze op een rij te zetten:

- het gevoel is een reactie op een waarneming met onze zintuigen (oog, oor, tast-, reukzintuig), maar ook aanduiding van een innerlijke ervaring, zonder dat de zintuigen daarbij direct te pas komen;

- het gevoel is een reactie op wat we op een bepaald ogenblik gewaarworden (momentaan). Het kan ook aanduiding zijn van een stemming die duurzaam en continu is, althans veel langer duurt dan het ogenblik;

- het gevoel is niet iets dat door verstandelijke overwegingen wordt bepaald. Het is juist iets eigens, vergeleken met verstand en wil;

- het gevoel is een reactie waarin we een waardering uitspreken, hetzij positief, hetzij negatief: blij of bedroefd, mooi of lelijk, fijn of naar.

Wij kennen ook het woord gevoelen. Hiermee is bedoeld:

- gemoedsbeweging;

- een bepaalde gezindheid waaraan uitdrukking wordt gegeven;

- oordeel, mening.

Uit dit overzicht blijkt dat gevoelen niet zonder meer hetzelfde is als gevoel. De eerst-vermelde betekenis komt er het dichtst bij. De beide andere wijzen in een andere richting. We herinneren ook aan de reeds gebruikte term emotie. We lezen hierover in Van Dale: gemoedsbeweging, aandoening, plotselinge ontroering. We concluderen hieruit dat gevoel breder is dan emotie. Alle emoties kunnen we wel bij het gevoel onderbrengen. Alle gevoel is daarom nog geen emotie. Bij dit laatste gaat het vooral om aandoening, terwijl gevoel behalve reactie ook waardering in zich besluit.

We hechten eraan het gevoel te zien als een apart vermogen naast dat van verstand en wil. In de loop der eeuwen zijn er allerlei theorieën ontwikkeld met betrekking tot het wezen en de herkomst van het gevoel. Het is wel voorgesteld als een bijprodukt van het verstand of van de wil. Wij zien het gevoel als een aparte gave, wil men als een vermogen naast verstand en wil. Deze drie vermogens vinden in het ik van de mens hun eenheid. De mens handelt als eenheid. Men kan dus nooit van alleen maar het verstand, alleen maar het gevoel of alleen maar de wil spreken. Wel kunnen bepaalde handelingen getypeerd worden door vooral het verstand, of vooral de wil of vooral het gevoel. We spreken ook over mensen naar de indeling van deze drie vermogens: een verstandsmens, een gevoelsmens, een wilsmens. Het gevoel is dus een reactie op wat we meemaken en tegelijk een waardering daarvan. De waardering vindt plaats zonder dat ze tevoren door de zeef van het verstand gaat. Het gevoel is een vorm van beleving en verwerking van ons mens-zijn op aarde! Het gevoel is even breed en wijd, even hoog en diep als ons mens-zijn op aarde is. Het raakt de relatie met God en onszelf, de medemens en de dingen om ons heen. Er is bij gevoelens verschil in diepte en duur, in warmte en in kleur.

Nu we dit laatste woord gebruiken, stellen we de vraag: Wat zou ons leven zijn, als we geen gevoel hadden? Hoe zou ons psychische leven er dan uitzien? Dan was het precies hetzelfde als wanneer er geen kleuren waren. Alles eentonig grauw! Het is niet toevallig dat we een uitdrukking gebruiken als: een kleurrijk gevoelsleven. Wat de kleuren in de wereld om ons heen betekenen, datzelfde betekenen onze gevoelens in ons.

Ons gevoelsleven is wezenlijk voor ons mens-zijn, zo mogen we concluderen. Daarom doet het gevoel ook mee in het geloof.

Bijbelse gegevens

We willen nu eerst nagaan welke gevoelens we zoal in de Bijbel tegenkomen, om daarna dieper in te gaan op de verhouding tussen geloof en gevoel. We noemen een aantal teksten. We beperken ons. Er zouden er veel meer vermeld kunnen worden.

