+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

8 minuten leestijd

26

Nauwelijks was het lied geeindigd of er werd aan de deur geklopt en toen de deurwachter open deed, ziet, daar was Stoutmoedig. Hoe groot was de blijdschap van alien toen zij hem zagen! Want dit bracht hun weder te binnen hoe hij slechts kort geleden de oude Bloeddorstig had verslagen en hen van de leeuwen had bevrijd. Toen zei Stoutmoedig tot Christinne en Barmhartigheid: „Mijn Meester heeft nog voor ieder uwer een fles wijn, enig geroost koren en enige granaatappelen meegegeven, en tevens voor de jongens enige vijgen en rozijnen, tot verkwikking op uw tocht!” Hoe wonderlijk toch is het Gods zorgende liefde te mogen ontmoeten en te proeven in het geloof. Hij weet wat de pelgrims nodig hebben, en dat zij zwak van moed en klein van krachten zijn. De stoutmoedigheid van het geloof kan op deze reis met al zijn zorgen en gevaren niet gemist worden. In deze heilige stoutmoedigheid mag het hart op de Heere vertrouwen en dan is het sterk in Hem.

Toen de vrouwen nu gereed waren om te vertrekken, deden Voorzichtigheid en Godsvrucht hen uitgeleide. Bij de poort van het huis gekomen, vroeg Christinne de deurwachter of er kort te voren ook iemand was voorbij gekomen. Hij zei: „Neen, maar wel kwam er enige tijd geleden iemand voorbij, die mij zeide, dat er kort geleden een brutale aanranding had plaats gehad op des Konings heirweg, die gij gaat. „Maar”, voegde hij er bij, „de rovers zijn gevat en hun rechtmatige straf zullen zij niet ontgaan”. Toen waren Christinne en Barmhartigheid bevreesd. maar Mattheüs zei: „Moeder, vrees niet, zolang Stoutmoedig bij ons is als onze leidsman”.

Nu wendde Christinne zich tot de deurwachter en zei: „Ook u ben ik zeer verplicht voor al de vriendehjkheid, die gij mij, sinds mijn komst alhier, hebt betoond, en ook voor de goedheid aan mijn vriendin en mijn kinderen bewezen. Ik kan uw vriendehjkheid niet vergelden. en daarom verzoek ik u deze penning als aandenken te willen aannemen”. Dit zeggende legde zij een goudstuk in zijn hand; hij nam het welwillend aan en sprak: „Laat uw klederen te alien tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. Leve Barmhartigheid eeuwiglijk en laten haar werken vele zijn!” En tot de knapen zei hij: „Vliedt de begeerlijkheid der jonkheid. en jaagt met de wijzen en vromen naar godzaligheid, zo zult gij het hart uwer moeder verblijden en door godvruchtigen worden geprezen!” Zij betuigden de deurwachter hun dank voor deze heilbede en vertrokken.

Zo hebben wij van verschillende kanten de onderhouding van de gemeenschap der heiligen mogen aanschouwen. Zij is, al is zij eeuwen oud, nog niet koud. Hier geldt het niet: „Oud en koud”, want de warmte van de innige liefde, waarin de liefde van Christus uitstraalde, werd van dag tot dag en van kamer tot kamer gevoeld.

Zo was het toen en zo is het nog, al komt dat in onze boze tijd maar sporadisch voor, maar zij is desniettemin van dezelfde aard en natuur. Dat ontmoeten van elkander in de Heere moest met meer ernst gezocht worden en dat zou voor ons kerkelijk leven echt niet schadelijk zijn, doch veeleer profijtelijk.

Verder zag ik, dat zij voortgingen tot zij boven op de heuvel waren gekomen waar Godsvrucht eensklaps uitriep: „Zie, ik had u iets widen meegeven voor de reis en nu heb ik het vergeten. Ik loop snel terug om het te halen”. Terwijl zij zich huiswaarts spoedde, scheen het Christinne toe als hoorde zij in een bosje niet ver daar vandaan welluidende tonen weerklinken in de volgende woorden:


’k Ontving mijn ganse leven door
Zo mild Uw gunstbetoon,
Dat, Heer’, Uw huis nu voor altijd
Mij wezen zal ter woon.


Terwijl zij stond te luisteren, hoorde zij hoe van een andere zijde deze woorden zich als tegenzang aansloten bij de eerste:


Want goedertieren is de Heer’;
Zijn goedheid eindigt nimmermeer,
Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht
Tot in het laatste nageslacht.


