+ Meer informatie

TER OVERWEGING

7 minuten leestijd

Georg Huntemann, In den beginne de Waarheid. Uitgave: Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. Prijs f. 15,90.

De schrijver van dit boek dat ruim 150 bladzijden telt, is predikant te Bremen en hoogleraar aan de Freie Evangelisch-Theologische Akademie te Bazel die ongeveer tien jaar geleden is opgericht omdat op bijna alle theologische opleidingen in het Duitse taalgebied de Bijbelkritiek zonder scrupules wordt gehanteerd. Dat dr. Huntemann daarvan niets moet hebben, blijkt uit dit boekje op bijna iedere bladzijde. Ook al kan met recht geaarzeld worden of de door hem gegeven exegese altijd te volgen is, dat hij eerbied heeft voor Gods Woord en dat wil laten spreken en daarom het machtsdenken van wat zich als moderne wetenschap aandient, pertinent afwijst, verdient m.i. waardering. In deel I van zijn geschrift („Zijn en niet-zijn”) behandelt hij: schepping of chaos, de eerste mens, het verloren paradijs, tussen twee katastrofen, als uitverkorenen in leven blij-ven, waarna een aantal „uitdagingen” beantwoord worden. In dit deel komen allerlei teksten uit het boek Genesis ter sprake. Het tweede deel („De lange mars”) behandelt enkele zaken die de uittocht uit Egypte en de woestijn betreffen. Het gaat dus met name om de eerste Bijbelboeken, de waarheid „in den beginne”. Dat daarbij dan vooral de zgn. evolutietheorie aan de orde komt zal niemand verwonderen. De schrijver waarschuwt - terecht - om de Bijbel niet te persen in onze menselijke voorstellingscategorie-en (blz. 47). Of hij zelf helemaal ontkomt aan die „verleiding”? Als hij de Nederlandse auteur dr. Ouweneel volgt in diens verklaring van „woest en ledig” (18), dan lijkt hij me aardig dicht in de buurt van dat persen te komen. Hij wil nuchter, eerlijk, open voor de feiten over de wereld nadenken (72), maar (zoals dit zo vaak gebeurt) vergeet m.i. zelf wel eens dat feiten ongetwijfeld feiten zijn, evenwel, als wij over die feiten gaan denken, praten, schrijven, dan doen wij dat met onze eigen menselijke woorden die gebrekkig zijn, vanuit onze eigen menselijke visie die beperkt is, met ons eigen menselijke verstand dat verduisterd is, slechts „ten dele” kent. Gods Woord èn Gods werk spreken elkaar niet tegen. Dat gelóven wij. Als velen die dat Woord en dat werk onderzoeken, dan menen op tegenspraak, zelfs op tegenstelling te stuiten, dan weten we ten diepste dat er geen tegenstelling tussen Zijn Woord en Zijn werk bestaat, alleen tussen ònze interpretaties ervan. Naar welke kant we dat ook willen wegredeneren, in deze bedeling blijft dat altijd een krampachtig gedoe. De zaak zèlf is méér dan mènselijke interpretatie die nooit boven eigen beperktheid en betrekkelijkheid uitkomt. Geloof is geen òplossing, maar vèrlossing van problemen die wij daarmee hebben! Dr. Huntemann doet in dit verband talloze markante uitspraken die tot nadenken stemmen, ook al vermijdt hij m.i. niet steeds dat „wegredeneren”. Dat het „tijdgebonden-zijn” daarbij een grote rol speelt om Gods Woord „weg” te redeneren, accentueert hij terdege (22, 92). Natuurlijk in de Bijbel is een element van „tijdgebondenheid” aanwezig waarmee bij de exegese rekening gehouden moet worden; dat zal niemand ontkennen. Maar als dat een willekeurig argument wordt om onder vrome schijn Gods wil en waarheid van het lijf te houden, dan wordt het bedenkelijker. Dan gaat de „aanpassing” aan de „tijdgeest” een rol spelen, de krampachtige poging om een synthese te bereiken tussen het christendom en welke ideologie dan ook maar in de mode is. Bij alle waardering voor het feit dat de schrijver in dezen waakzaam wil zijn, als hij het heeft over Israël dat „zijn hele geschiedenis lang de straf van God voor zijn ongehoorzaamheid” heeft moeten ervaren, ook „dat het Christus heeft verworpen” (138), dan lijkt me de stap naar de „aanpassing” van de „Duitse christenen” van veertig jaar geleden niet erg groot - en Hitler wilde God bij die straf wel een handje helpen, trouwens de inquisitie ook wel! De immer waakzame Huntemann had hiervoor toch wel enig oog mogen hebben! Ambtsdragers die bij hun werk met vele van de hier behandelde vragen geconfronteerd worden, kunnen onder voorbehoud van de nodige reserves toch veel aan dit boekje hebben.

Jan J. van Cappelleveen e.a., Overleg onderweg, kerkelijke zending en geloofszending. Uitgave: Kok, Kampen. Prijs f. 8,50.