In 1 Samuël 1:15 lezen we over Hanna, dat ze bitter bedroefd is. In 2:1 juicht haar hart in de HEERE. Men zie ook de beschrijving van haar gevoelsleven in 1:9 en 10. In 3:20 wordt gesproken over mensen die bitter bedroefd zijn. We herinneren aan Ezra 10:1. Het volk barst uit in luid geween. In Nehemia 8:11 wordt tegen het volk, dat rouw bedrijft en weent, gezegd: „Weest dus niet verdrietig, want de vreugde in de HEERE, die is uw toevlucht”. Wat een uitspraak: de toevlucht is de vreugde in de HEERE. Een zeer positief woord over blijdschap. De Psalmen kunnen we wel typeren als liederen van emoties, van gevoelsuitingen. Vreugde en droefheid met al hun schakeringen treffen we daar aan. Zo in 18:2 de hartelijke liefde tot de HEERE. Dezelfde notie in 116:1. We denken ook aan Psalm 30: In mijn onbezorgheid had ik gedacht: ik zal nimmer wankelen (vs. 7). Dan komt de wending: Gij verborgt uw aangezicht, ik stond verschrikt (vs. 8). En dan toch: „Mijn rouwklacht hebt Gij veranderd, mijn rouwkleed hebt Gij losgemaakt, met vreugde mij omgord (vs. 12). HEERE mijn God, voor altoos zal ik U loven” (vs. 13). We herinneren aan 31: „Wees mij genadig, o HEERE, want ik ben benauwd; van verdriet verkwijnt mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam” (vs. 10). En dan die geweldige wending: „Geprezen zij de HEERE, want Hij heeft mij wonderbare goedertierenheid betoond, in de gloed der benauwdheid” (vs. 22). We herinneren aan de tranen die de dichter van Psalm 42 :4 tot spijze zijn, dag en nacht; aan de golven en de baren (vs. 8) die over hem heen gaan. Men bedenke wat dit voor het gevoelsleven betekent. In Psalm 66:1 wordt de ganse aarde opgeroepen om Gode te juichen. In 84:3 smacht de ziel van de dichter naar de voorhoven van de HEERE. Zijn hart en zijn vlees jubelen tot de levende God. Men lette erop hoe de gevoelens hier tot in het lichaam toe hun plaats hebben. In Psalm 90:7 wordt erover gesproken dat wij vergaan door Gods toorn, en door Zijn grimmigheid worden wij verdelgd. Daarentegen wordt in Psalm 100:2 gezegd: „Dient de HEERE met vreugde, komt voor Zijn aangezicht met gejubel”. We herinneren ook aan Psalm 142, een lied van een mens die depressief is (geweest). Hij ontmoet de strik die de medemensen hem spannen (vs. 4). Er is niemand die naar hem vraagt en de toevlucht is hem ontvallen (vs. 5). Hij beleeft zijn bestaan als een leven in de gevangenis (vs. 8). Allemaal trekken die typerend zijn voor een ervaring van depressiviteit. We kunnen wijzen op de zielestrijd van Jeremia in 20:7-18, en vooral op de verzen 8 en 9. We herinneren aan Klaagliederen 3: Ik ben de man die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid (vs. 1). Wat in vs. 10 wordt gezegd, zouden wij niet in woorden durven uitdrukken, als het niet in de Bijbel stond: „De HEERE is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen schuilhoeken”. Men bedenke welke gevoelens zulk een ervaring meebrengt. We herinneren aan de tranen van de Heere Jezus bij het graf van Lazarus, Joh. 11:35. Opmerkelijk is niet alleen het feit, dat ze zijn geschreid, maar evenzeer het feit, dat het de Heilige Geest behaagd heeft ons dat te laten weten door de ogen van Johannes. Ook de gebedsworsteling in Gethsémané (Matt. 26:36-44) is in dit verband van grote betekenis. „Hij begon bedroefd en beangst te worden” (vs. 37). Hij is zelfs bedroefd tot stervens toe (figuurlijk en letterlijk). In Hebreeën 5:7 wordt hierop teruggegrepen; „Hij is verhoord uit Zijn angst”. We hebben een Heiland, Die angst heeft gekend, en daaruit tot God heeft geroepen, ook aan het kruis (Matt. 27:46). We herinneren aan de herhaalde oproep om zich in de HEERE te verblijden (Fil. 4:4)’ Aan de oproep aan de hemelen om zich te verheugen, en het wee over hen die op de aarde wonen, in Openbaring 12:12.

