+ Meer informatie

Hoe staan we heden tegenover het getuigenis van 1953?

6 minuten leestijd

Na bespreking van de instructie van het de P.S. van het Zuiden gaf de Synode van 1953 een commissie de opdracht tot opstelling van een concept-getuigenis. In de commissie hadden zitting: ds. P. de Smit, ds. G. Bilkes, ds. M. Baan, ds. W. Kremer, oud ds. G. Wisse, Prof. L. H. v. d. Meiden. Na enkele redactionele wijzigingen werd het concept-getuigenis unaniem aanvaard en besloot de Synode het te doen uitgaan tot al de kerken (art. 130 acta Synode). Aan de kerken werd verzocht om dit Getuigenis op Zondag 20 September van de kansel te doen voorlezen. Een goed geformuleerd en geargumenteerd getuigenis deed de Synode horen, hetwelk de bedoeling van de instructie van de P.S. van het Zuiden en het rapport van de Classis Dordrecht weergaf. Alle synodeleden hebben hun instemming met het Getuigenis betuigd.

Wanneer U het Getuigenis met aandacht gelezen hebt, dan hebt U vernomen, dat alle leden diep onder de indruk waren van de ernst der huidige geestelijke situatie in onze Kerken en verontrust over de hier en daar zich voordoende verschijnselen van inzinking, vervlakking en zelfs van tegenstand ten opzichte van de praktijk der godzaligheid. Geconstateerd werd een verslapping van de ernst in de behandeling van de toebetrouwde zielen. Men riep op om op en onder de kansel en in al de ambtelijke arbeid diep doordrongen te zijn van het tijdelijk en eeuwig wel, zowel der bekeerden als der onbekeerden, opdat toch vooral het onderscheidend, ontdekkend, onderwerpelijk en bevindelijk element in de prediking, catechisatie, huisbezoek etc., krachtig aanwezig zij. Verschillende elementen worden verder genoemd, die in de prediking niet mogen ontbreken. Elementen tot ontdekking van de zondaar en tot onderwijs in het geestelijke leven.

In de prediking moet uitkomen het souvereine genade-werk Gods in Christus. Het werk van God voor en in de zondaar door de Heilige Geest. Er moet een prediking zijn van zonde en genade. Een prediking van de noodzakelijkheid der wedergeboorte. Van bekering. Van het leven door Gods genade, uit de Drieënige, verzoende en genaderijke Verbonds-Jehovah. Een prediking waarin uitkomt, wat het vrezen van de Heere is. Een prediking, waarin verkondigd wordt, dat het noodzakelijk is, dat we in de bevindelijke weg leren, dat we God kwijt zijn en van nature in een verbroken werkverbond liggen, dood door zonden en misdaden en we alleen door een oprecht geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig kunnen worden. Door zulkeen prediking zal dan ook de toegang tot het Heilig Avondmaal zowel worden beperkt, als ook op goede gronden ontsloten. Al deze zaken treffen we in het Synodaal Getuigenis aan. Zaken, waarmede wij zelf van harte instemmen. Toen dit Getuigenis tot de kerken kwam was het 1953 en nu is het 1973. We leven dus twintig jaar verder. Wanneer we nu luisteren en lezen, luisteren, naar hetgeen gehoord wordt en lezen, hetgeen gepubliceerd wordt dan vragen we ons wel eens af, wat heeft dit Getuigenis gedaan in onze kerken. Met deze opmerking generaliseren we niet. Er wordt nog gepreekt en gewerkt naar het Getuigenis aangeeft. Toch valt er een teruggang te constateren. De vervlakking is toegenomen en de schriftuurlijk-bevindelijke prediking is op retour. Dit moet met droefheid geconstateerd worden. Hierin ligt o.i. ook de diepste oorzaak van de verdeeldheid, die er is in de kerken. Er is geen eenheid meer in de prediking. Wanneer alle predikanten honoreerden in hun prediking, wat het Getuigenis aangeeft, dan zou er eenheid zijn. Die eenheid zou ons kerkelijke leven ten goede komen en er zou van onze kerken veel uitgaan in kerkelijk Nederland.

