+ Meer informatie

PASTORALE ZORGEN RONDOM ZELFDODING

12 minuten leestijd

Niet alleen in onze dagen, ook vroeger werd een gemeente wel eens opgeschrikt door een daad, waarbij iemand zichzelf het leven benam. Men schrok er inderdaad van. Het was huiveringwekkend. Allerlei beschouwingen en vragen werden opgeroepen. Meestal overviel zo iets de gemeente. Niemand had het zien aankomen. Binnen de gemeente ging het tegen alle verwachtingen in. Hoe kon iemand, die wist dat met de dood niet alles uit was, maar dat er na dit leven het oordeel voor de rechterstoel des Heren kwam, toch tot zo iets komen? Je moest dan wel heel erg ver van het christelijk geloof verdwaald zijn! Zelfs de angst voor de dood was verdrongen door de angst voor het leven! En veler mening stond vast: het was duidelijk dat zo iemand voor eeuwig verloren was. Deze zonde was immers niet meer als schuld beleden, de genade-tijd was onherroepelijk voorbij. En bovendien: God kon zijn kinderen wel eens door diepe dalen leiden, maar loslaten deed Hij hen niet. Nooit zou Hij het zover laten komen dat zij tot deze daad kwamen. Was de bedrijver een belijdend christen geweest, of misschien een ambtsdrager, dan bleek nu toch maar dat hij zich en anderen bedrogen had in zijn hoop op het eeuwige leven.

Wat bleef er voor de pastor (ouderling of predikant) en voor de gemeente anders over dan met des te groter ernst ieder te vermanen hoe men zich vergissen kon inzake zijn eeuwig heil en vooral niet te spoedig te menen dat men in Christus geborgen was, en verder enige medelijdende aandacht te schenken aan de achtergebleven familie en vrienden? Medelijden, want troost was er niet bij. Die familie kreeg dan bovendien wel te maken met een zekere maatschappelijke verachting: het was genant voor haar, een zekere smet bleef lange tijd op haar rusten. Ik heb het zelf nog meegemaakt dat, toen een oude broeder zich door verdrinking van het leven had beroofd, zijn dochter en schoonzoon weigerden hem mee te begraven, want „hoe zouden de mensen hen wel aankijken?”

Er zijn intussen wel enige dingen veranderd.

Zo heeft b.v. de ontwikkeling van de psychologie en de psychiatrie de vraag naar het waarom trachten te beantwoorden. Waar kwam die angst voor het leven vandaan? Was het wel allemaal zo onverwacht? Of waren er symptomen aan te wijzen die zo’n daad aankondigden, welke symptomen dan onopgemerkt waren gebleven? Ontdekt werd, dat het soms vreemd kon toegaan bij zo’n daad. B.v. iemand sprong in een gracht, maar nog tijdens zijn sprong riep hij gillend om hulp. Zijn geestelijke toestand leek op een opgeblazen ballon, maar de sprong zelf was als een speld die de ballon doorprikte en ineens de spanning wegnam, zodat de lust om te blijven plotseling terugkeerde. Echter, de ontspanning was van tijdelijke aard, en een tweede poging mislukte niet. Soms bleek iemand vóór zijn daad grote bezorgdheid over de toekomst van zijn gezin te hebben gehad en alles gedaan te hebben om de zijnen voor de schande en schade ervan te hebben willen behoeden. Een heel enkele maal doodde hij eerst de zijnen om daarna de hand aan zichzelf te slaan, als hij tenminste er nog de „spanning” voor had. Soms waren er duidelijke oorzaken aan te wijzen, b.v. een onontkoombaar faillissement, het aan de dag komen van een tot dusver gecamoufleerd zondig leven, dus vrij acute toestanden. Maar soms ook bleek iemand, die alle aards geluk kende, die bezig was van een ziekte te genezen, toch naar de daad van zelfdoding te zijn heengegroeid. Hoe kon dit? Had de omgeving onbewust en ongewild eraan meegewerkt? Waar kwamen overspannen toestanden vandaan? In hoeverre was er eerder sprake van ziekte dan van schuld? En was iemand eerder slachtoffer dan dader?

Voorts is te noemen dat de huivering voor de dood plaats maakte voor een koele, soms langdurige berekening van de levens- en gelukskansen. Het niet meer geloven in God en het naderend oordeel maakte hiervoor ruimte. Ik weet van mensen, die in alle nuchterheid tijdens een internationale politieke spanning voor hun hele gezin, kleine kinderen incluis, de dodende pillen hadden klaarliggen om die bij een werkelijk conflict toe te dienen. Elk ziekenhuis weet van het bedrog dat patiënten plegen door de dagelijks verstrekte slaappil niet te slikken, maar zo lang op te sparen tot zij een dodelijke hoeveelheid hebben vergaard. Soms gaan patiënten hierbij met langdurig overleg te werk. Hun plotselinge dood verrast al het verplegend personeel. Geen enkel symptoom van angst of levensmoeheid had men ontdekt, en toch…………..