Nog enkele teksten: „Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking”. Romeinen 12:12, en vs. 15: „Weest blijde met de blijden, weent met de wenenden”. In Hebreeën 12:15 wordt gesproken over het verachteren in de genade. Er mag geen wortel van bitterheid opschieten (om daardoor) verwarring te stichten.

Het is een heel palet van kleuren, dat we tegenkomen in deze beschrijving van gevoelens. Ze worden ons getekend en in hun werking beschreven. Wij worden ertoe opgewekt of ervan afgehouden.

De relatie geloof en gevoel

Het gaat er ons nu om de relatie geloof en gevoel wat nader te bepalen. Even wezenlijk als gevoel voor ons mens-zijn is, even wezenlijk is gevoel voor de beleving van het geloof. Zou het gevoel in ons geloof niet meedoen, dan zou ons geloof gehandicapt zijn. Je kunt niet geloven zonder te kennen, maar ook niet zonder te voelen. Kunnen we zeggen dat gevoel gelijk staat met het vertrouwen, dat de Catechismus een wezenlijke component van het geloof noemt in Zondag 7? Vertrouwen is de toewending van ons hart, dat is van ons hele mens-zijn tot God. Daarom is het meer dan gevoel. Wel mogen we zeggen dat het vertrouwen een sterk gevoelsmatig aspect heeft. In het vertrouwen speelt het gevoel een grote rol, omdat het gevoel zoals we zagen vooral gekenmerkt wordt door reageren en waarderen 1).

Zo worden we genoopt onder ogen te zien hoe de verhouding is tussen gevoel en ervaring. Zij vallen niet samen. Zij zijn niet identiek, want een denkhandeling is ook een ervaring. Hetzelfde geldt van een wilshandeling. De ervaring is breder dan het gevoel. Wel kunnen we zeggen, dat in de ervaring het gevoel een grote rol speelt. Om het wat sterk te zeggen: er is geen ervaring zonder gevoel, zonder daarmee dus te zeggen dat ervaring alleen maar gevoel is.

Het gevoel beweegt zich op de maat van het geloof

We stellen nu dat het gevoel zich meebeweegt met het geloof. Vandaar de uitdrukkingen in de belijdenisgeschriften waarmee we zijn begonnen: het gevoel dat we iets (gelovig) van God begeren. Het gevoel van de genade en dergelijke. Dit gevoel bestaat onder andere in de ervaring van zekerheid, blijdschap, vreugde, hoop. Omgekeerd heeft wat we noemen de negatieve geloofservaring ook consequenties voor het gevoelsleven. Zo bijvoorbeeld de ervaring van de verberging van Gods aangezicht. Dit is bitterder dan de dood. Ook de ervaring van de vervreemding van God door eigen schuld. Dit is een zaak van schaamte en verdriet, van oprechte droefheid voor het aangezicht van God. We denken aan de beleving van de toorn van God. Het gevoel gaat mee met het geloof, in hoogte- en dieptepunten van ons leven.

Het gevoel tegenover het geloof

Soms gaat het gevoel in tegen het geloof. We noemen enkele momenten en ervaringen. De bitterheid van onze ziel, het sombere, donkere gevoel van ongeloof in de goedertierenheid van God. De ontevredenheid over Gods leiding in ons leven. De harde en zwarte kritiek op wat God toelaat dat ons overkomt. Hoe moeten we over deze gevoelens denken? In de eerste plaats zeggen we: Het gevoel is niet soeverein. Het heeft geen recht van bestaan door het eenvoudige feit dat het er is. Het is de oude mens die zich tegen God verzet. Deze oude mens wordt royaal in het jasje van het gevoel gestoken. Het gevoel (negatief, donker en zwart zich tegen God kerend) is dan eigenlijk een krachtcentrale tegen God. Het wil ons van blijmoedige overgave aan en van hartelijk vertrouwen in God afhouden. Onder dit gezichtspunt is het gevoel juist een invalspoort voor de duivel om ons tot zonde te brengen of in de zonde gevangen te houden. Daarbij maakt hij graag en groots gebruik van het gevoel, hoewel daarvan niet alleen. We kunnen ook het verstand en de wil zo’n invalspoort noemen. Toch speelt het gevoel (denk aan lust en bekoring) een bijzondere rol. Zijn we ons dat altijd voldoende bewust? Verboden vruchten worden soms geplukt met een beroep op het gevoel.

