+ Meer informatie

WEERGAVE VAN DE DISCUSSIE

5 minuten leestijd

Toen iedereen na de inhoudsvolle ochtend weer wat op adem was gekomen, de ‘inwendige’ mens had versterkt, en weer in de kerkzaal van de Ichthuskerk een plaats had gezocht, kwam de gelegenheid voor het verder doordenken - in woord en wederwoord - van de inleiding van prof. Maris. Daartoe was al vóór de middag een aantal vragen op zijn bordje gelegd.

Prof. Maris zette in met de gedachte dat het ons blijkbaar allemaa! moeilijk valt de toekomst van de kerk in het oog te krijgen: dan komen we immers de spanningen in de kerk en de angst daaromheen weer tegen. Kunnen we daar nog wel uitkomen? Daarvoor zal in ieder geval een diepere peiling van de problemen nodig zijn.

Neem nu het punt van de ‘verschuivingen in de prediking’ inzake de beleving van het heil. Die is er wel degelijk. In de Chr. Geref. Kerken ligt een sterke nadruk op het werk van de Heilige Geest, zó, dat aandacht gevraagd wordt voor de beleving van het heil door de enkeling. De vraag hoe ver wij daarmee zijn blijft van groot belang, maar mag nooit betekenen dat de Heilige Geest meer in dienst daarvan zou staan, dan dat hij bezig is op Christus te wijzen. Daarover moeten we meer in de kerken met elkaar spreken: ‘Hoe staat het met Christus en ons?’

Vanuit de zaal werd op dit moment de vinger gelegd bij het feit dat niet altijd de prediking onder ons inhoudelijke scherpte heeft; soms komt men vlakke, beschouwende prediking tegen, traditioneel of modern, maar zonder bezieling. Er dient in de bijbelse zin van het woord bevindelijk gepreekt te worden, in eigentijdse woorden, staande in déze tijd. Niet in algemeenheden, maar geconcretiseerd. Zouden we vanuit de verschillende ‘hoeken’ van onze kerken daarover nog met elkaar kunnen spreken? Ook als dat spanning geeft? Dat zal heel noodzakelijk zijn als het over onze toekomst gaat. Tegelijk - zo werd uit de zaal er aan toegevoegd - zullen we de liefde tot de ander moeten zoeken en voeden. Zo komt er een ontmoeting werkelijk voor Gods aangezicht. En ook klonk de hartenkreet: het moet eindelijk van woorden tot daden komen in dit opzicht.

Op dit stuk van zaken zullen we veel zelfverloochening moeten kennen. Willen we elkaar in de kerken echt ontmoeten? We hebben samen een ‘hoge identiteit’: de norm van Schrift en belijdenis; dan moeten we toch de verschillen in onze ‘lage identiteit’ (omgang met bijbelvertalingen, contacten met andere kerken, praktijk van het lied) in elkaar kunnen dragen?

Op dit stuk van zaken werd doorgesproken over de binding die wij elkaar opleggen terwille van de eenheid van de kerken. leder was het erover eens dat we elkaar dienen te binden aan Schrift en belijdenis; zo gebeurt het concreet ook in het formulier dat de ambtsdragers ondertekenen bij het begin van hun dienst in de kerken. Bij dat formulier hoort echter ook de binding aan de kerkorde. Niet ieder was ervan overtuigd dat deze binding op alle elementen bijbelse wortels had: er zijn toch (sommige) artikelen in de kerkorde die evenzogoed anders zouden kunnen luiden? Is er ruimte voor onderling verschillende praktijken t.a.v. het kerkelijk lied? De inleider, prof. Maris, lief weten dat er zeker sprake is van ‘verschil in overtrading’: een kerkelijke vergadering zal heel anders omgaan met een andere visie op de doop dan met een andere visie op de praktijk van het lied. Niet voor niets heeft onze generale synode een deputaatschap ingesteld dat deze dingen eens op een rij moet gaan zetten. De synode zoekt trouwens in deze - en in andere - zaken altijd weer de basis van de kerken. Haar uitspraken zullen slechts gezag hebben op de worsteling met het Woord van God; dat zal voelbaar dienen te zijn. ledere vorm van machtsdenken zal uitgebannen dienen te worden.

Een ander punt in de discussie betrof de wijze waarop we elkaar een blik in ons hart gunnen rond de gehoorde prediking. Dat kan een geestelijke band geven die andere, bijkomende, zaken in een milder licht doet zien. We lijden wat dat betreff soms aan een ‘auto-immuunziekte’ in de kerken. Bidden en werken zal ook hier gelijk op moeten gaan. Spreken we elkaar echt als echo op het verkondigde woord? Het evangelie moet vlees en bloed worden in ons leven. En gaat er vervolgens een getuigenis uit naar de wereld? Het Hoofd wil immers via zijn lichaam present zijn in deze wereld? We moeten altijd weer terug naar de enige die recht van spreken heeft in de kerk: de Here.

Op dit punt ligt er tevens een lijn naar de jeugd van de gemeenten. Het is van groot belang dat zij de vreugde en de liefde zien die we tot elkaar hebben. Dat zal aanstekelijk werken en zo zal het werk van de Here ook onder ons verder kunnen gaan. Tot de dag van zijn grote heerlijkheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.