Al heb ik geen duidelijke overzichten, ik heb de indruk dat het aantal gevallen van zelfdoding toeneemt. Sommige trajecten van de spoorwegen zijn berucht, evenals sommige hoge gebouwen, waar deze gevallen plaatsvinden.

De huivering verdwijnt mede door de gewenning. Het is geen uitzonderlijk geval meer. We „moeten ermee leren leven”, dat is: in plaats van de schrik komt de neutrale constatering dat deze vorm van levensbeëindiging een „normale” plaats krijgt in ons maatschappelijk bestel.

Wat vraagt deze verandering van de pastor?

In dit artikel wil ik voorbijgaan aan verschillende pogingen om onze theologie aan te passen bij de veranderde toestand. Ons uitgangspunt ligt in de Schrift.

Enerzijds zegt deze Schrift nergens dat ieder die tot zelfdoding komt, per se voor eeuwig verloren is. Dat hebben mensen ervan gemaakt, maar zij gingen daarbij verder dan de Schrift, wellicht in een behoefte om te oordelen, een oordeel dat alleen aan de Here Zelf toekomt.

Maar anderzijds is duidelijk dat de daad van het eigenmachtig beëindigen van ons leven geheel ingaat tegen hetgeen de Schrift ons openbaart. Terecht wordt door ons beleden dat ons leven niet van onszelf is. Het is door God ons geschonken. We zijn niet door onze ouders en ook niet door onszelf op de wereld gezet. Dat leven is een wonderbaar maaksel van Hem die alleen leven geeft, en we blijven ervoor verantwoordelijk tot het Hem belieft het ons te ontnemen. Het zelf beëindigen ervan is een ingreep in de rechten die God in eigen handen houdt. Er worden in de Bijbel mensen genoemd die maar al te graag van hun aards bestaan af willen, en het zijn niet de minsten: Job, Elia, Jeremia. Zij baden erom, maar God verhoorde deze bede niet. Zij moesten op Zijn beslissing wachten. Gods recht als Schepper, maar ook - als versterking ervan - Gods werk als Verlosser, in Jezus Christus, toont ons dat Hij al Zijn macht „geïnvesteerd” heeft om ons te doen leven, eeuwig en zalig. Dit eigenmachtig onderbreken is ten diepste onszelf het recht om te oordelen toeschrijven, het in eigen handen nemen wat alleen in Gods handen liggen kan. Dit gaat tegen al Gods bedoelingen met ons, tegen Zijn wetten en beloften en werken in.

Het zal dan ook de taak van de pastor als dienaar van God zijn dit te verkondigen. De heilige huivering voor het kwaad van zelfdoding als daad, maar ook als blijk van geestelijke verwording door de verdorvenheid vanwege de zonde moet worden opgewekt. Een waarlijk schriftuurlijke prediking (inclusief elke vorm van onderwijzing en onderlinge meningsvorming in de gemeente) kan hiervan niets afdoen: de Here Zelf wordt hier aangetast in Zijn rechten en werken! Een heilige huivering, geboren uit een heilige eerbied voor de God des levens.

Maar deze pastorale taak wordt niet volbracht met prediken en meningsvorming alleen. Een pastor (= herder) moet ook waken en zoeken, dus: letten op elk schaap dat dreigt te verdwalen en om te komen. Heel individueel. Men denke aan de gelijkenis van de Goede Herder, Johannes 10. Het gaat om te behouden wie dreigen onder te gaan.

En daarbij kunnen we van de psychologie en psychiatrie wel iets leren, dacht ik.

In de eerste plaats zal de pastor (nogmaals: nietalleen de predikant, maar ook de ouderling, en de leden van de gemeente voor elkaar) de ogen open moeten hebben. Scherp opletten om tijdig gealarmeerd te worden, en eventueel anderen te alarmeren.

Dat is geen kleinigheid. Men rekene er niet op dat iemand, die tot zelfdoding wil komen, dit direct gaat zeggen. Hij ziet het zelf ook niet direct. En hij heeft de neiging niet om er over te spreken, maar integendeel, om er over te zwijgen, juist en vooral tegenover de medechristen, van wie hij weet dat deze hem met alle macht van zijn voornemen wil afbrengen. De pastor moet eigenlijk door iemand heen kijken, door zijn woorden heen horen. Dat kan niet altijd. Wanneer en hoe spreekt iemand over de waardeloosheid van zijn leven? We bezigen wel eens uitdrukkingen die mij doen schrikken, al beseffen we soms zelf niet wat we zeggen. B.v. „liever dood dan rood” en dergelijke. Welke mentaliteit kweken we daarmee? En stel dat iemand dit nu eens heel serieus van ons overneemt. Er verbreidt zich in onze tijd een vreselijke levensangst. Zelfdoding komt nogal eens voor onder studenten. Lange tijd hebben zij de veiligheid van de school gekend. Maar nu komt de maatschappij op hen af en zij kunnen die niet aan. Er is zoveel uitzichtloosheid: werkloosheid, jarenlang, vanwege een overvolle markt; keiharde commercialiteit in plaats van collegiale kameraadschap. En juist dan komt de vraag: wat heeft het alles voor zin? De moedeloosheid wordt een complex.