In deze (negatieve) gevoelens gehuld en vermomd, verzet de oude mens zich tegen God. Hoe meer gevoelsmatig verkleed, hoe minder dit verzet wordt onderkend en bestreden. Hier wreekt zich de huidige gedachte dat gevoelens autonoom zijn. Zij zouden alle recht van spreken hebben: Zo ben ik nu eenmaal. Zo voel ik het. We zien dan echter voorbij aan het feit dat ons gevoelsleven in de zonde betrokken wordt. Het doet in de zonde mee.

Hoe deze gevoelens te ontmaskeren?

Hoe willen we dit ontmaskeren en ons er tegen verzetten? Hoe zullen zulke negatieve gevoelens omgezet worden in positieve? Daar is maar één middel voor. De prediking (en het lezen en het overdenken) van het Woord van God. Hij zoekt ons in Zijn genade op en spreekt ons toe. We bedoelen het Woord naar zijn aanklagende en naar zijn vrijsprekende kant. Gericht en genade; oordeel en ontferming, wet en evangelie. Dat leidt tot verootmoediging voor Gods aangezicht. We gaan dan onze zonden zien. Ook de zonden in ons gevoelsleven. We leren dan bidden om vergeving en reiniging, ook van ons gevoelsleven. Het gevoel moet niet voorop gaan. Het mag niet domineren. Het moet meekomen in de bekering, als toewending van ons hart naar God. Het moet met het geloof in de pas (gaan) lopen. Het moet meedoen op de maatslag van het geloof. Zo krijgt het gevoel in de beleving van bekering en geloof zijn rechtmatige plaats.

Het gevoel niet opzwepen

Een predikant moet met de prediking van wet en evangelie het gevoel niet opzwepen. Hij moet het wel benoemen en tekenen. Hij mag de betekenis ervan laten zien. Dat gebeurt door de prediking van de beloften van God. Waar het geloof opstaat en vaardig wordt, komt het gevoel mee en geeft het zich gewonnen. Juist dan blijkt hoe taai de oude mens is, ook en vooral in het gevoel, vaak nog meer dan in het verstand. Het gevoel is niet beslissend. Het geloof is dat wel. Soms moet men van het gevoel bij het geloof in de beroep gaan.

Ik herinner aan een prachtige passage uit de Apeldoornse Studie van prof. Van Genderen „Geloofskennis en geloofsverwachting”. Hij onderscheidt tussen kennis uit het geloof en uit de ervaring. De ervaring is vooral een versterking van het geloof dat het Woord van God waar is. De ervaring van Gods hulp is (volgens Calvijn) een bevestiging van het geloof (blz. 24). Dat mogen we ook van het gevoel zeggen. Prof. Van Genderen vervolgt dan: Juist in de strijd en in de crisis houdt het geloof zich vast aan het Woord van God en aan de God van het Woord. De aanvechting doet ons ervaren, hoe zoet, hoe machtig, hoe troostrijk het Woord is. In en door het geloof komt het gevoelen en het ondervinden. Dan ervaar ik dat het zo is. Wat prof. Van Genderen hier zegt heeft onze volle instemming. Het Woord heeft het primaat. Dat wil zeggen: het heeft het eerste woord en het heeft gezag. Het gevoel wordt gewerkt en gewekt door het Woord. Het komt mee in het spoor van het Woord, ook al stelt de oude mens met zijn gevoel zich daar tegen. Het gevoel is dus niet de grond van de geloofszekerheid. Het is vrucht van het geloof. Zoals het geloof wordt ook het gevoel gewerkt door de Geest. We bedoelen hiermee dat gevoel, dat zich aan God onderwerpt en dat zich in Hem verblijdt.

Hoe omgaan met gevoelens?

Hoe gaan we nu met gevoelens om, van anderen en van onszelf? Zijn er soms geen grote fouten begaan op dit terrein? Zijn mensen in hun gevoelsleven soms niet miskend en zelfs mishandeld door ambtsdragers? Het is niet aan ons om een algemeen oordeel uit te spreken. Dat zou ons niet passen. Wel weten we dat er mensen zijn die zich in hun gevoelens door ambtsdragers beschadigd weten.