Christinne vroeg aan Voorzichtigheid wat dat voor liefelijke tonen waren en wie dat lied zongen. „Dat zijn”, antwoordde deze, „de vogels dezer streek. Zij zingen slechts zelden zo schoon als nu, tenzij in de lente, als de bloemen open gaan en de zon met haar heerlijk schijnsel de aarde verkwikt, dan kunt gij ze de gehele dag horen. Ik ga dan dikwijls naar buiten om naar hen te luisteren en ze zijn zo mak, dat wij ze gemakkelijk in huis kunnen wennen. Ze zijn voor ons een opwekkend gezelschap en in menig droevig uur kunnen zij ons door hun liefelijk gezang verkwikken!” Van die vreugde mocht de bruid ook iets genieten toen haar Liefste sprak: „Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom! Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan; de bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land!”

Intussen was Godsvrucht teruggekomen en zei tot Christinne: „Zie eens, ik heb hier voor u een tekening meegebracht van alles wat gij in ons huis hebt mogen aanschouwen. En als gij in de verzoeking mocht komen te vergeten wat u altijd voor ogen moest staan, laat dit u dan tot troost en stichting mogen zijn”.

Iets vergeten, en iets uit de herinnering, uit het geheugen te verliezen, dat kan voor het geestelijke leven van grote betekenis zijn, want de Schrift zegt: „Hoor o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis, zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid”. Maar als het goede vergeten wordt, dat de Heere gaf te genieten in het paleis Liefelijkheid, dan zou dat tot grote schade van het geestelijke leven zijn. Ons hart mag wel gesteld zijn op de indachtigmakende werkingen van de Heilige Geest om de weldadigheden des Heeren niet te vergeten. En daarom gaf Voorzichtigheid een tekening mee aan deze pelgrims om de tekenen en bewijzen van de goedertierenheid des Heeren niet te vergeten. Daar moet gedurig in een ootmoedige erkentelijkheid aan gedacht worden tot verbinding aan de Heere en aan Zijn volk. Nu begonnen zij de heuvel af te dalen tot in de vallei „Verootmoediging”. De helling was zeer steil en de weg glibberig; maar zij zagen nauwlettend toe en kwamen zonder ongeval beneden. Toen zij daar gekomen waren, zei Godsvrucht tot Christinne: „Dit is de plaats waar de Pelgrim, uw echtgenoot, de kwaadaardige Apollyon ontmoette en waar zij die vreselijke strijd hadden, waarvan ge stellig moet gehoord hebben. Maar wees goedsmoeds! Zolang gij iemand als Stoutmoedig tot gids en leidsman hebt, hopen wij dat gij het er beter af zult brengen”. En nu bevalen deze twee de pelgrims nogmaals in zijn zorg aan, waarop hij voor hen uitging en zij hem volgden.

Toen zei Stoutmoedig: „Wij behoeven in deze vallei niet zo bevreesd te zijn, want er is niets dat ons kan schaden, tenzij wij het ons zelf berokkenen. Het is waar, de Pelgrim had hier een zware strijd te voeren met Apollyon, maar die kamp was een gevolg van zijn veelvuldig uitglijden toen hij de heuvel afdaalde, want hoe meer misstappen, des te zwaarder de strijd. En daarnaar draagt de vallei dan ook haar naam! Zodra de grote menigte hoort, dat deze of gene hier iets vreselijks is overkomen, geven zij daarvan altijd de schuld aan deze plaats, terwijl ze vergeten dat eigen schuld er menigmaal de oorzaak van is. Deze Vallei der Verootmoediging is op zichzelf een plaats zo vruchtbaar als er maar ergens een te vinden is en ik ben overtuigd, dat, als wij goed opietten, wij wel enig gedenkteken zullen vinden, dat ons verklaart waarom de Pelgrim het in deze plaats zo hard te verantwoorden had”.

Deze Vallei der Verootmoediging is een vallei waarin de heerlijkheid des Heeren aanschouwd wordt. Toen Ezechiel in gehoorzaamheid aan het bevel des Heeren in deze vallei kwam, mocht hij de heerlijkheid des Heeren aanschouwen en Zijn stem horen. En door dat gelovig zien en horen worden wij opgeroepen tot verootmoediging. Maar dat kan alleen door bekleed te zijn met ootmoed en dat is vervuld te zijn met hoge gedachten van de Heere en lage gedachten van zichzelf. Uit kracht daarvan zoekt het hart zich steeds dieper te verootmoedigen voor de Heere. Het wonder, dat de Heere met ons te doen wil hebben door vriendelijk en ontfermend op ons neder te zien, wordt dan steeds groter. In dat leven is het hart bijzonder afkerig van alle zelfverheffing. Maar wordt in dit dal de verootmoediging niet gezocht, dan stelt men zichzelf in groot gevaar, zodat wij de zegen van dit dal er door veranderen in een grote verschrikking.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.