Dit geschrift (75 blz.) is uitgegeven in opdracht van het „Guntersteinberaad”, een „beraad” dat de laatste jaren regelmatig plaats vindt tussen vertegenwoordigers van de zgn. „kerkelijke zending” die vooral van de „officiële kerken” uitgaat, en de zgn. „geloofs-zendingen” die uitgaan van genootschappen, verenigingen enz. waarin christenen van allerlei kleur samenwerken om aan zending te „doen”. Men spreekt ook wel eens over „oecumenicals” en „evangelicals”. Er is een tijd geweest dat de Nederlandse zending voornamelijk door genootschappen, verenigingen enz. waarin allerlei „zendingsvrienden” samenwerkten, gedreven werd, in feite tot het midden van deze eeuw. Het waren de Afgescheiden kerken die zending als een kerkelijke roeping zagen. In deze eeuw volgden de andere kerken, zodat het merendeel van de zendingsgenootschappen,-corporaties enz. een kerkelijk onderdak kregen, kerkelijke organen werden. Toch bleven vele „zendingsvrienden” actief in een bonte hoeveelheid stichtingen enz. die tegenwoordig vaak met „geloofszendingen” worden aangeduid. In dit boekje geven de heer Van Capelleveen en dr. Enklaar een uiteenzetting over „De zending van de kerken” en de heer Matzken over „De geloofszendingen”. Natuurlijk komen er allerlei verschillen naar voren tussen beide „typen” van zendingen - naast overeenstemmingen uiteraard. In extremis kunnen die verschillen zwaar geaccentueerd worden. Extreem horizontalisme en extreem verticalisme staan althans uiterlijk ver van elkaar. Maar tussen uitersten bevindt zich doorgaans nog een midden. In dat midden is ontmoeting mogelijk, waarbij het heel vaak nog slechts gaat om accentsverschillen.

Heb ik de heer Matzken goed begrepen dan blijft in dat midden een zakelijk verschil de hoofdzaak, nl. de financiën. Hij schrijft: „van iedere zendeling wordt verwacht dat hij zijn vertrouwen stelt op God en niet op een organisatie, om in zijn behoeften te voorzien” (biz. 47). De geloofszending kent wel organisatie, maar de zendeling kan daaraan geen financiële zekerheid ontlenen voor zijn persoonlijk onderhoud of de voortzetting van het werk waarin hij betrokken is. Matzken noemt dit zelfs het „grondprincipe” van geloofszending (39), een „heel speciale geloofs-afhankelijkheid” (49). Zonder meer mogen we diep respect hebben voor de jonge mensen die zich zó laten uitzenden. Hun ge-loofsinzet, geloofsbereidheid,geloofsafhankelijkheid, wie zou daarover een kwaad woord willen, durven spreken? Maar ik kan de indruk niet kwijt worden dat het „thuisfront” daarop min of meer parasiteert. Men kan een groot aantal mensen „in het veld” brengen, zeker. Maar als de grootste zorg van het thuisfront is: hoe „verkoopt” de zendeling zich hier? - zoals iemand mij eens bekende, - dan vraag ik me af of dat thuisfront zelf op zo’n basis wil werken en z’n salaris door de werkgever „in geloof” laat uitbetalen. Wat gij niet wilt dat u geschiedt doet dat uw zendelingen wèl? Is de arbeider zijn loon dan niet waard die zijn arbeid in het Evangelie verricht? Het is een „grondprincipe” (om dat woord ook eens te gebruiken) van de kerk van de Reformatie geweest dat zij die in het Evangelie arbeiden, „zonder zorg van het Evangelie kunnen le-ven”. Dat raakt de verantwoordelijkheid van het thuisfront, dat zich daaraan niet mag onttrekken. Moeten zij die al zoveel zorgen hebben, dan ook nog belast worden met de zorg voor de „leeftocht”, terwijl juist die zorg door het thuisfront kan worden weggenomen, ook al kost dat òffers van dat front?

Nee, dan behoeven onze zendingswerkers geen forse „buitenland-toeslag” - zoals een zakenman onlangs onderstelde omdat hij dat zelf gewend was. Ze krijgen het minimum-salaris dat namens de synode wordt geadviseerd, worden dus volgens Dominee Modaal gesalarieerd, zogezegd. Maar onze zendingsdeputaten achten het een eis en een eer dat de werkers in Indonesië en Afrika „zonder zorg” - al blijven er toch wel zorgen - kunnen arbeiden. Moet daarom geconcludeerd worden dat er „zonder geloof” wordt gewerkt? Verzakelijkt men het geloof niet als het criterium voor geloofszending zó in de financiën wordt gezocht? Nogmaals, het geloofsenthousiasme waarmee zoveel jongeren uitgaan, kan en mag niet betwijfeld worden, wel het verantwoordelijkheidsbesef van het thuisfront dat daarvan gebruik maakt. Om het eerste heb ik lang geaarzeld het laatste op papier te zetten, maar je kunt zo’n goed bedoeld boekje ook niet einde-loos laten liggen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.