Prof. Graafland vertelt in zijn boek „Gereformeerden op zoek naar God” over zijn moeder. Zij doorleefde bewust de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie, dat is voor de troon van God. Een alom gerespecteerd en „ingeleid” christen kwam op bezoek om haar verhaal te horen. Het was hem niet goed, niet echt, want Graaflands moeder had niet aan de kant van de sloot gestaan om zich van het leven te beroven. Deze en dergelijke aanvallen op geloofs-en gevoelservaringen zijn zeker voorgekomen. We zouden erop willen wijzen dat het altijd moet gaan om het geloofsgehalte van het gevoel. We bedoelen hiermee dat we ernaar vragen in hoeverre het gevoel en de beleving daarvan, vrucht is van het geloof. Het gaat er niet allereerst om het gevoel van anderen te veroordelen. Waar nodig moet het gevoel gecorrigeerd worden vanuit de bespreking van het geloof. Wij moeten aan het geloof leiding geven in prediking en pastoraat. En van hieruit ook aan het gevoelsleven. Als we kritiek zouden hebben, moet die niet de mens raken, maar zijn verkeerde, niet door het geloof geleide of bepaalde gevoelens. Wij moeten liefdevol en tactvol, met wijsheid en pastoraal inzicht omgaan met de gevoelens van anderen. De mens moet gerespecteerd worden.

Zijn gevoelens kunnen gekritiseerd en gecorrigeerd moeten worden. Dat mag niet gebeuren vanuit de maatstaf van onze persoonlijke ervaringen of vanuit ons eigen gevoelsleven. Dat mag alleen vanwege het ontbreken van geloofsgehalte in de gevoelens. Deze moeten immers de gestalte zijn van het geloofsgehalte. Als mensen dan verdrietig worden is dat jammer, maar onvermijdelijk. Als dat verdriet er maar niet is omdat wij eigenzinnig en onbarmhartig omgaan met gevoelens van mensen. Waar het Woord doorwerkt, stuit het op weerstand. Het roept die weerstand ook op. Die weerstand maakt gebruik van en hult zich in gevoelsargumenten. Het is geen wonder dat mensen zich dan stoten aan het Woord. Wij moeten er van onze kant steeds naar streven, dat we mensen alleen onder de kritiek van het Woord stellen, ook in hun gevoelsleven. Wie dat doet en op weerstand stuit, is toch verantwoord voor Gods aangezicht.

We spraken over het geloofsgehalte van gevoelens. Zo kunnen we ook spreken over het Woordgehalte van pastorale kritiek op gevoelens. Wij moeten evangelisch ingaan op gevoelens van mensen. Onze houding moet altijd positief zijn, ook daar waar de zonde wordt onthuld. Zondekennis is geen doel in zichzelf. Zij is ook geen eindstation. Zondekennis is noodzakelijk als deel van de waarachtige bekering. Het gaat er echter om dat we in de weg van berouw tot God worden teruggebracht. In dit kader moeten we bijbels en pastoraal met gevoelens van medechristenen omgaan.

Calvijn: maathouden in gevoelens

Mogen we gevoelens oproepen en in prediking en pastoraat op gevoelens inwerken? De vraag kwam al even ter sprake. Laten we hierbij direct onderscheiden tussen gevoelens van angst, vrees voor God, toorn, schuld vanwege onze zonden. En gevoelens van vreugde in God, blijdschap. Wat beide betreft moeten we erop aandringen maat te houden. We verwijzen hiervoor naar Calvijn. Hij heeft met name ten aanzien van vrees en angst voor het oordeel van God in zijn „Institutie” iets geschreven dat alle aandacht verdient. In verband met het zelfonderzoek vanwege onze zonden schrijft hij; „Maar laat ons bedenken, dat we maat moeten houden, opdat de droefheid ons niet verslinde; want beangstigende consciënten zijn tot niets in meerdere mate geneigd, dan tot een vervallen in wanhoop. En ook door deze kunstgreep dompelt Satan hen die hij door vrees voor God terneergeworpen ziet, meer en meer in de diepe poel der droefheid, opdat ze daaruit nooit meer zouden oprijzen. De vrees kan niet al te groot zijn, die eindigt in nederigheid en niet wijkt van de hoop op vergeving” (III, 3,15). Dit is een zeer opmerkelijk citaat. Calvijn ziet grote angst juist als een kunstgreep van de satan. Hij wil niet dat mensen in een bodemloze put vallen. Zij moeten juist daaruit gehaald worden, door de prediking van het evangelie. Er moet in prediking en pastoraat dus over gevoelens worden gesproken. Het dient op gepaste wijze en met mate te geschieden. Daarbij moet vooral op de samenhang van geloof en gevoel worden gewezen. Het Woord staat voorop. Het gevoel is vrucht van het geloof. We moeten erop aandringen niet op onze gevoelens te vertrouwen. Ze zijn onmisbaar, maar komen op de tweede plaats.