Pastoraal zorgen is: verstaan in welk een leegte men terecht kan komen. Zo zijn er ook de oudere werklozen. Wat moet je met je leven als je totaal overbodig bent? Wat moet je met jezelf als je merkt dat door jouw schuld, door jouw karakter en je fouten je mooi begonnen huwelijk stuk loopt? Wanneer je jezelf moet beschuldigen dat je kinderen de verkeerde kant op gaan?

Dagelijkse problemen. En ga dan maar eens troosten met de enige troost in leven en in sterven! Het lijkt onzin, maar we hebben niets anders. Ja, toch maar proberen, verwachtend de zegen des Heren. Maar als dan die ander zo onbereikbaar wordt? Ja juist, die onbereikbaarheid! Die maakt het zo moeilijk, zó moeilijk dat de pastor zijn eigen onmacht zwaar gaat beseffen. Hoe kan hij niet slechts spreken (dat als gepraat overkomt), maar ook werkelijk helpen? Meezoeken naar uitkomst? Met minder gaat het niet, als werkelijk het leed van de ander òns leed is. En dan kan duidelijk worden dat de ander in een cirkeltje van denken is terechtgekomen, waaruit wij hem niet los krijgen. Het piekeren begint. De levensangst groeit. Dan moet de pastor hulp zoeken bij deskundigen. Want die ander doet zo „vreemd” in zijn onbereikbaarheid. Bij welke deskundigen? Zo mogelijk eerst bij de eigen omgeving: ouders, echtgenoot, collega’s van de geestelijk zieke. Maar wel voorzichtig: maak je in de ondeskundigheid geen loos alarm? Of hebben zij dezelfde ervaringen? Moet de weg naar huisarts en psychiater worden aanbevolen? En moet uiteindelijk erop worden aangedrongen dat iemand tegen zijn wil wordt opgenomen in een inrichting? Om hem tegen zichzelf te beschermen? Geen pastor schame zich te erkennen dat hij aan de grens van zijn weten en kunnen is. Maar dat is niet de grens van zijn dienst. Meeleven, ook als machteloze helper, in voortdurende belangstelling en ontmoeting, in gebed en voorbede, al kost dit heel veel tijd, al betekent dit meelijden, is nodig. Met hem, die zelf zich afvraagt: wat is mijn leven waard?, laten voelen: jouw leven is mij al die moeite waard, want werkelijk, jouw leven is onze God alle moeite waard!, wat is dat anders dan het Evangelie, de „wet” van Christus?

De pastor zal niet alleen het oog moeten houden op degene die zichzelf bedreigt, maar ook op zijn omgeving. Die wordt toch ook bedreigd! Door onbegrip, door achteloosheid, door egoisme. Die staat vaak even machteloos voor die onbereikbaarheid. Men „begrijpt” elkaar niet meer, men „grijpt” elkaar niet meer, elk begrip vóór en elke grip òp elkaar raakt men kwijt. De liefde achterhaalt de onbereikbare niet meer. Hoe moet je dàn liefhebben? Ook daar is begrip en meeleven en -lijden van de zijde van de pastor van het hoogste belang.

En als alles vergeefs is? Als toch - altijd onverwachts - de zelfdoding plaats vindt? Dan zijn wij de verliezers met de verliezers samen. Want de geslagen familie vraagt om ons, om ons helemaal. De wonden schrijnen heel lang na, ze kunnen telkens weer openbreken, een litteken blijft er altijd.

Soms komen er zelfverwijten: had ik maar beter begrepen, had ik maar meer trouw getoond, had ik maar beter gehandeld. En niets is funester dan echte schuld wegpraten. Die raken we alleen maar door vergeving kwijt, niet door een of andere verklaring of „begrip”. Maar ingebeelde schuld mag worden weersproken, want niemand kan handelen naar een wijsheid die hij niet heeft (over „gekoesterde” schuldgevoelens hebben we het nu maar niet, geestelijk masochisme is afschuwelijk). Het leven mèt die wond, mèt dat litteken, moet worden opgezocht, bewaakt, en thuisgebracht worden, als het verloren schaap. Want God acht ook dat leven de moeite van verlossing waard. Dat is toch het Evangelie?

Voor een gelovige is de vraag naar eeuwig wèl en wee, ook van de gestorvene, onontkoombaar. Er is dan toch maar geschreven: „eenmaal sterven en daarna het oordeel”. Hoe zit dat met die dierbare zelfdoder? Was hij werkelijk geestelijk zo ziek, dat hem deze daad niet valt toe te rekenen? Wat we gaarne zouden willen geloven, kunnen we ons zelf gaan suggereren.

Laat de pastor ervoor waken om zelf te doen wat het werk van de Heilige Geest is. Zoals hij bijtijds de hulp van een aardse deskundige moet inroepen, zo zal hij ook bij deze geweldige vragen het aan de Heilige Geest overlaten om op Zijn eigen wijze hier licht te schenken. Maar wèl zal hij het oog mogen richten op Hem, aan Wie we ook onze onbeantwoorde vragen mogen overdragen, de God en Vader van onze Here Jezus Christus. Dat kan betekenen: jarenlang pastoraat!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.