Een wezenselement van onze kerken is altijd geweest, de schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Die prediking trok aan, vandaar dat in het verleden zich zovelen bij de kerken hebben aangesloten. Die prediking deed, door Gods genade, zijn kracht in harten van mensen. Wanneer heden zulkeen prediking ontbreekt, dan breekt men met het verleden. Nu kan opgemerkt worden, maar er zovele zaken, die heden onze aandacht moeten hebben, waarvan men in het verleden niet wist. Of dit geheel waar is, geloof ik niet. Er is uiteindelijk niets nieuws onder de zon. In Gods Woord en de historie der kerk kunnen we vinden, wat we heden in de kerken, in kerkelijk Nederland horen. Het huidige tijdsbeeld en de ontwikkeling in Nederland, ook op kerkelijk gebied, zou ons des te meer moeten nopen om met Gods hulp, krachtiger te prediken. Schriftuurlijk-bevindelijk. Die prediking is niet ouderwets. Die prediking is de oude prediking. Een prediking naar Gods Woord. Een prediking, die ook doorklonk in de prediking van de reformatoren. Een prediking, die we vernemen uit de preken van de mannen der nadere reformatie. Een prediking, die zijn kracht heeft gedaan in de dagen van de afscheiding. Wil onze kerk, willen onze kerken nog toekomst hebben, zal die prediking verkondigd moeten worden. Waar de bevindelijke kennis van Gods Woord niet gepredikt wordt, vervreemdt de gemeente van het Evangelie. Daar wordt de „verborgenheid des Heeren” niet meer verkondigd en zien we, dat waar eerst een bloeiende gemeente was een gemeente komt, zonder leven uit en door de Geest. Met het wegsterven van de bevindelijke prediking en het bevindelijke leven der gemeente, gaat de kerk inzinken. Want daar ontbreekt de toepassing van de H. Geest. Daar gaat de kerk ook onder in de wereld of neemt de wereld almeer intrek in de kerk. Daar wordt gezien een verwereldlijkt christendom. Een christendom geïnfecteerd door de tijdgeest. Daar is dan ook geen geestelijke onderscheidende kennis meer en aanvaardt men in de kerk als gelovigen, wie dat niet zijn. Terecht werd eens opgemerkt: „Niet het objectieve Woord zonder de toepassing, de schriftuurlijke toepassing, houdt de kerk in stand, maar het Woord met de daarop volgende innerlijke beleving van het objectieve Woord”. Onze kerken worden niet gediend met geleerde of actuele preken, maar met een eenvoudige, duidelijke vertolking van Gods Woord. Een prediking, waarin het menselijk hart in zijn verhouding tot Gods wet en Zijn genade wordt blootgelegd en getuigend vertolkt wordt de noodzakelijkheid van hartelijke kennis der zonde en der geestelijke worsteling om en met Christus en God in Christus. Die prediking gaat ook in op de persoonlijke geestelijke ontmoeting met Christus en in Hem met God en het leven des geloofs in Hem. Zij gaat ook in op de persoonlijke verzoening met God in het bloed van Christus, zoals de Geest ons daarin doet delen. Zo wordt recht gedaan aan wat er staat in het bevestigingsformulier van dienaren des Woords: „dat zij des Heeren Woord, door de Schriften der Profeten en Apostelen, grondig en oprechtelijk aan hun volk voordragen en het toeëigenen zo in het gemeen, als in het bijzonder, tot nuttigheid der toehoorders, met onderwijzen, vermanen en bestraffen naar eens iegelijks behoefte, verkondigende de bekering tot God en de verzoening met Hem door het geloof in Jezus”.

Door deze prediking alleen, in de lijn die het getuigenis van 1953 aangeeft, zal er eenheid komen en anders niet. Het uit elkaar groeien, wat nu reeds gezien wordt, zal zeker gaan toenemen, wanneer we elkander niet vinden in hei getuigenis van 1953.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.