Neurotische schuldgevoelens

Wij zouden graag nog wat dieper willen ingaan op onevenwichtige schuldgevoelens. Dat is dat schuldbesef, dat niet in een goede verhouding staat tot het bedreven kwaad, hetzij het schuldbesef te groot of te klein is. We kunnen alleen dit ervan zeggen: Niet elke daad van zonde is van gelijke omvang. Er is verschil in afmetingen en in gevolgen. Het zondig zijn voor God vermindert niet door de kleinheid van een bepaalde zonde. Die onderscheiding tussen doen en zijn kan ons van pas komen bij het onderkennen van verschillende zonden. We komen die onderscheiding ook tegen in de oude uitdrukking: minder zonde doen en meer zondaar worden voor God.

Een korte opmerking over neurotische schuldgevoelens. Dat zijn ziekelijke, en daarmee onechte schuldgevoelens. Wie zijn schuld voor God onderkent en doorziet, weet dat hij zichzelf er niet van kan verlossen. Toch is het hem een groot verlangen door delging van de schuld met God verzoend te worden. Is er nog een weg of middel om de straf te ontgaan en weer tot genade te komen (vgl. vraag 12 in zondag 5)?

Vergeving en vernieuwing worden beide in de oprechte schuldbelijdenis begeerd. Neurotische schuldgevoelens zijn daaraan kenbaar, dat een mens niet van zijn schuld af wil. Hij heeft behoefte aan vergeving noch aan verandering. Hij zoekt geen bekering. Hij koestert zijn schuld om zichzelf en anderen voor te houden hoe „vroom” hij wel is op het punt van de schuld. Het is een houding omgekeerd evenredig aan die van hem, die zich voor God rechtvaardigt door zijn gehoorzaamheid aan de wet. Een mens met neurotische schuldgevoelens houdt zich eveneens op de been voor God. Hij doet dat door zich zo schuldig te weten en daar ook te willen blijven. Hierbij staat God niet in het middelpunt, maar hijzelf. Het gaat erom met het evangelie door zo’n houding van zelfrechtvaardiging heen te prikken. Een mens die iets verstaat van wat we God hebben aangedaan, kan aan die schuld niet vastgeklonken blijven. Hij kan er ook niet mee blijven rondlopen.

Het boek van mevr. Schilder

Nu zijn we ook bij het boekje van mevr. Schilder. Haar grondstelling is dat het gereformeerde geloof depressief maakt. Zij kan op een punt gelijk hebben, namelijk daar waar alleen de schuld van de mens gepredikt wordt, zonder dat over Gods genade in Christus wordt gesproken. Als een mens in de prediking alleen maar op zijn schuld wordt gewezen, en steeds weer wordt gezegd hoe erg het wel met ons is, zonder dat er uitzicht op genade wordt geboden - daar vervalt een mens tot twijfel en wanhoop. Daar kan de wroeging toeslaan, zodat men de hand aan zichzelf slaat. Dit is echter een caricatuur van het gereformeerde geloof. In de Dordtse Leerregels lezen we over de beloften van het evangelie, die aan alle volken en mensen zonder onderscheid verkondigd moeten worden, met het bevel van bekering en geloof (II, 5). Waar deze belofte wordt verzwegen of onhoorbaar wordt gemaakt, beweegt men zich buiten het spoor van het gereformeerde belijden. We kunnen ons eerlijk gezegd niet voorstellen dat mevr. Schilder in haar jeugd in de kerk waartoe ze behoorde, zulk een ultra-gereformeerde prediking heeft gehoord. Hetzelfde kan gezegd worden van onmachtgevoelens die aangepraat en aangekweekt worden, doordat niet op de kracht van de Heilige Geest wordt gewezen. Zulk een (bijna) neurotische onmachtservaring komt voor en wordt wellicht door ultra-gereformeerde prediking bevorderd. De Heilige Geest wil ons juist van die onmacht verlossen. Men leze hoe prachtig de ware bekering in de Leerregels wordt omschreven. De door eigen schuld opgelopen onmacht wordt door de Geest weggedaan. Er komt een nieuw en blijmoedig willen voor in de plaats (lll/IV, 11 en 12).

