+ Meer informatie

Gebedenboek 1662 in Engelse kerk

PARLEMENT WIL INVOERING

3 minuten leestijd

LONDEN — De wens van Lord Hailsham, de Britse opperrechter en lid voorzitter van het Hogerhuis, om het wetsvoorstel waarin staat dat één keer per maand het gebedenboek uit 1662 in de Anglicaanse kerk moet worden gebruikt niet te steunen, werd afgelopen woensdag in het Hogerhuis niet ingewilligd. Het Hogerhuis nam het voorstel aan. De achtergronden daarvan zijn — zoals vorige week vermeld — van politieke aard.

Ook in het Lagerhuis werd over dit wetsvoorstel gestemd en daar ook werd het met een meerderheid van 22 stemmen aangenomen. De regering is echter tegen dit initiatiefwetsvoorstel en daarom is de kans klein dat het voorstel een wet wordt. De voorstanders van het gebruik van het gebedenboek waren verheugd over het in het parlement bereikte resultaat.

Lord Hailsham vertolkte het regeringsstandpunt dat in normale gevallen de regering een neutraal standpunt innam ten aanzien van initiatiefwetsvoorstellen van leden van het parlement. Bij dit voorstel, was dit volgens Hailsham niet mogelijk, omdat het grondwettelijke gevolgen zou hebben. De regering kon het daarom niet aanbevelen.

Universiteit
De indiener van het voorstel in het Hogerhuis, Lord Sudeley, verklaarde dat de jongere dominees over het algemeen voorstander waren van het gebedenboek in de nieuwe vertaling omdat ze niet dat uit 1662 niet tijdens hun studie aan de universiteit vertrouwd zijn gemaakt. In het Lagerhuis liet Lord Grambmore zich in dezelfde geest uit, volgens hem werd op sommige theologische colleges het gebedenboek uit 1662 helemaal niet meer gebruikt. Hij omschreef het gebedenboek uit 1662 als ,,een van de wonderen van de Engelse literatuur", Alhoewel kerkleiders, volgens hem, niet het gebedenboek wilden afschaffen, kwam het op veel plaatsen voor dat men het helemaal niet meer gebruikte in de kerk.

Tegen het voorstel was in het Lagerhuis de vertegenwoordiger van de Anglicaanse kerk, William van Straubenzee. Volgens hem had de taal van Granmore en de zestiende eeuwse hervormers niet meer die betekenis als ze voor vroegere generaties had. Hij was dat nagegaan bij de veertien theologische colleges van de Anglicaanse kerk. Bij vier gebruikte men het niet meer, bij vier andere werd het af en toe gebruikt en bij zes gebruikte men het regelmatig. In de afgelopen jaren had het parlement zich meer en meer afzijdig gehouden van kerkelijke zaken. Daarom, zou aldus Van Straubenzee, het wetsvoorstel een inbreuk op die gewoonte betekenen.

Niet aangepast
In het Hogerhuis verklaarde de bisschop van Durham — die lid was van de commissie die de nieuwe vertaling van het gebedenboek heeft vastgesteld — dat bij de vaststelling ervan er zorgvuldig opgelet was dat het wezen van het oude gebedenboek niet aangetast werd door de moderne versie. Hij gaf echter wel toe dat de generale synode van de Anglicaanse kerk een rommel had gemaalct van het ,,Onze Vader", Volgens hem was het nu het slechtste van alle woordcombinaties die maar mogelijk waren en men zou er daarom nog veel tijd aan moeten besteden. Toch vroeg hij om terugtrekking van het wetsvoorstel.

Volgens Lord Sudeley was het erg moeilijk voor een van zijn financiële verantwoordelijkheden bewuste dominee om het gebedenboek uit 1662 te kopen, als er twintig procent korting wordt gegeven op de nieuwe vertaling ervan. Toch zou de kerk het „oude" een keer in de maand moeten gebruiken als twintig belijdende leden hiervoor waren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.