Wij zouden tegenover mevr. Schilder willen opmerken dat een modern mens geen afhankelijk schepsel wil zijn. Hij wil wel allerminst een zondaar genoemd worden. Zulke benamingen strijden met zijn besef van eigenwaarde en zijn gevoel van autonomie. Dat hij schuldig zou staan voor God ervaart hij als een aanval op zijn vrijheid om zichzelf te zijn en zelf te kiezen. Van zulk een beschuldiging wordt een autonoom mens ziek. Wij delen deze gedachten niet. Wij wijzen ze af. Droefheid over de zonde is iets anders dan depressie. Men leze nog eens het citaat van Calvijn. Wie mevr. Schilders boekje leest, kan niet begrijpen dat Calvijn toch zulke dingen zegt. De inconsequentie ligt echter niet bij Calvijn, maar bij mevr. Schilder. Haar oplossing ligt dan ook in de eis om een ander Godsbeeld te aanvaarden. Zij wil een God op mensenmaat, naar mensenmaaksel - een vriend, een partner, op één lijn met ons. Wij spreken radicaal anders over God, en zeggen toch dat juist deze God, de Vader van Jezus Christus, mensen verlost en bevrijdt, tot blijdschap en verwachting. Dat God een zondaar zijn schuld vergeeft, maakt hem tot het tegendeel van een depressief en onmachtig mens. Het is echter uit genade, en alleen genade.

Hoe onze gevoelens te uiten?

Hoe kunnen wij nu beter onze gevoelens leren uiten? Hoe kunnen we er in de kerk en in het leven met elkaar beter mee leren omgaan? Daar is de vraag of er in onze kerkdiensten niet meer gelegenheid moet zijn voor het uiten van onze gevoelens: amen of halleluja zeggen, handen omhoog steken of zelfs klappen, met opgeheven handen of geknield bidden. Vragen die bij meerderen leven. Naar onze gedachte moeten we er de nadruk op leggen dat we als gemeente, dus in een gemeenschap bij elkaar zijn. We zullen geen ruimte moeten vragen voor „de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie”. We zullen iets moeten hebben waarin allen zich kunnen vinden en waarin allen zich thuisvoelen. Het zou in onze kerkdiensten soms wat minder gespannen en stroef kunnen toegaan. Laat de predikant wat toelichting geven op noden uit de voorbede, op dingen die in het gemeenteleven de aandacht vragen; eventueel eens zeggen waarom hij juist nu deze psalm heeft gekozen. Laat hij ook verband leggen met de gebeurtenissen om ons heen en in de wereld. Zou er soms niet - al of niet bij name - wat meer om voorbede en dankzegging gevraagd mogen worden? Wij doen dat bij specifieke gebeurtenissen. Er zijn ook wel ervaringen waarin voorbede of dankzegging op haar plaats zijn, terwijl daarom nu niet of zelden wordt gevraagd. Belangrijk is ook dat we beseffen dat de kerkdienst de werkplaats is van de Heilige Geest. Hier wil God heel persoonlijk met ons omgaan. De intonatie van de gebeden en van te zingen psalmen kan dit geweldig onderstrepen. Laten wij ook in de omgang met elkaar onze gevoelens niet op slot zetten. Reacties op de prediking en dankbaarheid voor genoten zegeningen, voor onderricht en vermaning mogen wel degelijk aan de orde komen. We moeten ook hierin elkaar opvangen en helpen. We mogen elkaar ook wel vanuit de Schrift bemoedigen, aansporen en, waar nodig, bestraffen.

In het gevoelsleven is een binnenkant en een buitenkant. Wij hoeven de binnenkant niet op straat te brengen en de buitenkant niet voor de binnenkamer te houden.

We komen tot de afsluiting. Het gaat om het evenwicht van gevoel en geloof. Een gezond geloofsleven zal ook een gezond gevoelsleven hebben. Aanvechting en zonden in het geloof werken door in de gevoelsbeleving. Het gevoel kan invalspoort voor de duivel zijn. Dat behoeft niet zo te wezen. Wij zullen onze gevoelens moeten laten reinigen en vernieuwen. Hoe nodig is het dat Christus, over Wiens gevoelens wij hoorden, daarbij het middelpunt is. Onze gevoelens ontspringen aan en zijn afgestemd op de gemeenschap met Hem. Welk een voorrecht dat we het gevoel hebben, ook in het geloofsleven. Het geeft kleur en warmte. Het gaat mee in hoogten en in diepten.

Met het oog op het gevoel is eigenlijk maar één heilzaam middel te noemen: het Woord van God, wet en evangelie, zonde en genade, rechtvaardiging, heiliging in de verwachting van de voleinding. Prof. Kremer zei: genade geneest. Dat geldt ook met betrekking tot het gevoelsleven. Ik sluit af met een gevoelig lied uit onze psalmenbundel:

Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen,
O God, mijn sterkt’, U hartelijk beminnen.
Mijn steenrots, burcht en helper is de Heer,
mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, mijn eer!

Ps. 18, voorzang.

1) In dit verband memoreren we een vraag die in de discussie als volgt werd geformuleerd: Is het ook mogelijk om, ten aanzien van verstand, gevoel en wil, te spreken van volgtijdelijkheid, waarbij:

1. Verstand: het verzamelen/opslaan van kennis (b.v. van het Woord van de levende God);

2. Gevoel: het verwerken/beleven van deze kennis (o.a. combineren/vergelijken met reeds aanwezige kennis en ervaring);

3. Wil: het komen tot conclusies/gevolgtrekkingen en hieraan uiting geven.

Het is een interessante vraag. Toch is het hele psychische gebeuren ingewikkelder dan hier wordt voorgesteld. Het verstand is namelijk niet alleen het verzamelen van kennis. De verwerking ervan is zeker ook een zaak van het verstand. Het onder 2. genoemde behoort dus ten dele reeds bij 1. Het beleven van deze kennis en het vergelijken van deze kennis met reeds aanwezige kennis is ook een zaak van het verstand. Het komen tot conclusies kan daartoe ook gerekend worden.

De wil betreft het nemen van een besluit ten aanzien van een te stellen doel en de uitvoering daarvan. In het licht van ons betoog moeten we zeggen dat in de door de vraag gesuggereerde driedeling het gevoel niet tot zijn recht komt. Het gevoel is juist een vermogen, waarbij het verstand, in eerste instantie geen rol speelt. Natuurlijk wel later, bij het nadenken over en het evalueren van onze gevoelens.

Naschrift: Deze tekst is geschreven nadat het referaat met behulp van aantekeningen was uitgesproken. Enkele passages die wel op papier stonden, maar niet werden uitgesproken, zijn erin opgenomen. Bovendien zij hier en daar enkele antwoorden op vragen in de tekst verwerkt.

Literatuur

We noemen enkele boeken of artikelen voor eventueel verdere studie. Deze lijst is zeer beperkt. Vermelding betekent niet zonder meer instemming met de inhoud.

Dobson, J. Emoties. Herkennen, begrijpen en vertrouwen. Den Haag 1985.

Genderen, J. van Geloofskennis en geloofsverwachting. Apeldoornse Studies nr. 17, Kampen 1982.

Graafland, C. Gereformeerden op zoek naar God. Godsverduistering in het licht van de gereformeerde spiritualiteit Kampen 1990.

Lindijer, C. H. Schuld en pastoraat. Den Haag 1979.

Los, P. (e.a.) Hoe depressief is de blijmoedige christen? Barneveld 1988.

Schilder, A. Hulpeloos maar schuldig. Het verband tussen een gereformeerde paradox en depressie. Kampen 1987.

Seamands, D.A. Genezing van beschadigde emoties. Hoornaar 1983.

Spijkerboer, A.A. Gereformeerd of knettergek. Kampen 1987.

Verhagen, P.J. Het psychohygiënische aspect van de gereformeerde traditie, in: Theologia Reformata, jrg. 32, nr. 1, maart 1989, 5-22.

Zijlstra, W. Op zoek naar een nieuwe horizon. Handboek voor klinisch pastorale vorming. Nijkerk 1989.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.